RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Bestuursrecht zaaknummer: BRE 19/2923 WABOA uitspraak van 27 maart 2020 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam eiseres] , te [plaatsnaam] , eiseres, gemachtigde: mr. T.P.M. Kouwenaar, en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Geertruidenberg, verweerder. Als derde partijen hebben aan het geding deelgenomen: 1. [naam derde partij1] te [plaatsnaam2] , gemachtigde: mr. M.A. Patandin, 2. [naam derde partij2], te [plaatsnaam2] , gemachtigde: mr. M.M. Breukers. Procesverloop Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 7 juni 2019 van het college over een aan haar verleende omgevingsvergunning voor het wijzigen van het inpandig gebruik naar twee appartementen en het verhogen van de kap van het pand aan de [adres] te [plaatsnaam2] . Eiseres heeft daarbij ook om een voorlopige voorziening verzocht (zaaknummer BRE 19/2922 WABOA VV). Dat verzoek is door de voorzieningenrechter van deze rechtbank bij uitspraak van 20 augustus 2019 afgewezen wegens het ontbreken van spoedeisend belang. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Breda op 14 februari 2020. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde en [naam vertegenwoordiger] . Het college is, met voorafgaand bericht, niet verschenen. Ook derde partijen zijn niet verschenen. Overwegingen 1. Op grond van de stukken en de behandeling ter zitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden. 1.1. Bij besluit van 19 april 2017 heeft het college aan eiseres een omgevingsvergunning verleend voor de activiteiten ‘bouwen van een bouwwerk’ en ‘gebruiken van gronden en/of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan’ voor het wijzigen van het inpandig gebruik van het pand [adres] te [plaatsnaam2] naar 4 appartementen. Een aantal omwonenden heeft bezwaar gemaakt tegen dat besluit. Die bezwaren zijn door het college bij besluit van 12 september 2017 ongegrond verklaard. Tegen dat besluit is geen beroep ingesteld. De verleende omgevingsvergunning is daarmee rechtens onaantastbaar geworden. 1.2. Op 1 juni 2017 heeft eiseres een nieuwe aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning voor de verbouwing van het appartementencomplex aan de [adres] met vier appartementen naar zes appartementen. Concreet houdt de aanvraag in dat het dak van het pand ongeveer 0,9 meter wordt verhoogd en dat op de bovenste verdieping twee appartementen worden gerealiseerd. Bij besluit van 4 augustus 2017 (primair besluit) heeft het college een omgevingsvergunning verleend voor de activiteiten ‘bouwen van een bouwwerk’ en ‘gebruiken van gronden en/of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan’. Ook tegen dat besluit is bezwaar gemaakt door meerdere omwonenden, onder wie derde partijen. Bij besluit van 2 maart 2018 heeft het college de bezwaren ongegrond verklaard, waarbij het primaire besluit in stand is gelaten. 1.3. Derde partijen hebben beroep ingesteld tegen het besluit van 2 maart 2018. Het beroep van [naam derde partij1] is bij de rechtbank bekend onder zaaknummer BRE 18/2106 WABOA en het beroep van [naam derde partij2] onder zaaknummer BRE 18/1370 WABOA. [naam derde partij2] heeft tevens een voorlopige voorziening gevraagd. De behandeling van de beroepen heeft niet gelijktijdig plaatsgevonden. Op het beroep van [naam derde partij2] is door de voorzieningenrechter van deze rechtbank uitspraak gedaan op 5 april 2018. Het beroep van [naam derde partij2] is daarbij gegrond verklaard en het besluit van 2 maart 2018 is vernietigd. De voorzieningenrechter heeft daarbij bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. Het verzoek om voorlopige voorziening is afgewezen. Op het beroep van [naam derde partij1] heeft de rechtbank op 20 december 2018 uitspraak gedaan. Ook dat beroep is gegrond verklaard en het besluit van 2 maart 2018 is vernietigd. De rechtbank heeft daarbij bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven voor zover het betreft de ongegrondverklaring van de bezwaren over de aantasting van de privacy en de toename van de parkeerdruk. Voor wat betreft het welstandsoordeel heeft de rechtbank het college opgedragen een nieuw besluit te nemen op de bezwaren. 1.4. [naam derde partij2] heeft hoger beroep aangetekend tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van 5 april 2018. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) heeft op 20 februari 2019 de uitspraak van 5 april 2018 (voor zover aangevallen) bevestigd. 1.5. Het college heeft op 7 juni 2019 een nieuw besluit op de bezwaren genomen (het bestreden besluit). Bij het bestreden besluit heeft het college het primaire besluit in stand gehouden, maar heeft in de vergunning de navolgende aanvullende voorschriften opgenomen. De parkeervoorzieningen ten behoeve van de twee appartementen dienen te worden gerealiseerd ten tijde van de uitvoering van deze vergunning (lees: 4 augustus 2017). Indien blijkt dat door omstandigheden de parkeerplaatsen niet te bereiken zijn, dienen er maatregelen te worden getroffen, zodat aan het parkeerbeleidsplan wordt voldaan. Mocht blijken dat er niet aan deze voorwaarde wordt voldaan, kan op basis van dit voorschrift de vergunning worden ingetrokken. Langs de korte zijde van alle balkons moeten privacyschermen met een hoogte van minimaal 2 meter worden aangebracht, die worden voorzien van ondoorzichtig materiaal uitgevoerd in melkglas (tenzij een aanvaardbaar alternatief in overleg met omwonenden is overeengekomen en dit aantoonbaar/schriftelijk vastligt). Alvorens de privacyschermen worden aangebracht moet een detailtekening ter goedkeuring aan het bevoegd gezag worden overgelegd. Er mag pas gestart worden met de werkzaamheden nadat de tekening is beoordeeld en goedgekeurd. 2. Het beroep van eiseres is gericht tegen de aan het bestreden besluit verbonden voorschriften. Met betrekking tot het voorschrift onder
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.