RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: BRE 19/1370 WABOA uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 mei 2020 in de zaak tussen [naam eiser] , te [plaatsnaam] , eiser gemachtigde: mr. T. de Beet, en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Noord-Beveland, verweerder. Procesverloop In het besluit van 31 juli 2018 (primaire besluit) heeft het college de aanvraag van eiser om een omgevingsvergunning om de aanbouw bij zijn woning aan de [adres] te [plaatsnaam] af te splitsen van de woning en aldus als zelfstandige woning te kunnen gebruiken, afgewezen. In het besluit van 1 februari 2019 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Het beroep is besproken op de zitting van de rechtbank op 6 maart
(2015)zijn verleend met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2° van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) terwijl in het Bor geen regels waren opgenomen met toepassing waarvan voor het bouwen van de woning en de aanbouw van het bestemmingsplan kon worden afgeweken. Dat laat naar het oordeel van de rechtbank onverlet dat het college niet gehouden is een eerder gemaakte fout te herhalen. Deze grond slaagt dan ook niet. 3.5 Eiser heeft daarnaast aangevoerd dat het college handelt in strijd met het gelijkheidsbeginsel. Het college heeft een omgevingsvergunning verleend om op een locatie nabij eisers woning vijf woningen te bouwen, terwijl er oorspronkelijk vier woningen gebouwd zouden worden. Ook daar was er sprake van strijd met het bestemmingsplan. Ter zitting is gebleken dat op de locatie van de woningen waarop eiser gewezen heeft andere planregels gelden. Anders dan ter plaatse van de woning van eiser, staan die planregels niet in de weg aan het vermeerderen van het aantal woningen van vier naar vijf. Omdat er geen sprake is van gelijke gevallen gaat het beroep van eiser op het gelijkheidsbeginsel niet op. 3.6 Eiser heeft tot slot gesteld dat hij niet enkel een financieel belang heeft bij de woningsplitsing. De verkoop van de woning is nodig om eisers gehandicapte echtgenote in geval van overlijden van eiser verzorgd te kunnen achterlaten in een woonproject. Tussen partijen is niet in geschil dat het bestemmingsplan “Kom [plaatsnaam] 2018” geen regels bevat met toepassing waarvan in dit geval van het bestemmingsplan kan worden afgeweken, en dat hetzelfde geldt voor het Bor. Omdat een wettelijke grondslag voor het verlenen van de omgevingsvergunning voor de activiteit “gebruiken in strijd met het bestemmingsplan” ontbreekt, kan niet worden toegekomen aan een belangenafweging, maar moet het college de aanvraag om een omgevingsvergunning afwijzen. Eisers stelling dat hij naast financiële belangen ook andere belangen heeft bij de woningsplitsing kan dan ook niet leiden tot de conclusie dat het college de omgevingsvergunning had moeten verlenen. 4. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het beroep ongegrond is. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. V.E.H.G. Visser, rechter, in aanwezigheid van mr. W.J.C. Goorden, griffier, op 8 mei 2020 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. De griffier is niet in de gelegenheid de uitspraak (mede) te ondertekenen. rechter Afschrift verzonden aan partijen op: Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak? Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. BIJLAGE Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) Artikel 2.1, eerste lid, van de Wabo bepaalt dat het verboden is zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit a. het bouwen van een bouwwerk, c. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan. Artikel 2.10, eerste lid, van de Wabo bepaalt -kort gezegd- dat voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, de omgevingsvergunning wordt geweigerd indien het bouwplan niet voldoet aan: (
- a)het bouwbesluit, (
- b)de bouwverordening (
- c)het bestemmingsplan of (
- d)de redelijke eisen van welstand. Op grond van het tweede lid, wordt in gevallen als bedoeld in het eerste lid, onder c, de aanvraag mede aangemerkt als een aanvraag om een vergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, en wordt de vergunning slechts geweigerd indien vergunningverlening met toepassing van artikel 2.12 niet mogelijk is. Artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo, bepaalt -voor zover van belang- dat voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, de omgevingsvergunning indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan of de beheersverordening slechts kan worden verleend: 1°. met toepassing van de in het bestemmingsplan opgenomen regels inzake afwijking, 2°. in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen, of 3°. indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat. De algemene maatregel van bestuur is het Besluit omgevingsrecht (Bor). Bestemmingsplan Ten tijde van het nemen van het bestreden besluit gold het bestemmingsplan “Kom [plaatsnaam] 2018”. De grond waarop de woning en de aanbouw zijn gerealiseerd hebben daarin de bestemming “Wonen”, met de bouwaanduiding “vrijstaand”. Artikel 11.2.1 (“Toelaatbare bebouwing”) van de planregels bepaalt dat op deze gronden uitsluitend ten dienste van de in lid 11.1 bedoelde bestemmingen mogen worden gebouwd: a. woningen met dien verstande dat:1. ter plaatse van de aanduiding 'vrijstaand', uitsluitend vrijstaande woningen mogen worden gebouwd. Artikel 11.2.2 (“Woningen”) onder a van de planregels bepaalt dat het aantal woningen niet meer mag bedragen dan het bestaande aantal woningen, met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding 'aantal wooneenheden' maximaal het aantal woningen mag worden gebouwd zoals met de aanduiding is weergegeven. Op het moment van het indienen van de aanvraag en het nemen van het primaire besluit gold ter plaatse van de woning en de aanbouw bestemmingsplan “Bebouwde kom [plaatsnaam] 2005, 2e wijziging sportvelden”. De grond waarop de woning en de aanbouw zijn gerealiseerd hadden daarin de bestemming “Wl 6”: woondoeleinden – lintbebouwing. Artikel 7, onder 1 (“Doeleindenomschrijving”) van de voorschriften bepaalt dat de op de plankaart voor “Woondoeleinden” aangewezen gronden bestemd zijn voor de huisvesting van personen. Ter plaatse van de op de plankaart opgenomen subbestemmingen zijn de gronden bestemd voor: Wl: maximaal twee aaneen gebouwde woningen (lintbebouwing) Artikel 7, onder 3.1, van de voorschriften bepaalt dat met betrekking tot het bouwen van woningen de volgende bepalingen gelden: a. de woningen – aan- en uitbouwen daarbij niet begrepen – mogen uitsluitend binnen de op de plankaart aangegeven bebouwingsvlakken worden gebouwd; b. de woningen dienen met de voorgevel te worden gebouwd in de op de kaart aangegeven voorgevelrooilijn, daar waar een dergelijke lijn op de plankaart is aangegeven. Indien voor een bouwperceel twee voorgevelrooilijnen zijn bepaald, dienen zowel de voor- als de zijgevel hierin te worden gebouwd.