RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Team strafrecht, locatie Middelburg Parketnummer: 02/700253-18 Opheffing voorlopige hechtenis Beslissing op het verzoek d.d 11 april 2019 tot opheffing van de voorlopige hechtenis van: [verdachte] , geboren op [geboortedag] 1993 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] , thans gedetineerd. Het verzoek is behandeld op de zitting van 11 april 2019 en aldaar is verdachte, bijgestaan door zijn raadsman, gehoord. Tevens is gehoord de officier van justitie. De rechtbank overweegt naar aanleiding van het verzoek, als volgt. Aan de voorlopige hechtenis van verdachte ligt ten grondslag dat verdachte samen en in vereniging met een ander of anderen [slachtoffer] van het leven heeft beroofd door hem met een mes in de buik te steken. Verdachte heeft steeds ontkend dat hij verantwoordelijk is voor de dood van het slachtoffer. De rechtbank heeft in het bevel tot gevangenhouding van 8 januari 2019 over de ernstige bezwaren ten aanzien van verdachte het volgende overwogen. Verdachte is met het latere slachtoffer en de medeverdachten ( [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] ) tegelijkertijd in de kamer van [medeverdachte 2] geweest. Toen is ruzie ontstaan waarbij een mes is getoond en verdachte [medeverdachte 1] heeft verklaard dat verdachte toen door het slachtoffer bij de keel is gepakt. Voorts hebben getuigen gezien dat in ieder geval verdachte en de andere mannelijke verdachte buiten de woning bij het slachtoffer, die toen op de grond lag, hebben gestaan waarbij door één van hen is gezegd: "we moeten hier weg". Vervolgens heeft verdachte zich ook uit de voeten gemaakt. Volgens getuige [naam getuige] heeft verdachte later tegen haar gezegd dat verdachte [medeverdachte 1] het slachtoffer heeft gestoken en dat verdachte [medeverdachte 2] de aanstichter was. Naar het oordeel van de rechtbank vormden die feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, voldoende basis voor het aannemen van ernstige bezwaren. Verdachte [medeverdachte 2] heeft op 25 maart 2019 onder meer verklaard dat zij een mes had gepakt, daarmee op een tafel is gaan staan om de verdachten [medeverdachte 1] en [verdachte] en het slachtoffer uit haar woning te krijgen. Nadat zij vertrokken waren heeft zij het mes op tafel gelegd. Vervolgens zijn [medeverdachte 1] , verdachte en het slachtoffer weer de woning binnengekomen. Zij heeft verder verklaard dat verdachte [medeverdachte 1] en het slachtoffer ruzie kregen, dat daar klappen bij zijn uitgedeeld en dat zij [medeverdachte 1] hoorde zeggen: 'waar is dat mes'. [medeverdachte 2] heeft toen het mes gepakt om te voorkomen dat [medeverdachte 1] het mes zou pakken. Volgens [medeverdachte 2] heeft [medeverdachte 1] het mes van haar afgepakt en is hij vervolgens op het slachtoffer afgelopen. Uit een herzien rapport van 4 april 2019 van het NFI blijkt dat op het lemmet en op het heft van het mes DNA-materiaal van verdachte [medeverdachte 1] is aangetroffen. [medeverdachte 1] heeft onder meer verklaard dat hij boos op het slachtoffer is geworden en hem heeft vastgepakt rond zijn bovenlichaam, dat het slachtoffer hem bij de keel heeft gegrepen en dat er 'vuisten zijn gevallen'. Als hij woedend wordt, wordt het hem zwart voor zijn ogen. Hij verklaart ook dat als [medeverdachte 2] verklaart dat hij om een mes vroeg en dit mes van tafel wilde pakken, dat ------------------------------------------------------------------------------- niet waar is. Hij heeft volgens zijn verklaring geen mes gezien en ook geen mes vastgehad. Hij heeft het mes niet van [medeverdachte 2] afgepakt en is hier niet mee op het slachtoffer afgelopen. Hij heeft verklaard dat er geen DNA van hem op het mes zal zitten. Hij weet niet hoe zijn bloed op het mes komt. Ter zitting van 11 april 2019 heeft de officier van justitie als het meest waarschijnlijke scenario benoemd dat [medeverdachte 1] het slachtoffer heeft gestoken. Naar het oordeel van de rechtbank lijkt dit inderdaad, op basis van het momenteel voorliggende dossier, vooralsnog het scenario waar van uit zou moeten worden gegaan. Uitgaande van dit scenario is ter beoordeling of er voldoende ernstige bezwaren bestaan voor het medeplegen van de doodslag in de zin dat verdachte in nauwe en bewuste samenwerking met [medeverdachte 1] heeft gehandeld. Naar het oordeel van de rechtbank vormt de inhoud van het dossier, de resultaten van technisch onderzoek en de door de verdachten afgelegde verklaringen, onvoldoende basis om ernstige bezwaren in genoemde zin ten aanzien van verdachte aan te nemen. Gelet hierop heft de rechtbank de voorlopige hechtenis van verdachte op en gelast zij de onmiddellijke invrijheidstelling van verdachte. Deze beslissing is gegeven op 15 april 2019 door mr G.H. Nomes, voorzitter, en mrs N.C.W. Haesen en I.M. Josten, in tegenwoordigheid van mr. S.A. Huwae, griffier. De officier van justitie gelast de tenuitvoerlegging van vorenstaande beschikking en brengt deze ter kennis van verdachte.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.