RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Bestuursrecht zaaknummers: BRE 19/6103 VV en BRE 19/5892 GEMWT uitspraak van 23 december 2019 van de voorzieningenrechter in de zaak tussen drs. [verzoeker 1] en [verzoeker 2] , te [plaats] , verzoekers, gemachtigde: en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Halderberge, verweerder. Procesverloop Verzoekers hebben beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 10 oktober 2019 (bestreden besluit) inzake de last onder dwangsom tot het verwijderen en verwijderd houden van illegale woonvoorzieningen uit het bijgebouw op het perceel [adres] te [plaats] en het beëindigen en beëindigd houden van het gebruik van dit bijgebouw als gastenverblijf. Zij hebben de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Breda op 18 december
- Verzoekers zijn in persoon verschenen, bijgestaan door mr. [persoon 1] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [persoon 2] en [persoon 3] . Overwegingen 1.1 Op grond van de stukken en de behandeling ter zitting gaat de voorzieningenrechter uit van de volgende feiten en omstandigheden. Tijdens een controle van twee inspecteurs van het gemeentelijke bouw- en woningtoezicht op 23 oktober 2018 is geconstateerd dat een bijgebouw op het perceel [adres] te [plaats] geschikt is gemaakt voor zelfstandige bewoning en dat dit bijgebouw ook bewoond werd. Met het oog op legalisatie van het met het bestemmingsplan strijdig gebruik heeft verzoeker [verzoeker 1] op 13 november 2018 verzocht om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Bij besluit van 21 november 2018 heeft verweerder de gevraagde vergunning geweigerd. Tegen dit besluit heeft verzoeker [verzoeker 1] geen bezwaar gemaakt. Hij heeft daarentegen verweerder laten weten dat zijn schoonouders op 26 januari 2019 in het bijgebouw zullen logeren en hij heeft verweerder uitgenodigd om daarvan proces-verbaal op te maken zodat hij de zaak aan de rechter kan voorleggen. Daarop heeft verweerder bij brief van 24 januari 2019 het voornemen kenbaar gemaakt om handhavend op te treden tegen het bouwen in afwijking van de bouwvergunning voor het bijgebouw en tegen het gebruik van het bijgebouw voor zelfstandige bewoning. Tegen dit voornemen heeft verzoeker [verzoeker 1] op 5 februari 2019 zijn zienswijze naar voren gebracht. Bij het primaire besluit van 28 februari 2019 heeft verweerder, onder weerlegging van de zienswijze, verzoeker [verzoeker 1] gelast het bijgebouw terug te brengen in de staat waarin het op 16 januari 1996 is vergund door daaruit de keuken, de douche en het toilet te verwijderen en verwijderd te houden. Daarbij heeft verweerder aangegeven dat verzoeker [verzoeker 1] een dwangsom van € 1.500,-- verbeurt per week dat niet of niet volledig aan deze last is voldaan, tot een maximum van € 15.000,--. Daarnaast heeft verweerder verzoeker [verzoeker 1] gelast het gebruik van het bijgebouw als gastenverblijf te beëindigen en beëindigd te houden. Ook daarbij heeft verweerder aangegeven dat verzoeker [verzoeker 1] een dwangsom van € 1.500,-- verbeurt per week dat niet of niet volledig aan deze last is voldaan, tot een maximum van € 15.000,--. Tegen dit besluit heeft verzoeker [verzoeker 1] een bezwaarschrift ingediend. Bij besluit van 14 mei 2019 heeft verweerder de begunstigingstermijn verlengd tot zes weken na verzending van de beslissing op bezwaar. Bij het bestreden besluit van 10 oktober 2019 heeft verweerder de bezwaren van verzoeker [verzoeker 1] ongegrond verklaard. 1.2 Uit het vorenstaande blijkt dat de begunstigingstermijn op 21 november 2019 is geëindigd. Namens verweerder is toegezegd dat niet gecontroleerd en geconstateerd zal worden tot 1 januari
- Dit betekent dat verzoeker [verzoeker 1] tot op heden nog geen dwangsom heeft verbeurd en ook niet zal verbeuren tot 1 januari
- De voorzieningenrechter is van oordeel dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de hoofdzaak en doet daarom op grond van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet alleen uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening, maar ook op het beroep. 3.1 Ingevolge artikel 6:13 van de Awb kan geen beroep bij de bestuursrechter worden ingesteld door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten dat hij geen bezwaar heeft gemaakt. 3.2 Verzoeker [verzoeker 2] heeft geen bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. Niet valt in te zien dat hem dat redelijkerwijs niet verweten kan worden. Daarom kan hij geen beroep instellen tegen het bestreden besluit. De voorzieningenrechter zal het beroep van verzoeker [verzoeker 2] niet-ontvankelijk verklaren.
