RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Strafrecht Zittingsplaats: Breda parketnummer: 02/994514-15 vonnis van de meervoudige economische kamer van 3 april 2019 in de strafzaak tegen [verdachte] geboren op [geboortedag 1] 1965 te [geboorteplaats] wonende te [adres 1] Overigens in Nederland niet als ingezetene ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens raadsman mr. R. van der Hoeven, advocaat te Rotterdam. 1Het verdere onderzoek van de zaak Deze zaak was inhoudelijk behandeld op de zitting van 25 oktober 2017. De rechtbank heeft vervolgens bij vonnis van 8 november 2017 het onderzoek ter terechtzitting heropend en de stukken in handen van de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in dit arrondissement, gesteld teneinde een aanvullend deskundigenonderzoek te doen instellen. De inhoud van dat tussenvonnis dient als hier ingelast te worden beschouwd. De zaak is op zitting behandeld op 11 april 2018. Het deskundigenonderzoek bleek echter nog niet te zijn afgerond. De behandeling van de zaak is voor onbepaalde tijd aangehouden. Van de rechter-commissaris is het in opdracht van het NFI door de heer M. van Bergen van Novaedes Constructeurs d.d. 13 september 2018 opgestelde deskundigenrapport ontvangen. De verdediging heeft op 19 maart 2019 de door ir. H. Borsje van TNO innovation for life opgestelde reactie op dat deskundigenrapport in het geding gebracht. De zaak is vervolgens inhoudelijk behandeld op de zitting van 20 maart 2019, waarbij de deskundigen Van Bergen en Borsje de inhoud van hun rapporten en hun conclusies nader hebben toegelicht. De officier van justitie, mr. Koopmans, en de verdediging zijn op de uitkomsten van het deskundigenrapport en de daarop ingebrachte reactie nader ingegaan en hebben nogmaals hun standpunten kenbaar gemaakt. Ook de nabestaanden van de heren [naam 1] en [naam 2] zijn in de gelegenheid gesteld op de deskundigenrapporten te reageren. Zij hebben van die gelegenheid geen gebruik gemaakt. 2De tenlastelegging De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering. Bij herlezing van die vordering heeft de rechtbank geconstateerd dat zij de inhoud daarvan in het tussenvonnis van 8 november 2017 niet volledig heeft overgenomen. De rechtbank acht termen aanwezig om deze kennelijke misslag ambtshalve te herstellen en zal daarom in dit vonnis de inhoud van de definitieve tenlastelegging volledig wederom opnemen. Verdachte staat, met inachtneming hiervan, terecht ter zake dat 1. [bedrijf 1] op of omstreeks 11 september 2014 te Waalwijk, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, zeer, althans aanmerkelijk onvoorzichtig, onachtzaam en/of onzorgvuldig één of meer personen, te weten [naam 1] en/of [naam 2] werkzaamheden heeft laten verrichten in haar bedrijf gelegen op perceel kadastraal bekend gemeente Waalwijk, Sectie A, nummers [nummer 1] , [nummer 2] en [nummer 3] , in elk geval een perceel gelegen aan de [adres 2] aldaar, alwaar in een hal vakken waren gecreëerd door het plaatsen van losstaande stapelbare blokken en waar in vak 6 een hoeveelheid van ongeveer 830 ton kalkammon, althans een hoeveelheid kunstmest, was opgeslagen terwijl gelet op de staat waarin de scheidingsmuur tussen vak 5 en 6 verkeerde, kon worden vermoed dat die scheidingsmuur kon omvallen, de gevaren van het omvallen niet of niet voldoende heeft/hebben beoordeeld en/of geen of onvoldoende maatregelen heeft/hebben genomen om te voorkomen dat deze scheidingsmuur zou omvallen, tengevolge waarvan het aan zijn/ hun, verdachtes, schuld te wijten is geweest dat [naam 1] en/of [naam 2] door deze omvallende muur is/zijn geraakt, waardoor hij/zij zodanig letsel heeft/hebben bekomen dat hij/zij aan de gevolgen daarvan is/zijn overleden, tot welk feit dan wel aan welke verboden gedraging(
(2)door scheefstand van de muur. Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat de mogelijkheid van omvallen (door trillingen) door aantikken van de muur door [naam 1] niet de oorzaak kan zijn geweest, omdat dan de muur in dat geval direct of kort na het aantikken had moeten bezwijken en niet enkele uren later. Volgens Van Bergen was de belangrijkste oorzaak van het omvallen de smalle basis, veroorzaakt door het aanvreten van de blokken, in combinatie met de scheefstand en daarbij het overvullen van vak 6. De verdediging heeft aan de hand van de conclusies van deskundige Borsje bepleit dat de scheefstand door het overbeladen van vak 6 door [naam 1] kan zijn veroorzaakt, omdat de overbelasting kon leiden tot steeds dieper indrukken van het asfalt en daarmee uiteindelijk tot omvallen. Dat zou betekenen dat de muur voor het bijladen in de ochtend van 11 september 2014 nog niet scheef stond. Uit de bewijsmiddelen volgt dat er meer muren in de loods scheef en uit het lood stonden. [naam 3] verklaarde immers dat “vrijwel alle muren schots en scheef stonden, ook de muur die omgevallen is stond net zo scheef als de andere muren”. Voor de rechtbank staat daarmee voldoende vast dat de bewuste muur tussen vak 5 en 6 ook voor 11 september 2014 al scheef stond. Het moet naar het oordeel van de rechtbank voor iedereen zichtbaar zijn geweest dat de muren uit het lood stonden en waren aangetast, evenals overigens ook dat de inrichting van de bulkloods in zijn geheel in zeer slechte staat was, zoals blijkt uit de bovengenoemde bewijsmiddelen. Bij het personeel was bekend dat men moest oppassen voor de muren. Dat blijkt uit de verklaringen van Vicioso en [naam 3] dat [naam 1] hen had gewaarschuwd niet bij de muren te gaan staan. Ook was bekend dat kunstmest een negatieve invloed had op de betonblokken. [naam 4] verklaarde dit immers. De B.V. heeft echter nooit een inventarisatie gemaakt van de staat van de muren (en de inrichting). Nimmer is onderzocht welke invloed de inwerking van meststof op de muren kon hebben of wat de exacte draagkracht van de muren was. Evenmin is ooit berekend hoeveel ton van welke meststof in welk vak kon worden gestort. Maximumhoogtes voor het laden van de vakken waren niet aangegeven of anderszins aan het personeel kenbaar gemaakt. Op grond van de vergunning in combinatie met de daarbij behorende tekening mocht in vak 6 maximaal 250 ton worden gestort. Vast staat dat op de dag van het bedrijfsongeval er veel meer in dit vak lag en er toen nog meer is bijgestort. Er werd dan ook in strijd met de milieuvergunning gehandeld. Er was volgens verdachte gewoon doorgewerkt zoals in het verleden altijd al werd gewerkt. De werkzaamheden pasten in de normale uitoefening van het bedrijf en kunnen het bedrijf dan ook worden toegerekend. Dat er deels een bijzondere manier van belading werd toegepast door [naam 1] maakt dit niet anders. [naam 1] kreeg immers de opdracht om vanuit vak 5 zoveel mogelijk kunstmest in vak 6 over te scheppen, terwijl vak 6 al volgens de reguliere gang van zaken als vol had moeten worden beschouwd. [naam 1] heeft de gegeven opdracht naar beste kunnen uitgevoerd. Voor de rechtbank staat vast dat genoemde omstandigheden de dood van [naam 1] en [naam 2] hebben veroorzaakt én dat die oorzaken aan de B.V. (en aan verdachte) te verwijten zijn, omdat deze redelijkerwijs bekend hadden moeten zijn met het gevaar maar dit nooit hebben onderzocht, laat staan daar ooit maatregelen tegen hebben genomen. De rechtbank betrekt daarbij ook dat zij, zoals hierna zal blijken, ook grotendeels tot een veroordeling van de bij feit 2 omschreven overtredingen van de Arbeidsomstandighedenwet komt. Alles tegen elkaar afwegend is de rechtbank van oordeel dat het handelen van de B.V. in dit geval de aanmerkelijke onvoorzichtigheid, onachtzaamheid of nalatigheid oplevert, waaraan verdachte leiding heeft gegeven. Zij acht feit 1 wettig en overtuigend bewezen. De verwijten inzake de Arbeidsomstandighedenwet Ten aanzien van feit 2: Ingevolge artikel 1, eerste lid, onder a, sub 1, van de Arbeidsomstandighedenwet wordt onder werkgever verstaan degene jegens wie een ander krachtens arbeidsovereenkomst of publiekrechtelijke aanstelling gehouden is tot het verrichten van arbeid, behalve indien die ander aan een derde ter beschikking wordt gesteld voor het verrichten van arbeid, welke die derde gewoonlijk doet verrichten. Ingevolge artikel 1, derde lid, onder g, van de Arbeidsomstandighedenwet is als werkplaats aan te merken iedere plaats die in verband met het verrichten van arbeid wordt of pleegt te worden gebruikt. Uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte een bedrijf heeft waarin werkzaamheden worden verricht door een aantal werknemers. Het bedrijf van verdachte kan dan ook worden aangemerkt als een werkplaats als bedoeld in de Arbeidsomstandighedenwet. [naam 1] was in dienst bij verdachte en was werknemer in de zin van de Arbeidsomstandighedenwet. Uit de hiervoor aangehaalde bewijsmiddelen blijkt dat de B.V. haar medewerkers arbeid heeft laten verrichten in haar vestiging te Waalwijk, terwijl zij bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de