RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Belastingrecht, enkelvoudige kamer Locatie: Breda Zaaknummer BRE 17/3788 uitspraak van 11 december 2019 Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen [belanghebbende] , wonende te [woonplaats] , belanghebbende, en de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur. De bestreden uitspraak op bezwaar De uitspraak van de inspecteur van 19 mei 2017 op het bezwaar van belanghebbende tegen de aan hem opgelegde naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting (aanslagnummer: [aanslagnummer] .Y.2.90001) en de daarbij gegeven boetebeschikking. Zitting Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 november 2019 te Maastricht. Aldaar zijn verschenen en gehoord, belanghebbende bijgestaan door zijn moeder en vergezeld van zijn gemachtigde mr. R.W.J.L. Loonen, verbonden aan Boumans & Partners Advocaten te Maastricht, en namens de inspecteur, [inspecteur 1] en [inspecteur 2] . 1Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep gegrond; vernietigt de uitspraak op bezwaar; vernietigt de naheffingsaanslag en de boetebeschikking; - veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 1.024; - gelast dat de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 46 aan deze vergoedt. 2Gronden 2.1. Belanghebbende woont bij zijn ouders in Nederland en is sinds 4 oktober 1999 ingeschreven in de basisregistratie personen. 2.2. Op 10 december 2016 is tijdens een controle op de openbare weg geconstateerd dat belanghebbende een auto bestuurt van het merk Audi met het buitenlands kenteken [kenteken] (hierna: de auto). De auto staat sinds 20 januari 2011 op naam van belanghebbendes broer, [de broer] , die in [plaats] (Duitsland) woont. 2.3. Belanghebbende heeft voor de auto geen aangifte motorrijtuigenbelasting (hierna: mrb) gedaan en evenmin heeft hij voor de auto mrb voldaan. 2.4. Met dagtekening 18 april 2017 is aan belanghebbende een naheffingsaanslag mrb opgelegd van € 6.799, berekend over de periode 1 januari 2012 tot en met 9 december 2016 (hierna: de naheffingsaanslag). Gelijktijdig is een boetebeschikking gegeven van € 5.278. 2.5. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de naheffingsaanslag en boetebeschikking. In de uitspraak op bezwaar heeft de inspecteur de naheffingsaanslag gehandhaafd en de boetebeschikking verminderd tot tien procent vanwege de persoonlijke en financiële omstandigheden van belanghebbende. 2.6. Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen: I. Is de naheffingsaanslag terecht en niet naar een te hoog bedrag opgelegd? II. Is de boetebeschikking terecht dan wel tot een te hoog bedrag opgelegd? 2.7. Artikel 34 van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 (hierna: Wet mrb) maakt naheffing van mrb mogelijk bij constatering van het feit dat met een in het buitenland geregistreerd motorrijtuig gebruik wordt gemaakt van de weg in Nederland, terwijl voor dat motorrijtuig geen mrb is betaald. 2.8. Voor de buitenlands-kenteken-gevallen bedoeld in artikel 34 van de Wet mrb bepaalt artikel 13 van de Wet mrb de aanvang van het naheffingstijdvak. Het naheffingstijdvak vangt – voor zover van belang – aan met ingang van de dag waarop degene die het voertuig feitelijk ter beschikking heeft, is ingeschreven in de basisregistratie personen en, zolang het motorrijtuig in Nederland feitelijk ter beschikking staat, telkenmale drie maanden later (artikel 13, lid 2, van de Wet mrb). Dit vermoeden geldt tenzij wordt aangetoond met ingang van welke dag het in het buitenland geregistreerde motorrijtuig in Nederland ter beschikking heeft gestaan. In dat geval vangt het tijdvak aan met ingang van laatstbedoelde datum. Er kan tot maximaal vijf jaren na het einde van het kalenderjaar worden nageheven (artikel 20, lid 3, van de AWR). 2.9. Voor het door belanghebbende te leveren tegenbewijs dat de auto hem in Nederland op een later moment ter beschikking stond dan 1 januari 2012, is voldoende dat belanghebbende dit aannemelijk maakt. Indien belanghebbende tegenbewijs wenst te leveren dat de auto hem niet in Nederland ter beschikking heeft gestaan gedurende tussenliggende tijdvakken binnen de periode, dan is daarvoor eveneens voldoende dat belanghebbende dit aannemelijk maakt (vgl. Hoge Raad 5 april 2019, nrs. 18/02986 en 18/02987, ECLI:NL:HR:2019:482 en 483). 2.10. Belanghebbende stelt dat de auto hem alleen op de dag van staandehouding, 10 december 2016, feitelijk ter beschikking heeft gestaan. Ter onderbouwing van die stelling verwijst belanghebbende naar (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.