RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Bestuursrecht zaaknummer: BRE 20/4735 GEMWT VV uitspraak van 10 april 2020 van de voorzieningenrechter op het verzoek om veroordeling in de proceskosten in de zaak tussen [naam verzoeker 1] en [naam verzoeker 2], te [woonplaats], verzoekers, gemachtigde: J.A.L. van Engelen, en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Breda, verweerder. Procesverloop Verzoekers hebben bezwaar gemaakt tegen het besluit van 8 januari 2020 (bestreden besluit) van het college over het opleggen van een last onder dwangsom. De last houdt in dat de heer [naam verzoeker 1] binnen vier maanden na verzending van dit besluit (dus voor 8 mei 2020) het pand [adres] terugbrengt naar de situatie waarvoor in 1923 vergunning is verleend. Dit betekent dat het pand gebruikt mag worden door maximaal één huishouden. Aan de last is een eenmalige dwangsom verbonden van € 10.000,-. Verzoekers hebben de voorzieningenrechter op 17 februari 2020 verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Bij besluit van 19 maart 2020 heeft het college bericht de uitvoering van het bestreden besluit op te schorten tot zes weken na het nemen van een beslissing op het bezwaar. De reden daarvoor is gelegen in de maatregelen die zijn getroffen vanwege het coronavirus. Vervolgens hebben verzoekers het verzoek om voorlopige voorziening ingetrokken, met het verzoek het college te veroordelen in de proceskosten. Het college heeft gebruik gemaakt van de gelegenheid hierop te reageren. De voorzieningenrechter heeft, met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), een behandeling van het verzoek ter zitting achterwege gelaten. Overwegingen
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.