vonnis RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Cluster II Handelszaken Breda zaaknummer / rolnummer: C/02/348400 / HA ZA 18-545 Vonnis van 24 april 2019 in de zaak van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid OSURO HOLDING BV, gevestigd te Leiden, eiseres, advocaat mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam, tegen [gedaagde] , wonende te [plaatsnaam] , gedaagde, advocaat mr. Z.M. Alaca te Eindhoven. Partijen zullen hierna Osuro en [gedaagde] genoemd worden. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: het tussenvonnis van 14 november 2018 en de daarin genoemde processtukken; de beslagstukken; de akte vermeerdering van eis, tevens akte overlegging producties 6 tot en met 10, van Osuro; de antwoordakte, inclusief productie, van [gedaagde] ; het proces-verbaal van comparitie van 21 februari 2019; de akte uitlating voortprocederen van Osuro; het B3-formulier zonder bijlagen van [gedaagde] , waarin staat dat geen minnelijke regeling is bereikt. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2De feiten De rechtbank gaat uit van de volgende feiten. 2.1. De heer [naam A] (hierna: [naam A] ) is de voormalig bestuurder van Osuro. Sinds juli 2017 is zijn zoon, de heer [naam B] (hierna: [naam B] ) bestuurder van Osuro. 2.2. [naam A] en [gedaagde] zijn met elkaar bevriend. 2.3. Osuro heeft op 18 juni 2015 € 10.000,- aan [gedaagde] verstrekt door overmaking van dit bedrag op de bankrekening van [gedaagde] . De betalingsomschrijving bij deze overboeking luidt: “Lening tot 30 september 2015 volgens afspraak met [naam A] ”. 2.4. Osuro heeft drie facturen van [gedaagde] betaald, te weten: - factuurnummer 1606 d.d. 29 juni 2016 van € 18.150,- met omschrijving: “presentatie”, voldaan op 29 juni 2016; - de bij e-mail van 1 september 2016 verzonden factuur van € 9.680,- met omschrijving: “presentatie speech” die is voldaan op 8 september 2016; - factuurnummer 1606 d.d. 4 november 2016 van € 9.075,- met omschrijving: “presentatie”, voldaan op 18 november 2016. 2.5. Osuro heeft [gedaagde] in contact gebracht met advocaat mr. [naam C] van TeekensKarstens advocaten. Dit kantoor heeft in 2017 juridische bijstand verleend aan [gedaagde] . De facturen voor deze juridische werkzaamheden ten behoeve van [gedaagde] heeft TeekensKarstens gericht aan Osuro en deze facturen zijn door Osuro betaald. 2.6. Osuro heeft [gedaagde] ook in contact gebracht met Abin Accountants BV (hierna Abin Accountants) en Halkes Management & Ondernemings Consultancy (hierna Halkes), die in 2017 werkzaamheden hebben verricht ten behoeve van [gedaagde] . De facturen voor deze werkzaamheden ten behoeve van [gedaagde] hebben Abin Accountants en Halkes gericht aan Osuro en deze facturen zijn door Osuro betaald. 2.7. De facturen van TeekensKarstens, Abin Accountants en Halkes vormen tezamen een totaalbedrag van € 34.052,18 inclusief BTW. 2.8. [naam A] is op 11 april 2018 onder provisioneel bewind gesteld en op 16 januari 2019 onder curatele gesteld. 2.9. Namens Osuro is op 26 juli 2018 een sommatiebrief aan [gedaagde] verzonden waarin staat vermeld dat [gedaagde] in totaal een bedrag van € 44.052,18 aan Osuro dient te voldoen binnen 2 dagen. 2.10. [gedaagde] heeft aan deze sommatie geen gehoor gegeven, waarna Osuro op 30 juli 2018 is overgegaan tot het leggen van conservatoir derdenbeslag . 3Het geschil 3.1. Osuro vordert - na vermeerdering van eis - om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad: I. [gedaagde] te veroordelen tot betaling aan Osuro tegen behoorlijk bewijs van kwijting van een bedrag van € 10.000,- te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 18 juni 2015, en een bedrag van € 12.000,- te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 17 februari 2015, althans een in goede justitie te bepalen dag, tot aan de dag van de algehele voldoening; II. [gedaagde] te veroordelen tot betaling aan Osuro tegen behoorlijk bewijs van kwijting van een bedrag van € 18.150,- te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 29 