- Verzoeker [verzoeker 1] heeft aangevoerd dat hij sedert drie jaar eigenaar is en dat het bijgebouw bij aankoop al een multifunctionele verblijf was. Het bijgebouw wordt ook nu nog gebruikt voor werk, studie, hobby en opslag en een paar dagen per jaar ook voor het onderbrengen van gasten. Volgens verzoeker [verzoeker 1] is een dergelijk gebruik niet in strijd met het bestemmingsplan. Er is in ieder geval geen sprake van zelfstandige bewoning of permanente bewoning, aldus verzoeker [verzoeker 1] . Daarnaast heeft hij betoogd dat er geen grondslag is voor de last om het bouwen in afwijking van de bouwvergunning uit 1996 ongedaan te maken. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht het bestreden besluit te schorsen.
- Bevoegdheid om handhavend op te treden: ten aanzien van de lastgeving om het bijgebouw terug te brengen in de staat waarin het op 16 januari 1996 is vergund door daaruit de keuken, de douche en het toilet te verwijderen en verwijderd te houden. 5.1 Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan “Kom Hoeven” rust op het onderhavige perceel de bestemming “Wonen” en staat het in geding zijnde bijgebouw op gronden met de aanduiding ‘bijgebouwen’ Artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo bepaalt dat het verboden is zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het bouwen van een bouwwerk. Krachtens artikel 2.3a, eerste lid, van de Wabo is het verboden een bouwwerk of deel daarvan dat is gebouwd zonder omgevingsvergunning in stand te laten. 5.2 Niet in geding is dat het bijgebouw is opgericht op basis van een bouwvergunning uit 1996 voor het bouwen van een schuur. Er zijn geen bouwtekeningen van de schuur waarop woonvoorzieningen als een keukenblok, douche en toilet zijn ingetekend. Dit betekent dat voor deze voorzieningen geen vergunning is verleend. Evenmin is voor het gebruik van de schuur als verblijfsruimte of zelfstandige woonruimte een – thans nog geldige – vergunning is verleend. 5.3 De vorige eigenaresse/bewoonster van het pand [adres] heeft verklaard dat ze gedurende de bouw van de woning vanaf 1996 ongeveer drie jaar in het bijgebouw hebben gewoond. Zij hadden daartoe een tijdelijke vergunning voor het bewonen van de schuur gevraagd en gekregen. De vorige bewoonster heeft tevens verklaard dat zij destijds na het gereedkomen van de woning gesommeerd zijn de tijdelijke bewoning van het bijgebouw te staken. Uit de overgelegde stukken blijkt niet van vergunning of toestemming om woonvoorzieningen in de schuur aan te brengen. Indien, zoals verzoeker [verzoeker 1] heeft gesteld, de vorige bewoners de woonvoorzieningen hebben aangebracht en zij deze voorzieningen na beëindiging van hun tijdelijke bewoning niet hebben verwijderd, dan neemt dat niet weg dat verzoeker [verzoeker 1] thans het verbod als bedoeld in artikel 2.3a, eerste lid, van de Wabo overtreedt. 5.4 Verweerder was daarom bevoegd om verzoeker [verzoeker 1] te gelasten om deze woonvoorzieningen te verwijderen en verwijderd te houden. Voorts ligt het, gelet op geweigerde omgevingsvergunning van 21 november 2018, niet in de rede dat verweerder alsnog vergunning zal verlenen voor de aanwezigheid van het keukenblok, douche en toilet.
