← Nederland

ECLI:NL:RBZWB:2020:2220

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Bestuursrecht zaaknummer: BRE 20/5801 VV uitspraak van 20 mei 2020 van de voorzieningenrechter in de zaak tussen [naam verzoeker], te [woonplaats verzoeker], verzoeker, gemachtigde: mr. W. Krijger en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Oisterwijk, verweerder. Procesverloop Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van verweerder van 23 maart 2020 (bestreden besluit) inzake de intrekking van de aan hem verleende omgevingsvergunning voor het bouwen van een woning op het perceel aan [adres perceel] te [plaats perceel]. Hij heeft tevens de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Op 21 april 2020 heeft verzoeker, ter onderbouwing van de spoedeisendheid, nadere gegevens overgelegd omtrent de voortgang van de bouwwerkzaamheden. Op 28 april 2020 heeft verweerder gereageerd op deze gegevens. Partijen hebben ingestemd met een uitspraak zonder onderzoek ter zitting. Overwegingen

  1. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofd-zaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
  2. De vraag of de omgevingsvergunning terecht is ingetrokken zal in de bodemzaak beoordeeld moeten worden. In deze voorlopige voorzieningprocedure ligt eerst de vraag voor of sprake is van dermate spoedeisendheid dat verzoeker de beslissing op bezwaar niet kan afwachten omdat hij voor die datum al gebruik zou willen maken van zijn (ingetrokken) omgevingsvergunning. 2.1 In dat verband heeft verzoeker een door de aannemer opgesteld werkschema, een offerte en een bewijs van bestelling van breedplaatvloeren overgelegd. Daarnaast heeft verzoeker aangevoerd dat hij voor de bouw van de woning ook een financiering is aangegaan. Dit betreft een bouwdepot in twee delen, waarvan het eerste deel (€ 100.000,--) reeds door hem is opgenomen en ingezet voor de door hem aangegane verplichtingen. Volgens verzoeker blijkt hieruit dat er sprake is van een continue werkstroom rondom de woning en dat aantoonbaar financiële verplichtingen zijn aangegaan. 2.2 De voorzieningenrechter is met verweerder van oordeel dat de door verzoeker overgelegde gegevens niet overtuigend genoeg zijn voor de conclusie dat sprake is van een voortgang van bouwwerkzaamheden aan een nieuwe woning op het perceel [adres perceel] te [plaats perceel]. Het werkschema en de offerte getuigen niet van aangegane verplichtingen - een acceptatie van de offerte ontbreekt - en verzoeker heeft geen bewijs overgelegd dat er door een bank een bouwdepot beschikbaar is gesteld en dat uit dat bouwdepot een betaling is verricht. De bestelling van de breedplaatvloeren is op 17 februari 2020 bevestigd door de leverancier van de bouwmaterialen, maar dit is voor de voorzieningenrechter ontoereikend om aan te nemen dat de voortgang van de bouw van de woning op het perceel [adres perceel] dermate spoedeisend is dat verzoeker de uitkomst van de bezwaarschriftenprocedure niet kan afwachten. Daar komt bij dat ook niet uitgesloten kan worden dat de breedplaatvloeren bestemd zijn voor een ander project omdat de leverancier heeft aangegeven dat de opdracht betrekking heeft op het project [adres project] en dat [adres project] ook het losadres is.
  3. Het vorenstaande leidt de voorzieningenrechter tot de conclusie dat het verzoek afgewezen moet worden. Voor een proceskostenveroordeling bestaat daarom geen aanleiding. Beslissing De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af. Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Peters, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. P.H.M. Verdonschot, griffier. De griffier is niet in staat om deze uitspraak te ondertekenen. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 mei
  4. T. Peters, voorzieningenrechter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.