juni 2016, althans een in goede justitie te bepalen dag, tot aan de dag van de algehele voldoening; III. [gedaagde] te veroordelen tot betaling aan Osuro tegen behoorlijk bewijs van kwijting van een bedrag van € 9.680 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 8 september 2016, althans een in goede justitie te bepalen dag, tot aan de dag van de algehele voldoening; IV. [gedaagde] te veroordelen tot betaling aan Osuro tegen behoorlijk bewijs van kwijting van een bedrag van € 9.075,- te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 18 november 2016, althans een in goede justitie te bepalen dag, tot aan de dag van de algehele voldoening; V. [gedaagde] te veroordelen tot betaling aan Osuro tegen behoorlijk bewijs van kwijting van een bedrag van € 34.052,18 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 19 juli 2017, althans een in goede justitie te bepalen dag, tot aan de dag van de algehele voldoening; VI. [gedaagde] te veroordelen in de kosten van deze procedure, waaronder de beslagkosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 dagen na vonniswijzing. 3.2. Osuro legt het volgende aan haar vorderingen ten grondslag. Osuro maakt aanspraak op terugbetaling van het op 18 juni 2015 verstrekte geldbedrag van € 10.000,-. Zij stelt dat dit bedrag aan [gedaagde] is geleend en dat [gedaagde] gehouden was tot terugbetaling van dit bedrag op uiterlijk 30 september 2015, zoals volgt uit de betalingsomschrijving bij de overboeking. Osuro stelt dat [gedaagde] deze terugbetalingsverplichting niet is nagekomen. Osuro vordert ook terugbetaling van de drie door [gedaagde] gefactureerde geldbedragen van in totaal € 36.905,- die door Osuro aan [gedaagde] zijn voldaan. Volgens Osuro heeft [gedaagde] - anders dan op de facturen staat vermeld - nooit een presentatie gegeven of andere werkzaamheden voor Osuro verricht die betaling van de facturen rechtvaardigen. De facturen zijn naar de mening van Osuro onverschuldigd betaald. Met betrekking tot de facturen van TeekensKarstens, Abin Accountants en Halkes meent Osuro dat tussen [naam A] en [gedaagde] destijds is afgesproken dat Osuro de kosten voor de werkzaamheden ten behoeve van [gedaagde] zou voorschieten, waarbij TeekensKarstens, Abin Accountants en Halkes de facturen rechtstreeks aan Osuro mochten richten. In de visie van Osuro moest [gedaagde] deze factuurbedragen later weer aan Osuro betalen, wat zij niet heeft gedaan. Bij akte vermeerdering van eis heeft Osuro haar vordering vermeerderd met een bedrag van € 12.000,-. Zij stelt dat de in 2015 door [gedaagde] aangeschafte sportauto - een BMW Z4 Roadster - door Osuro is voorgeschoten met een contant geldbedrag van € 12.000,- en dat [gedaagde] dit moet terugbetalen aan Osuro. 3.3. [gedaagde] voert verweer en vindt dat de vorderingen moeten worden afgewezen. Zij betwist dat zij een overeenkomst van geldlening is aangegaan van € 10.000,- met Osuro. Met betrekking tot de drie door haar verstuurde facturen van in totaal € 36.905,- die door Osuro aan haar zijn voldaan, voert [gedaagde] aan dat zij wel degelijk in opdracht van Osuro - in de persoon van [naam A] - werkzaamheden heeft verricht. [gedaagde] meent dan ook dat zij deze bedragen niet hoeft terug te betalen. Ten aanzien van de facturen van TeekensKarstens, Abin Accountants en Halkes voert [gedaagde] aan dat de betreffende werkzaamheden in opdracht en voor rekening van Osuro zijn verricht. In de ogen van [gedaagde] zijn de facturen voor deze werkzaamheden dan ook terecht aan Osuro gericht en door Osuro voldaan. In de visie van [gedaagde] is zij niet verplicht tot betaling van deze factuurbedragen aan Osuro. Ten slotte betwist [gedaagde] dat de (bij)betaling voor de aankoop van haar sportauto door Osuro, in de persoon van [naam A] , een lening betrof en dat zij dit bedrag aan Osuro moet terugbetalen. Volgens [gedaagde] heeft Osuro haar vorderingen onvoldoende onderbouwd, waardoor er sprake is van misbruik van procesrecht. Zij vindt dat haar volledige proceskosten van € 5.533,73 door Osuro moeten worden vergoed. 