veiligheid en gezondheid van haar werknemers onvoldoende waren gewaarborgd en er evenmin op heeft toegezien dat instructies en voorschriften ter voorkoming van risico’s bij de werkzaamheden werden nageleefd. Er werden immers grote hoeveelheden kunstmest in bulk opgeslagen in een onveilige werkomgeving. Aan eenvoudig waarneembare beschadigingen/slijtages aan met name scheidingswanden werd geen aandacht besteed. De rechtbank stelt voorts vast dat bij het bedrijfsmatig in bulk opslaan van dermate grote hoeveelheden kunstmest van de B.V. zoveel professionaliteit verwacht mag worden dat ervoor wordt gezorgd dat haar werknemers die arbeidsplaats veilig kunnen betreden en dat er zodanige instructies worden gegeven en maatregelen worden genomen dat eventueel gevaar wordt voorkomen, of in ieder geval zoveel mogelijk wordt beperkt. Eenvoudig waarneembare slijtage en beschadigingen van (enorme) betonblokken, scheefstand van muren en het onveilig vullen van bulkvakken werden niet gesignaleerd, noch werden daar maatregelen tegen genomen of werd er zo nodig corrigerend opgetreden. De situatie in de bulkloods was zodanig dat de B.V. naar het oordeel van de rechtbank zich in alle redelijkheid had moeten realiseren dat er daardoor een aanmerkelijke kans op bedrijfsongevallen was ontstaan. Desondanks heeft zij nagelaten corrigerend op te treden. De rechtbank gaat uit van opzet op het verrichten van handelingen dan wel nalaten van het treffen van maatregelen in strijd met de Arbeidsomstandighedenwet. In het kader van de Wet op de Economische Delicten is opzet kleurloos opzet. Het enkele handelen in strijd met dan wel nalaten van treffen van maatregelen in strijd met de Arbeidsomstandighedenwet is voldoende. De rechtbank acht daarom wettig en overtuigend bewezen dat de B.V. en verdachte als leidinggevende de in feit 2 omschreven handelingen krachtens de Arbeidsomstandighedenwet opzettelijk heeft overtreden, althans naleving van die voorschriften heeft nagelaten, ten gevolge waarvan haar werknemer [naam 1] is komen te overlijden. Overigens is de rechtbank daarbij wel van oordeel dat dit verwijt zich niet uitstrekt tot het vermeende nalaten ten aanzien van de aanpassingen in de inventarisatie en evaluatie van de risico’s, de R.I.&E. (gedachtestreepje 2 van feit 2). Dit formulier was opgesteld in juli 2013. Het betrof weliswaar geen statisch instrument, maar niet is vastgesteld, noch aannemelijk gemaakt, dat er in ruim een jaar sprake is geweest van andersoortige ervaringen of gewijzigde werkmethoden of -omstandigheden die aanleiding hadden moeten zijn tot aanpassingen. Dat de RI&E wellicht inhoudelijk niet toereikend was, en in die zin de Arbeidsomstandighedenwet is overtreden, is niet ten laste gelegd. Verdachte wordt van dat deel van de tenlastelegging vrijgesproken. Ten aanzien van feit 3 voorts: Uit de bewijsmiddelen blijkt dat van de stapelbare betonblokken die zijn gebruikt om de muren op te bouwen, stukken waren weggeslagen en afgebroken. Verder blijkt uit de bewijsmiddelen dat een aantal muren schots en scheef stonden, en dus uit het lood stonden. Ook volgt uit de bewijsmiddelen dat de rechterboom van de metalen trap naar het bordes rondom de zeef aan de onderzijde was doorgerot, zodat de stabiliteit niet kon worden gegarandeerd en er ernstig gevaar was voor personen bij het betreden van de trap. Voorts was bij de menginstallatie, merk Doyle, de plaats van de aandrijving eenvoudig bereikbaar zodat gevaar voor beknelling tussen de bewegende delen daarvan mogelijk was met ernstig gevaar voor personen ten gevolge als de menginstallatie in bedrijf was. Deze omstandigheden maken dat het voorschrift dat de inrichting schoon moet worden gehouden en in goede staat van onderhoud moet verkeren, is overtreden. Toezichthouder Milieu van de Omgevingsdienst West-Brabant, de heer [naam 11] , heeft in zijn controleverslag geconstateerd dat in (bulk)vak 6 meer bulkopslag van kunstmest aanwezig was dan volgens de plattegrond is toegestaan. Voorts was de ruimte die ingevolge PGS7: 4.2.12 tussen de opgeslagen kunstmeststoffen en de dakconstructie, spanten en gordingen minimaal 1 meter moet bedragen, in vak 3 en vak 6 minder dan een meter. Alhoewel niet verwezen is naar de kennelijk geldende PGS7, 4.2.2 ten aanzien van de overvulling acht de rechtbank dat onderdeel bewezen, gelet op hetgeen hiervoor bij de feiten 1 en 2 is vastgesteld én de omstandigheid dat een ruimte van minder dan een meter tussen opslag en het dak reeds betekent