- Bevoegdheid om handhavend op te treden: ten aanzien van de lastgeving om het gebruik van het bijgebouw als gastenverblijf te beëindigen en beëindigd te houden. 6.1 Artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo bepaalt dat het verboden is zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 18.4.1, aanhef en onder d, van de plantregels wordt onder strijdig gebruik in ieder geval begrepen het gebruiken of laten gebruiken van de gronden en/of opstallen binnen deze bestemming ten behoeve van zelfstandige bewoning van vrijstaande bijgebouwen. Artikel 1.6 van de planregels definieert vrijstaand bijgebouw als een vrijstaand gebouw, dat zowel ruimtelijk (door zijn constructie en/of afmetingen) als functioneel ondergeschikt is aan een op hetzelfde bouwperceel gelegen hoofdgebouw maar van daaruit niet rechtstreeks toegankelijk is en ten dienste staat van dat hoofdgebouw. 6.2 De voorzieningenrechter overweegt dat volgens de hiervoor weergegeven definitie het gebruik van een bijgebouw ten dienste van het hoofdgebouw moet staan. Als de keuken, de douche en het toilet verwijderd zijn dan is het bijgebouw niet langer geschikt voor zelfstandige bewoning. Wanneer het bijgebouw ook daarna nog wordt gebruikt als (onzelfstandig) gastenverblijf, is echter nog steeds sprake van een woonfunctie die niet past in het bijgebouw omdat die woonfunctie niet functioneel ondergeschikt is aan de woonfunctie van het hoofdgebouw. Het bijgebouw is geen verblijfsruimte. Daarmee is het door verweerder met de last bestreden gebruik in strijd met het in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo neergelegde verbod. 6.3 Verweerder was daarom bevoegd om verzoeker [verzoeker 1] te gelasten het gebruik van het bijgebouw als gastenverblijf te beëindigen en beëindigd te houden. Voorts staat met het besluit van 21 november 2018 vast dat een dergelijk gebruik niet alsnog vergund kan worden.
- Redenen om af te zien van handhaving? 7.1 Behoudens bijzondere omstandigheden is het onjuist noch onredelijk te achten dat een bestuursorgaan in een geval waarin is gehandeld in strijd met een wettelijk voorschrift en de betrokken handeling niet kan worden gelegaliseerd, in het belang van de handhaving van wettelijke voorschriften en het voorkomen van precedentwerking besluit tot het toepassen van bestuursdwang of tot het opleggen van een last onder dwangsom. 7.2 De door verzoeker aangehaalde mededeling van de makelaar dat het bijgebouw gebruikt mocht worden als gastenverblijf, kan verweerder niet binden. Voorts overweegt de voorzieningenrechter dat verzoeker [verzoeker 1] geen rechten kan ontlenen aan het feit dat tijdens controles op het perceel in 1998 en 2000 de illegale situatie niet geconstateerd is. Daarnaast is het enkele tijdsverloop sedert het illegaal aanbrengen van de voorzieningen evenmin een bijzondere omstandigheid die verweerder zou moeten nopen tot het gedogen van de illegale verbouwing.
- Het vorenstaande leidt de voorzieningenrechter tot de conclusie dat het beroep van verzoeker [verzoeker 1] , zowel voor wat betreft de last tot het verwijderen en verwijderd houden van de woonvoorzieningen als voor wat betreft de last om het gebruik van het bijgebouw als gastenverblijf te beëindigen en beëindigd te houden, ongegrond verklaard dient te worden.
- Gegeven deze uitkomst in de hoofdzaak is er geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening. Evenmin is er aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Beslissing De voorzieningenrechter: verklaart het beroep van eiser [verzoeker 2] niet ontvankelijk; verklaart het beroep van eiser [verzoeker 1] ongegrond; wijst het verzoek om voorlopige voorziening af. Deze uitspraak is gedaan door mr. R.P. Broeders, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. P.H.M. Verdonschot, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 december
- De griffier is buiten staat deze uitspraak mede te ondertekenen. P.H.M. Verdonschot, griffier R.P. Broeders, voorzieningenrechter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan voor zover daarbij is beslist op het beroep binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.