RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Bestuursrecht zaaknummer: BRE 20/5690 ONBEK VV uitspraak van 24 april 2020 van de voorzieningenrechter in de zaak tussen [naam verzoekster], te [woonplaats verzoekster], verzoekster, en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg, verweerder. Procesverloop Verzoekster heeft bezwaar gemaakt tegen een besluit van het college. Zij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Volgens het verzoekschrift is het bezwaar gericht tegen een besluit van 21 februari 2020 Op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een zitting achterwege gebleven. Overwegingen
- Een opmerking in het verzoekschrift over betalingsonmacht is door de griffier opgevat als een verzoek om vrijstelling van griffierecht. Gelet op de door verzoekster aan het college verstrekte informatie komt zij in aanmerking voor vrijstelling van griffierecht.
- Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter van de rechtbank in het kader van een bezwaarprocedure een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Op grond van het vierde lid moet de indiener van het verzoek daarbij zo mogelijk een afschrift van het besluit waarop het geschil betrekking overleggen, alsmede een afschrift van het bezwaarschrift.
- De griffier heeft in een brief van 3 april 2020 aan verzoekster gevraagd om kopieën op te sturen van het bestreden besluit en van het bezwaarschrift dat tegen dat besluit is ingediend. Ook is in die brief gevraagd om het spoedeisend belang toe te lichten. Gevraagd is om binnen acht dagen schriftelijk te reageren, waarbij verzoekster er op is gewezen dat zij bij het uitblijven van een tijdige reactie het risico loopt dat het verzoek om voorziening wordt afgewezen.
- Verzoekster heeft op 9 april 2020 de rechtbank gebeld en telefonisch aan de griffier gevraagd om uitleg bij de brief van 3 april
- Die uitleg is haar gegeven, en de griffier heeft gewezen op het belang van het tijdig reageren op die brief. Op de rechtbank is geen reactie ontvangen, niet binnen de daarvoor gegeven termijn en ook niet daarna.
- De voorzieningenrechter heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken van het college ontvangen, waaronder een besluit van 21 februari 2020 tot het toepassen van spoedeisende bestuursdwang en een besluit van 13 maart 2020 waarin de kosten van de toepassing van bestuursdwang aan verzoekster in rekening worden gebracht. Bij die stukken bevindt zich ook een bezwaarschrift dat is gericht tegen het besluit van 13 maart
- Nu niet is gebleken dat tegen het besluit van 21 februari 2020 bezwaar is gemaakt kan geen voorlopige voorziening worden getroffen in het kader van een bezwaarprocedure tegen dat besluit. Uit de inhoud van het verzoek om voorlopige voorziening kan worden afgeleid dat dat verzoek gericht had moeten zijn tegen het besluit van 13 maart 2020, waar wel bezwaar tegen is gemaakt. De voorzieningenrechter gaat er van uit dat verzoekster in haar verzoek een verkeerde besluitdatum heeft genoemd.
- Zoals in onderdeel 2 van deze uitspraak is overwogen wordt alleen maar een voorlopige voorziening getroffen wanneer onverwijlde spoed dat nodig maakt. Voor de voorzieningenrechter is niet duidelijk waarom verzoekster de beslissing op haar bezwaar niet kan afwachten, en verzoekster heeft geen gebruik gemaakt van de gelegenheid om dat toe te lichten. Het verzoek zal daarom worden afgewezen. Beslissing De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af. Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Peters, in aanwezigheid van mr. P. Oudkerk, griffier, op 24 april 2020 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. griffier voorzieningenrechter Afschrift verzonden aan partijen op: Als u het niet eens bent met deze uitspraak Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.