dat sprake is van overvulling. Voorts heeft [naam 11] vastgesteld dat er in vak 6 meer kalkammon moet zijn opgeslagen dan de volgens de vergunning toegestane 250 ton. De tenlastelegging spreekt over ongeveer 830 ton, maar de rechtbank heeft hiervoor al vastgesteld dat het ongeveer 804 ton betrof. Verdachte heeft op de zitting verklaard dat hij dit heeft overgenomen van een vergunningaanvraag van zijn voorganger, maar dat in werkelijkheid er veel meer ton in vak 6 kon en ook mocht. De rechtbank gaat daar aan voorbij. Op de aanvraag stond 250 ton, de aanvrager heeft dat zelf ingevuld. Omdat de tekening bij de aanvraag behoort en de aanvraag tot de vergunning behoort, is slechts dit maximum tonnage voor vak 6 vergund. Ook feit 3 acht de rechtbank derhalve wettig en overtuigend bewezen. Feitelijk leidinggeven feiten 1, 2 en 3. Verdachte wordt als feitelijk leidinggevende voor de verweten gedragingen vervolgd. In haar overzichtsarrest van 26 april 2016 heeft de Hoge Raad een verduidelijking gegeven omtrent het beslissingskader van de strafrechtelijke aansprakelijkheid voor feitelijk leidinggeven (ECLI:NL:HR:2016:733). Zo overweegt de Hoge Raad dat de enkele omstandigheid dat verdachte bestuurder van een rechtspersoon is, niet voldoende is om hem aan te merken als feitelijk leidinggever aan een door die rechtspersoon toerekenbaar begaan strafbaar feit, maar dat ook iemand die geen dienstverband heeft met de rechtspersoon feitelijk leidinggever kan zijn aan een door de rechtspersoon begaan strafbaar feit. Voorts kan aan hetzelfde strafbare feit door meer personen – al dan niet gezamenlijk – feitelijk leiding worden gegeven. Feitelijk leidinggeven zal vaak bestaan uit actief en effectief gedrag dat onmiskenbaar binnen de gewone betekenis van het begrip valt. Van feitelijk leidinggeven kan voorts sprake zijn indien de verboden gedraging het onvermijdelijke gevolg is van het algemene, door de verdachte (bijvoorbeeld als bestuurder) gevoerde beleid. In feitelijk leidinggeven ligt een zelfstandig opzetvereiste op de verboden gedraging besloten. Voor dit opzet van de leidinggever geldt als ondergrens dat hij bewust de aanmerkelijke kans aanvaardt dat de verboden gedraging zich zal voordoen. Van het bewijs van dergelijke aanvaarding kan – in het bijzonder bij meer structureel begane strafbare feiten – ook sprake zijn indien hetgeen de leidinggever bekend was omtrent het begaan van strafbare feiten door de rechtspersoon rechtstreeks verband hield met de in de tenlastelegging omschreven verboden gedraging. Gelet op de hierboven reeds opgenomen verklaringen omtrent de rol van verdachte bij de werkzaamheden binnen het bedrijf, is de rechtbank van oordeel dat verdachte als feitelijk leidinggevende van de B.V. kan worden beschouwd en dat hij aan de door de B.V. gepleegde verboden gedragingen feitelijk leiding heeft gegeven. 3.4 De bewezenverklaring De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat: 1. [bedrijf 1] op of omstreeks 11 september 2014 te Waalwijk, zeer, althans aanmerkelijk onvoorzichtig, onachtzaam en/of onzorgvuldig één of meer personen, te weten [naam 1] en/of [naam 2] werkzaamheden heeft laten verrichten in haar bedrijf gelegen op het perceel kadastraal bekend gemeente Waalwijk, Sectie A, nummers [nummer 1] , [nummer 2] en [nummer 3] , in elk geval een perceel gelegen aan de [adres 2] aldaar, alwaar in een hal vakken waren gecreëerd door het plaatsen van losstaande stapelbare blokken en waar in vak 6 een hoeveelheid van ongeveer 830 804 ton kalkammon, althans een hoeveelheid kunstmest, was opgeslagen terwijl, gelet op de staat waarin de scheidingsmuur tussen vak 5 en 6 verkeerde, kon worden vermoed dat die scheidingsmuur kon omvallen, de gevaren van het omvallen niet of niet voldoende heeft/hebben beoordeeld en/of geen of onvoldoende maatregelen heeft/hebben genomen om te voorkomen dat deze scheidingsmuur zou omvallen, ten gevolge waarvan het aan zijn/ hun, verdachtes haar, [bedrijf 1], schuld te wijten is geweest dat [naam 1] en/of [naam 2] door deze omvallende muur is/zijn geraakt, waardoor hij/zij zodanig letsel heeft/hebben bekomen dat hij/zij aan de gevolgen daarvan is/zijn overleden, tot welk feit dan wel aan welke verboden gedragingen hij, verdachte, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opdracht dan wel feitelijk leiding heeft gegeven; 2. [bedrijf 1] op of omstreeks 11 september 2014 te Waalwijk, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, als werkgever, al dan niet opzettelijk handelingen heeft/hebben verricht of nagelaten in strijd met de Arbeidsomstandighedenwet en/of daarop rustende bepalingen in het Arbeidsomstandighedenbesluit terwijl daardoor, naar zij wist(