3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4De beoordeling 4.1. De rechtbank stelt voorop dat in een civiele procedure in de eerste plaats op eiser een stelplicht rust. Dit betekent dat eiser alle feiten moet stellen die nodig zijn voor het intreden van het door hem beoogde rechtsgevolg. Eiser moet alle feitelijke elementen aandragen die voortvloeien uit het wettelijk voorschrift waar hij een beroep op doet en deze stellingen moet hij voldoende concretiseren. Het is vervolgens aan gedaagde om de door eiser gestelde feiten te betwisten of hiertegen verweer te voeren. Ook voor gedaagde geldt dat dit gemotiveerd moet gebeuren: zijn feitelijke stellingen moeten voldoende concreet en gespecificeerd zijn. In hoeverre een partij zijn stellingen moet concretiseren is mede afhankelijk van de mate waarin de andere partij concrete stellingen heeft ingenomen. Indien gedaagde de feiten voldoende gemotiveerd betwist, rust volgens de hoofdregel van artikel 150 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) op eiser de bewijslast van de door hem gestelde feiten. Indien de door eiser gestelde feiten niet (voldoende gemotiveerd) zijn betwist, zal de rechtbank ze als vaststaand aannemen (artikel 149 Rv). Verstrekt geldbedrag van € 10.000,- 4.2. Osuro stelt dat op 18 juni 2015 een geldbedrag van € 10.000,-, aan [gedaagde] is verstrekt. Volgens Osuro is dit bedrag aan [gedaagde] geleend en moest zij dit bedrag dus terugbetalen en wel uiterlijk op 30 september 2015. Ter onderbouwing van haar standpunt verwijst Osuro naar de betalingsomschrijving bij de overboeking van dit bedrag. [gedaagde] heeft niet weersproken dat Osuro, in de persoon van [naam A] , een bedrag van € 10.000,- aan haar heeft verstrekt. Zij betwist wel dat er sprake was een lening en dat zij dit bedrag moest terugbetalen. [gedaagde] voert aan dat zij en [naam A] goed bevriend waren met elkaar en elkaar wederzijds hielpen, ook op financieel gebied. Zij herkent de omschrijving bij de overboeking van dit bedrag niet en zij kan zich dit ook niet herinneren. Zij meent dat de secretaresse van [naam A] deze omschrijving destijds erbij heeft vermeld. [naam A] is op verzoek van [gedaagde] meegegaan naar de comparitiezitting en zij heeft aangeboden hem als getuige te laten horen. Of de verstrekking van het geldbedrag een geldlening betreft, moet worden beoordeeld aan de hand van het wetsartikel dat gold op het moment van verstrekking: artikel 7A:1791 Burgerlijk Wetboek (BW). Op Osuro rust de stelplicht van het bestaan van de overeenkomst van geldlening, dat wil zeggen van de verstrekking van het geld en van de verplichting tot teruggave van het geld. Het verweer van [gedaagde] vormt een gemotiveerde weerspreking van de stelling dat het aan haar verstrekte geldbedrag van € 10.000,- moest worden terugbetaald. Osuro draagt dus de bewijslast van haar stellingen. De betalingsomschrijving bij de overboeking van het geldbedrag is op zichzelf ontoereikend om bewezen te achten dat het een geldlening betreft, omdat [gedaagde] gemotiveerd heeft betwist dat deze omschrijving een juiste weergave is van wat destijds tussen haar en [naam A] is afgesproken over een verplichting tot terugbetaling van het geldbedrag. Osuro zal dan ook worden opgedragen te bewijzen dat Osuro - in de persoon van haar bevoegd bestuurder destijds, de heer [naam A] - met [gedaagde] is overeengekomen dat [gedaagde] het aan haar verstrekte geldbedrag van € 10.000,- aan Osuro moest terugbetalen, één en ander zoals in het dictum vermeld. Geldbedrag van € 12.000,- t.b.v. aankoop auto 4.3. Osuro stelt dat de in 2015 door [gedaagde] aangeschafte sportauto door Osuro, in de persoon van [naam A] , is voorgeschoten met een contant geldbedrag van € 12.000,- en dat [gedaagde] gehouden is tot terugbetaling van dit bedrag. In alinea 2 van de akte vermeerdering van eis onderbouwt Osuro het verstrekken van dit geldbedrag door [naam A] aan [gedaagde] met de volgende stellingen: (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.