RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Team Familie- en Jeugdrecht Locatie Middelburg Zaaknummer: C/02/367606 / FA RK 20/131 Machtiging tot het verlenen van verplichte zorg Beschikking van 17 januari 2020 van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg naar aanleiding van het door de officier van justitie ingediende verzoek tot het verlenen van een zorgmachtiging als bedoeld in artikel 6:4 van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz), ten aanzien van: [betrokkene] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , wonende aan [adres] te [woonplaats] , thans verblijvende in het psychiatrisch ziekenhuis [zorginstelling] te [locatie] , afdeling [afdeling] , hierna te noemen: betrokkene, advocaat: mr. S.J. Nijssen te Zierikzee. 1Het procesverloop 1.1 Bij verzoekschrift, ingekomen ter griffie op 10 januari 2020, heeft de officier van justitie verzocht om een zorgmachtiging die aansluit op de machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel. Bij het verzoekschrift zijn de volgende bijlagen gevoegd: - de bevindingen van de geneesheer-directeur d.d. 9 januari 2020; - de medische verklaring d.d. 3 januari 2020; - de zorgkaart d.d. 7 januari 2020; - het zorgplan d.d. 9 januari 2020; - de gegevens over eerder afgegeven machtigingen ingevolge de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen (hierna: Wet Bopz). 1.2 De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 17 januari 2020, in het gebouw van het psychiatrische ziekenhuis [zorginstelling] te [locatie] , afdeling [afdeling] . 1.3 Ter zitting waren aanwezig en heeft de rechtbank de volgende personen gehoord: - betrokkene, bijgestaan door mr. Nijssen, - de moeder van betrokkene, - mr. Gudde, officier van justitie, - [naam] , behandelaar. 2De standpunten 2.1 Bij gelegenheid van de mondelinge behandeling van het verzoek stelt betrokkene dat het goed met haar gaat en zij het normale leven mist. Zij betwist de gestelde diagnose schizofrenie en stelt in dat verband dat zij zichzelf de afgelopen weken niet goed heeft kunnen voordoen. Betrokkene stelt dat zij in het verleden heeft stilgestaan en diverse keuzes heeft gemaakt in het leven, waarvoor zij hulp heeft gezocht bij haar moeder. Het lukte betrokkene echter niet om haar moeder mee te krijgen. Haar moeder denkt nu dat betrokkene ziek is en opgenomen moet worden, hetgeen volgens betrokkene niet het geval is. Betrokkene heeft haar werk en studie altijd doorgezet en is overgegaan op school. Betrokkene vindt het ten slotte bezwaarlijk dat de onderzoeksrapportages vanuit [zorginstelling] geen positieve punten bevatten. 2.2 Mr. Nijssen heeft het standpunt van betrokkene verduidelijkt en aangevoerd dat betrokkene het niet eens is met het verzoek, omdat er volgens betrokkene niets aan de hand is. Betrokkene betwist dan ook dat zij is belast met een psychische stoornis en dat daaruit ernstig nadeel voortkomt. Ook is betrokkene van mening dat het toepassen van verplichte vormen van zorg niet noodzakelijk is. Mr. Nijssen verzoekt daarom tot afwijzing van het verzoek. 2.3 De moeder van betrokkene stelt dat het niet goed gaat met haar dochter; zij wil niet accepteren dat er iets met haar aan de hand is. De moeder stelt dat betrokkene manipulatief is, zich vreemd gedraagt en bij tijden angstig is om in haar eigen huis te slapen. Ook stelt de moeder dat betrokkene, hoewel zij inmiddels al vier weken bij [zorginstelling] verblijft, nog steeds dezelfde blouse en rok aanheeft. De moeder vindt dan ook dat betrokkene eerst moet laten zien dat het beter gaat, voordat zij kan terugkeren naar haar huis. 2.4 De behandelaar stelt dat betrokkene is belast met een paranoïde toestandsbeeld, waarbij zij achterdochtig is, wanen en visuele hallucinaties heeft en niet beschikt over enig ziektebesef en -inzicht. Daarnaast houdt betrokkene de hulpverlening af en weigert zij haar medewerking te verlenen. Betrokkene is het weliswaar niet eens met de haar voorgeschreven medicatie, maar zij neemt die wel in. In dat verband geeft de behandelaar aan dat betrokkene aanvankelijk het medicijn Olanzipine heeft gekregen, maar dat zij inmiddels het medicijn Haldol krijgt. Op dit moment is er geen aanleiding om te veronderstellen dat betrokkene haar medicatie niet zal innemen, maar gezien het ziektebeeld van betrokkene waarbij sprake is van inconsistentie in gedrag, is dat voor de toekomst onzeker en is verplichte zorg in de vorm van het toedienen van de medicatie noodzakelijk. Naast het opnemen in een accommodatie en het beperken van de bewegingsvrijheid is verder het onderzoek aan kleding of lichaam noodzakelijk als vorm van verplichte zorg, omdat betrokkene weigert te douchen en niet toestaat dat lichamelijk onderzoek wordt gedaan (waaronder het doen afnemen van bloed af te staan), terwijl dat wel noodzakelijk is omdat (ook) haar lichamelijke gesteldheid gedegen onderzocht dient te worden. 2.5 De officier van justitie heeft – naar aanleiding van hetgeen ter zitting naar voren is gekomen – het verzoek mondeling gewijzigd in die zin dat zij de vormen van verplichte zorg die zien op insluiten, toezicht en het toedienen van vocht en voeding heeft ingetrokken. Ter onderbouwing daarvan stelt de officier van justitie dat voornoemde vormen van verplichte zorg buiten een crisissituatie – die zich nu niet (meer) voordoet – niet noodzakelijk zijn voor het afwenden van het uit de psychische stoornis voortkomend ernstig nadeel. Gehandhaafd wordt het verzoek een machtiging te geven voor de navolgende vormen van verplichte zorg: beperking van de bewegingsvrijheid, onderzoek aan kleding of lichaam, opnemen in een accommodatie en toedienen van medicatie. 3De beoordeling 3.1 Bij beschikking van deze rechtbank van 20 december 2019, verbeterd bij beschikking van 31 december 2019, heeft de rechtbank op de voet van artikel 27 van de Wet Bopz machtiging verleend tot voortzetting van de inbewaringstelling van betrokkene in een psychiatrisch ziekenhuis, te weten tot en met 10 januari
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.