- en)of redelijkerwijs moest(
- en)weten, levensgevaar of ernstige schade aan de gezondheid van een of meer werknemers ontstond of te verwachten was, immers heeft/hebben zij toen daar arbeid laten verrichten in haar bedrijf en/of inrichting gelegen aan de [adres 2] aldaar en/of in de onmiddellijke omgeving daarvan, terwijl zij niet -heeft/hebben gezorgd voor de veiligheid en de gezondheid van de werknemers inzake alle met de arbeid verbonden aspecten en geen beleid heeft gevoerd dat is gericht op zo goed mogelijk arbeidsomstandigheden, waarbij zij, gelet op de stand van de wetenschap en professionele dienstverlening genoemde arbeid niet zodanig heeft georganiseerd dat daarvan geen nadelige invloed uitging op de veiligheid en de gezondheid van de werknemer(
- s)(artikel 3 lid 1a van de Arbeidsomstandighedenwet) en/of - de risico-inventarisatie en -evaluatie heeft/hebben aangepast zo dikwijls als de daarmee opgedane ervaringen, gewijzigde werkmethoden of werkomstandigheden daartoe aanleiding gaven (artikel 5 lid 4 van de Arbeidsomstandighedenwet) -heeft/hebben toegezien op de naleving van de instructies en voorschriften gericht op het voorkomen of beperken van in artikel 8, eerste lid van de Arbeidsomstandighedenwet, genoemde risico's verbonden aan de te verrichten werkzaamheden (artikel 8 lid 4 van de Arbeidsomstandighedenwet) aangezien toen daar op die locatie een ruimte was verdeeld in vakken door middel van op elkaar gestapelde blokken en in de daardoor ontstane ruimte(
- s)(vak 6) onder meer kalkammon, in elk geval een soort kunstmest, was opgeslagen in zodanige hoeveelheid dat daardoor naar zij redelijkerwijs moest(
- en)weten, levensgevaar of ernstige schade aan de gezondheid van die haar werknemers [naam 1] ontstond of te verwachten was, immers is de scheidingsmuur tussen vak 5 en 6 (mede) door de druk van die Kalkamon, althans kunstmest, omgevallen en/of werd de zich in vak 5 bevindende werknemer ( [naam 1] ) door een of meer stenen geraakt, ten gevolge waarvan die werknemer is overleden, tot welk feit dan wel aan welke verboden gedragingen hij, verdachte tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opdracht dan wel feitelijk leiding heeft gegeven; 3. [bedrijf 1] op of omstreeks 11 september 2014, in elk geval op een of meer tijdstippen gelegen in de periode van 1 september 2014 tot en met 11 september 2014 in de gemeente Waalwijk, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, althans alleen, al dan niet opzettelijk, terwijl aan haar door burgemeester en wethouders van de gemeente Waalwijk d.d. 25 oktober 2011 een omgevingsvergunning was verleend voor het veranderen en het in werking hebben van een inrichting (artikel 2.1 lid 1 onder e jo artikel 2.6 Wabo) op het perceel kadastraal bekend gemeente Waalwijk, Sectie A, nummers [nummer 1] , [nummer 2] en [nummer 3] , in elk geval een perceel gelegen aan de [adres 2] aldaar, aan welke vergunning voorschriften waren verbonden, onder meer -de inrichting moet schoon worden gehouden en in goede staat van onderhoud verkeren (A.1 onder 1) -de opslag moet voldoen aan het gestelde in de navolgende paragrafen van de richtlijn PGS 7, in strijd met deze vergunning, althans met deze voorschriften verbonden aan deze vergunning heeft gehandeld aangezien -in de bulkloods werden vakafscheidingen gevormd door muren opgebouwd uit stapelbare betonblokken waarvan delen en brokstukken waren weggeslagen en/of afgebroken en/of -stonden een aantal muren uit het lood en/of -was de rechterboom van de metalen trap naar het bordes aan de onderzijde doorgerot en/of - was de plaats van aandrijving bij de menginstallatie eenvoudig bereikbaar, waardoor gevaar voor beknelling tussen de bewegende delen daarvan aanwezig was, met ernstig gevaar voor personen ten gevolge bij het in bedrijf zijn van de installatie -was vak 6 in de opslagruimte overvuld (vs 4.2.2 PGS 7) en/of was de ruimte tussen de opgeslagen meststoffen en de dakconstructie, spanten en gordingen minder dan 1 m (vs 4.2.12 PGS 7) en/of -was in vak 6 ongeveer ongeveer 804 ton kalkammon, althans enig soort kunstmest opgeslagen, terwijl in een tekening overlegd bij de aanvraag van die vergunning en behorende bij die vergunning 250 ton was genoemd, tot welk feit dan wel aan welke verboden gedragingen hij, verdachte, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opdracht dan wel feitelijk leiding heeft gegeven. De rechtbank heeft kennelijke omissies in de tenlastelegging hersteld en leest deze zoals hiervoor cursief is vermeld. