RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Bestuursrecht zaaknummer: BRE 19/2298 WMO15 VV uitspraak van 25 juni 2019 van de voorzieningenrechter in de zaak tussen [naam verzoekster], te [woonplaats verzoeker], verzoekster, gemachtigde: mr. T.H.M.M. Kusters, en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Terneuzen, verweerder. Procesverloop Verzoekster heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 26 maart 2019 (bestreden besluit) van het college over de weigering om een woonvoorziening op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) te verstrekken. Zij heeft de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Middelburg op 17 juni
- Verzoekster is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door G.A.A.M. de Kort en M. van Damme-van ‘t Westeinde. Overwegingen
- Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen wanneer onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. De voorzieningenrechter stelt voorop dat de voorlopige voorzieningenprocedure is bedoeld om in afwachting van de uitkomst van een bezwaar- of beroepsprocedure een voorlopige maatregel te treffen. Daarom speelt bij de beoordeling van een verzoek om voorlopige voorziening de spoedeisendheid een belangrijke rol.
- De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoekster met haar verzoek nastreeft dat het college wordt veroordeeld om de woningaanpassingen aan te brengen die de ergonomisch adviseur van [naam stichting] in het rapport van 21 januari 2019 heeft geadviseerd. De voorzieningenrechter is van oordeel dat deze woningaanpassingen bouwkundige voorzieningen betreffen waarvoor aanzienlijke kosten moeten worden gemaakt. Als deze voorzieningen eenmaal getroffen zijn, kunnen ze niet gemakkelijk weer ongedaan worden gemaakt. Het treffen van dergelijke voorzieningen heeft dan geen voorlopig karakter en is in beginsel daarom te verstrekkend om als voorlopige voorziening te treffen in afwachting van een beslissing op bezwaar. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om hier in dit geval anders over te oordelen. Aan het voorgaande doet niet af dat wel vast staat dat het noodzakelijk is om woningaanpassingen te doen, omdat verzoekster is aangewezen op een rolstoeltoe- en doorgankelijke woning. De voorzieningenrechter is van oordeel dat ook dit onvoldoende reden is om te oordelen dat sprake is van een spoedeisend belang dat het treffen van enige voorlopige voorziening hangende de bezwaarprocedure vereist. Verzoekster is immers nog in staat om de bovenverdieping, waar haar slaapkamer en de natte cel zich bevinden, te bereiken, zij het dat zij daarbij hulp van anderen nodig heeft. Dat geldt ook voor het verlaten van de woning. Deze hulp is feitelijk ook voor haar beschikbaar. Bovendien is verzoekster nog in staat om de transfers te maken die nodig zijn om het toilet op de begane grond te bereiken. De voorzieningenrechter begrijpt dat de situatie van verzoekster zeer lastig voor haar is en dat de procedure al lang duurt, maar ook dat kan in het licht van wat hiervoor is overwogen niet tot een ander oordeel leiden.
- De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af. Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.M.L. van de Sande, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. R.J. Tolner, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 juni
- griffier voorzieningenrechter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.