RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Bestuursrecht zaaknummer: BRE 19/3546 WIA uitspraak van 7 april 2020 van de enkelvoudige kamer op het verzoek om veroordeling in de proceskosten in de zaak tussen [naam verzoekster] , te [plaatsnaam] , verzoekster, gemachtigde: mr. J. Daniëls, en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV; kantoor Eindhoven), verweerder. Procesverloop Verzoekster heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 19 maart 2019 (bestreden besluit) van het UWV inzake de aanspraken van [naam persoon] op een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Breda op 30 januari
- Ter zitting heeft het UWV toegezegd om de arbeidsmogelijkhedenlijst van de niet eind geselecteerde functies over te leggen, zodat verzoekster kan beoordelen of deze functies terecht niet zijn betrokken bij de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling. Na bestudering van de stukken, heeft verzoekster geconcludeerd dat de niet eind-geselecteerde functies terecht niet zijn geselecteerd. Vervolgens heeft verzoekster het beroep ingetrokken, met het verzoek het UWV te veroordelen in de proceskosten. Het UWV heeft geen gebruik gemaakt van de gelegenheid hierop te reageren. De rechtbank heeft, met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), een behandeling van het verzoek ter zitting achterwege gelaten. Overwegingen
- Op grond van artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb kan de rechtbank, indien het beroep wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan veroordelen in de proceskosten.
- Hoewel het UWV de mate van arbeidsongeschiktheid niet heeft gewijzigd, is de rechtbank van oordeel dat het UWV aan het beroep van eiseres is tegemoet gekomen. Eiseres heeft immers voor de beoordeling of het UWV terecht functies heeft laten vervallen, inzicht nodig in gegevens over de niet eind geselecteerde functies. Dit inzicht heeft het UWV pas gegeven in de beroepsprocedure. Zou het UWV dit al tijdens de bezwaarprocedures hebben gedaan, dan had verzoekster niet in beroep hoeven te komen. Hierin ziet de rechtbank aanleiding het UWV te veroordelen in de door verzoekster gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.050,-- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 525,- en wegingsfactor 1). Beslissing De rechtbank veroordeelt het UWV in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van € 1.050,--. Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.M.L. van de Sande, rechter, in aanwezigheid van mr. A.J.M. van Hees, griffier, op 7 april 2020 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl De griffier is verhinderd om deze uitspraak te ondertekenen. rechter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan verzet worden gedaan bij de rechtbank.