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad. De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. 4De strafbaarheid Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op. Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit. 5De strafoplegging 5.1 De vordering van de officier van justitie De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar, alsmede een onvoorwaardelijke taakstraf voor de duur van 180 uur. Daarnaast vordert zij (ambtshalve) oplegging van de schademaatregel ter hoogte van € 20.000,--, uitgesplitst in een bedrag van € 15.000,-- ten behoeve van de weduwe van [naam 1] en € 5.000,-- ten behoeve van de nabestaanden van [naam 2] . 5.2 Het standpunt van de verdediging Met het besef dat welke strafmaat dan ook het leed van de nabestaanden nooit zal kunnen compenseren heeft de raadsman zich niet over de hoogte van de op te leggen straf uitgelaten. Ten aanzien van de gevorderde schademaatregel heeft de raadsman aangevoerd dat het deel dat betrekking heeft op affectieschade in deze procedure niet is toegestaan. Hij heeft al contact met de nabestaanden gehad en is met de weduwe [naam 1] al nagenoeg tot overeenstemming gekomen. Van de familie [naam 2] heeft hij geen reactie ontvangen. 5.3 Het oordeel van de rechtbank Verdachte is als directeur van de B.V. ernstig tekort geschoten bij het bieden van een veilige werkomgeving voor zijn werknemers en voor bezoekers van zijn inrichting. Het lijkt er op dat het bedrijf meer belang hechtte aan productie, opbrengst en resultaat dan aan de bescherming van werknemers en bezoekers. Het voor iedereen duidelijk zichtbare gebrek aan onderhoud en het gebrek aan veiligheidsmaatregelen, heeft pas tot enig werkelijk besef geleid toen het te laat was en het onomkeerbare leed al had plaatsgevonden. Werknemer [naam 1] overleed doordat zijn werkgever de gebreken zwaar heeft onderschat en geen beschermende maatregelen heeft genomen waardoor een scheidingsmuur door overbelading en slijtage omviel. De toevallig aanwezige [naam 2] liet daarbij eveneens het leven. Dat zijn twee mannen die door hun nabestaanden enorm gemist worden, zo bleek wel uit hun verklaringen op de zitting. [naam 1] kan niet meer voor zijn moeder zorgen, terwijl zij kort daarvoor ook al een andere zoon had verloren. [naam 1] vrouw blijft alleen achter. [naam 2] was 22 jaar oud, was aan zijn laatste werkdag bezig voordat hij met een nieuwe baan zou gaan beginnen, zich zou gaan verloven en zou een eigen huisje gaan zoeken. De dood van beide slachtoffers is bijzonder hard aangekomen bij hun nabestaanden. Zij zullen voor altijd gemist worden. Schrijnend bij dit alles is dat verdachte als directeur van de B.V. van mening was dat het bedrijf voor het ongeval voldoende veilig was. De rechtbank rekent het verdachte zwaar aan dat er geen afdoende maatregelen zijn genomen. Zelfs voor een leek moet zichtbaar zijn geweest dat de enorm zware betonblokken, waarmee de muren waren opgebouwd, soms zwaar beschadigd of zelfs gebroken waren, zoals ook uit de foto’s en de gemaakte film bleek, en dat de muren schots en scheef en vaak uit het lood stonden. Voor iedere werkgever behoort de veiligheid van zijn personeel op de allereerste plaats te zetten en dat was hier niet het geval. De Arbeidsomstandighedenwetgeving en omgevingsvergunningen zijn er niet voor niets. Zij zijn er in het algemeen belang, zoals de bescherming van het milieu, het landschap en de omgeving, maar zeker ook ter bescherming van werknemers en bezoekers van een bedrijf. Die bescherming had verdachte op zijn zachts gezegd niet hoog in het vaandel staan. Simpel waarneembare tekortkomingen, zoals bijvoorbeeld de vol in het zicht zijnde draaiende aandrijving van de menginstallatie, was eenvoudig te herstellen door een beschermkap te plaatsen. De doorgerotte trap, die het resultaat moet zijn geweest van een al langer durend rottingsproces en dus ook al heel lang waarneembaar was, werd op de koop toe genomen. De omgevingsvergunning stelde maxima ten aanzien van de belading van de vakken. Verdachte stelt dan weliswaar dat hij niet had begrepen dat deze maximale vulling ook als harde eis zouden gelden, maar verdachte heeft ook geen enkel onderzoek gedaan naar de maximale beladingsmogelijkheden van