RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Breda Bestuursrecht zaaknummer: BRE 19/697 GEMWT uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 november 2019 in de zaak tussen [naam eiser] , te [plaatsnaam] , eiser en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Goirle, verweerder. Procesverloop In het besluit van 16 april 2018 (primair besluit) heeft het college aan de heer [naam vergunninghouder] na een daartoe strekkende aanvraag een omgevingsvergunning verleend voor de activiteit bouwen, teneinde een eerder gerealiseerde verhoging van het dak van de woning aan de [adres 2] te [plaatsnaam] te legaliseren. In het besluit van 13 maart 2019 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend. Het beroep is besproken op de zitting van de rechtbank op 8 oktober 2019. Eiser was aanwezig. Namens het college was mr. M. van der Meer aanwezig. Overwegingen 1. Eiser woont aan de [adres 2] te [plaatsnaam] . Eisers woning is gelegen direct naast de woning aan de [adres 2] te [plaatsnaam] . Op 4 oktober 2016 heeft eiser het college verzocht handhavend op te treden tegen overtredingen op het perceel [adres 2] te [plaatsnaam] . Volgens eiser was onder meer sprake van een overtreding doordat de berging en het dak van de woning zonder vergunning zijn verhoogd. De woning aan de [adres 2] was op dat moment eigendom van de heer [naam eigenaar] . Bij besluit van 28 maart 2017 heeft het college eisers verzoek om handhaving ten aanzien van de verhoging van de berging toegewezen. Hoewel de overtreding kan worden gelegaliseerd, is van een concreet zicht op legalisatie geen sprake, omdat [naam eigenaar] weigerde een aanvraag ter legalisering in te dienen. Het verzoek om handhaving ten aanzien van de verhoging van het dak is afgewezen. Daarbij heeft het college erop gewezen dat het dak van de woning aan de [adres 2] zo’n 15 centimeter hoger ligt dan de daken van de overige woningen in de rij. Voor de verhoging van het dak is nooit een vergunning verleend, terwijl het verhogen van het dak niet vergunningvrij kon worden gerealiseerd. Er is dan ook sprake van een overtreding. Op grond van het bestemmingsplan mag ter plaatse gebouwd worden tot een hoogte van 9.00 meter. Het dak van de woning blijft ook met de verhoging ónder deze maximaal toegestane hoogte. Wanneer ter legalisatie van deze overtreding een vergunning wordt aangevraagd, dan kan de aanvraag dan ook niet op grond van het bestemmingsplan geweigerd worden. Er is volgens het college daarom sprake van een concreet zicht op legalisatie op grond waarvan van handhavend optreden moet worden afgezien. Op 9 oktober 2017 is de woning aan de [adres 2] executoriaal geveild, waarna de eigendom ervan is overgedragen aan de familie [naam vergunninghouder] . Op 14 maart 2018 heeft [naam vergunninghouder] een aanvraag gedaan voor een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen om daarmee de verhoging van het dak te legaliseren. Bij het primaire besluit heeft het college de aangevraagde omgevingsvergunning aan [naam vergunninghouder] verleend. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit en daarbij aangevoerd dat het college ten onrechte de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (Wet Bibob) niet heeft toegepast bij deze aanvraag. De verbouwing van de woning, waaronder ook de verhoging van het dak, is volgens eiser gefinancierd met crimineel geld. Hij heeft er daarbij op gewezen dat er in 2015 een hennepstekkerij is aangetroffen in de woning aan de [adres 2] . Eiser heeft zijn bezwaar toegelicht tijdens de hoorzitting van 8 januari 2019 van de commissie voor de bezwaarschriften. Bij het bestreden besluit heeft het college het bezwaar van eiser onder verwijzing naar en met overneming van het advies van de commissie ongegrond verklaard. Het college heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat de omstandigheid dat de familie [naam vergunninghouder] bij een openbare executieveiling de woning heeft verworven, terwijl de woning oorspronkelijk toebehoorde aan een persoon met een mogelijk crimineel verleden, niet tot de conclusie leidt dat ten aanzien van deze kopers een risico-inschatting op grond van de Wet Bibob geboden is. Daarnaast doen geen van de in het beleid genoemde situaties voor het uitvoeren van een Bibob-onderzoek zich voor. 2. Eiser heeft in beroep, samengevat, aangevoerd dat het college bij de beoordeling van de aanvraag ten onrechte buiten beschouwing heeft gelaten dat de verhoging van het dak door de vorige eigenaar van de woning is gerealiseerd met geld uit criminele activiteiten. Het college had de aanvraag op grond van de Wet Bibob moeten afwijzen. Door de vergunning te verlenen faciliteert het college witwassen. Eiser vreest dat, wanneer de vergunningverlening stand houdt, het college ook zal overgaan tot het legaliseren van de verhoging van de berging. 3.1 In artikel 8:69a van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) is het relativiteitsbeginsel opgenomen. Artikel 8:69a van de Awb bepaalt dat de bestuursrechter een besluit niet vernietigt op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept. 3.2. Artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) bepaalt dat het verboden is zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het bouwen van een bouwwerk. Artikel 2.10, eerste lid, van de Wabo bepaalt – kort gezegd – dat voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, de omgevingsvergunning wordt geweigerd indien het bouwplan niet voldoet aan: (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.