de vakken. Ook hier heeft de wens tot maximale productie en opbrengst kennelijk voorop gestaan. De rechtbank heeft vrijwel al hetgeen ten laste gelegd is bewezen verklaard. De rechtbank heeft zal bij de strafoplegging geen rekening houden met de feiten die ad informandum waren gevoegd, nu die feiten niet erkend worden. De bewezen verklaarde feiten speelden zich af in mei 2014. De zaak is pas voor het eerst op zitting aangebracht in oktober 2017. De redelijke termijn, die in de regel ook voor dit soort zaken kan worden gesteld op 2 jaar, is dan ook overschreden met anderhalf jaar. Dit zou naar vaste jurisprudentie moeten leiden tot een strafvermindering van minimaal tien procent. De vastgestelde misstanden binnen de onderneming van verdachte maken het belangrijk dat verdachte alles onderneemt om dit in de toekomst te voorkomen. De rechtbank vindt het dan ook belangrijk dat verdachte, als directeur, wordt bewogen tot het investeren in de veiligheid van zijn personeel en anderen. Daarom zal de rechtbank een voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen. Voor de maatschappij, de nabestaanden én voor het personeel betekent dit een extra garantie dat verdachte als werkgever de veiligheid van zijn personeel op de eerste plaats zal zetten en zich ook anderszins als een goed werkgever zal gedragen. De rechtbank houdt er in het voordeel van verdachte rekening mee dat hij een zo goed als blanco strafblad had. Voorts speelden de feiten zich af in mei 2014. De zaak is pas voor het eerst op zitting aangebracht in oktober 2017. De rechtbank acht de redelijke vervolgingstermijn, die in de regel ook voor dit soort zaken kan worden gesteld op twee jaar, overschreden met anderhalf jaar. Dit zou naar vaste jurisprudentie moeten leiden tot een strafvermindering van minimaal tien procent. Het strafblad van verdachte en genoemde overschrijding van de redelijke termijn brengen de rechtbank op een enigszins lagere voorwaardelijke celstraf. Zij acht het echter wel van belang dat verdachte een forse stok achter de deur krijgt om herhaling te voorkomen. Daarnaast benadrukt de rechtbank hiermee de ernst van de feiten en met name de enorme consequenties daarvan. De rechtbank zal daarom aan verdachte een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden opleggen met een proeftijd van twee jaar. Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat bij deze verdachte de effectieve straf in de vorm van het verrichten van onbetaalde arbeid ten dienste van de maatschappij de passende sanctie is. Het zal ook voor de nabestaanden bijdragen aan de verwerking dat ook de directeur zal moeten werken als boetedoening, al zal het hun leed natuurlijk maar deels verzachten. De rechtbank ziet geen reden om van de eis van de officier van justitie op dit punt af te wijken. Zij legt een onvoorwaardelijke taakstraf op voor de duur van 180 uur. 6De schadevergoedingsmaatregel De officier van justitie heeft oplegging van de schadevergoedingsmaatregel gevorderd tot een bedrag van € 20.000,00. Zij heeft daarbij een onderverdeling gemaakt voor de hoogte van de schade voor ieder van de slachtoffers. Voor de nabestaanden van [naam 1] vordert zij oplegging van de maatregel tot een bedrag van € 15.000,00. Voor de nabestaanden van [naam 2] vordert zij dit tot een bedrag van € 5.000,00. De verdediging komt tot afwijzing van deze vordering. De door de nabestaanden van [naam 1] geleden schade is reeds voldaan. Er is in de visie van de verdediging voorts geen vergoeding van affectieschade mogelijk. De rechtbank stelt vast dat er geen schadevergoedingsvordering is ingediend door de nabestaanden van [naam 1] of [naam 2] . Ter zitting is gebleken dat in het geval van [naam 1] reeds een vaststellingsovereenkomst is gesloten ter zake geleden schade. Door het sluiten van de overeenkomst heeft verdachte de wil getoond geleden schade te vergoeden en is het opleggen van de schadevergoedingsmaatregel naar het oordeel van de rechtbank niet noodzakelijk. In het geval van [naam 2] is geen vaststellingsovereenkomst gesloten. Verdachte heeft de bereidheid getoond een schadevergoeding te betalen. Niet gebleken is dat de nabestaanden van [naam 2] thans aanspraak willen maken op enige vergoeding. De rechtbank ziet onder deze omstandigheden geen aanleiding de gevorderde schadevergoedingsmaatregel op te leggen. De rechtbank zal de vordering tot oplegging van de schadevergoedingsmaatregel afwijzen. 7De wettelijke voorschriften De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 23, 24, 36f, 51, 57, 91 en 307 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 1, 1a, 2, 6 en 87 van de Wet op de economische delicten, de artikelen 1, 3, 5, 8, 32 en 46 van de Arbeidsomstandighedenwet, de artikelen 1, 7.7, 9.5 en 9.41 van het Arbeidsomstandighedenbesluit en de artikelen 1.1, 2.1, 2.3, 2.6 en 8.5 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde. 8De beslissing De rechtbank: Bewezenverklaring - verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 3.4 is omschreven; - spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd; Strafbaarheid - verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert: feit 1: Feitelijk leiding geven aan aan zijn schuld de dood van een ander te wijten zijn, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd; feit 2: Feitelijk leiding geven aan als werkgever verboden handelingen verrichten of na te laten in strijd met de Arbeidsomstandighedenwet of de daarop rustende bepalingen, terwijl daardoor, naar hij redelijkerwijs moest weten, levensgevaar of ernstige schade aan de gezondheid van een of meer werknemers ontstond of te verwachten was, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd; feit 3: Feitelijk leiding geven aan handelen in strijd met een voorschrift van een omgevingsvergunning dat betrekking heeft op activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e, juncto artikel 2.6 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd. - verklaart verdachte strafbaar; Strafoplegging - veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 2 maanden; - bepaalt dat deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd van twee jaren na te melden voorwaarde niet heeft nageleefd; - stelt als algemene voorwaarde: * dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit; - veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 180 uren; - beveelt dat indien verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 90 dagen; Schadevergoedingsmaatregel - wijst de vordering tot oplegging van de schadevergoedingsmaatregel af. Dit vonnis is gewezen door mr. Peters, voorzitter, mr. De Weert en mr. Van der Linden, rechters, in tegenwoordigheid van Mertens, griffier, en is uitgesproken op de openbare zitting van 3 april 2019. Mr. Peters is niet in de gelegenheid om dit vonnis mede te ondertekenen. Wanneer hierna wordt verwezen naar een paginanummer, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een pagina van het eindproces-verbaal met nummer 20TOM14006, onderzoek Kamen, van de regionale eenheid politie Zeeland-West-Brabant, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, bestaande uit vier ordners en doorgenummerd van 1 tot en met 1163. Proces-verbaal van bevindingen, pagina 34 e.v., ordner 1. Het geschrift, te weten een afschrift van de omgevingsvergunning, pagina 65 e.v., ordner 1. Het geschrift, te weten de niet-technische samenvatting activiteiten en processen, pagina 125 e.v. ordner 1. Het geschrift, te weten een afschrift van de omgevingsvergunning, pagina 78, ordner 1. Het geschrift, te weten een bouwkundige tekening, pagina 125, ordner 1. Proces-verbaal van relaas, pagina 4, ordner 1. Proces-verbaal van bevindingen, p. 815, ordner 4. Proces-verbaal van verhoor getuige, p. 749, ordner 3. Het geschrift, te weten een afschrift van de omgevingsvergunning, pagina 89, ordner 1. Het geschrift, te weten een afschrift van de omgevingsvergunning, pagina 100, ordner 1. Het geschrift, te weten een afschrift van de omgevingsvergunning, pagina 87, ordner 1. Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 805 e.v., ordner 4. Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 819, ordner 4 Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 838., ordner 4 Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 20 e.v., ordner 1. Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 356 e.v., ordner 2. Geschrift, zijnde een controleverslag van de omgevingsdienst Midden en West Brabant, pagina 321 e.v. Verklaring van [verdachte] ter zitting van 8 november 2017. Het proces-verbaal van verhoor, pagina 596 e.v., ordner 3. Het proces-verbaal van verhoor, pagina 613 e.v., ordner 3. Het proces-verbaal van verhoor, pagina 606 e.v., ordner 3. Het proces-verbaal van verhoor, pagina 782 e.v., ordner 3. Het schriftelijk stuk, betreffende de statische berekening, pagina 1067, ordner 4. Het geschrift Statische berekening, inhoudende controle berekening van bulkopslagwanden van betonnen stapelblokken, los stuk.