RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Breda Bestuursrecht zaaknummer: BRE 19/6780 WLZ uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 mei 2020 in de zaak tussen [naam curatrice] , in de hoedanigheid van curatrice van [naam eiseres] (belanghebbende), te [plaatsnaam] , eiseres, gemachtigde: mr. W.H.P. de Jongh, en Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ), verweerder. Procesverloop In het besluit van 5 juni 2019 (primair besluit) heeft het CIZ meegedeeld dat belanghebbende geen recht heeft op zorg op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz). In het besluit van 18 november 2019 (bestreden besluit) heeft het CIZ het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard. Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Het CIZ heeft een verweerschrift ingediend. Het beroep is besproken tijdens een telefonische zitting van de rechtbank op 18 mei
- Hierbij waren aanwezig eiseres en haar gemachtigde. Namens het CIZ was mr. J.E. Koedood aanwezig. Overwegingen
- Op 24 april 2019 is voor belanghebbende (geboortedatum [geboortedatum] 1987) een aanvraag gedaan om in aanmerking te komen voor zorg vanuit de Wlz. Met het primaire besluit is het verzoek afgewezen. Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Met het bestreden besluit is het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
- In geschil is of het CIZ op goede gronden geweigerd heeft belanghebbende in aanmerking te brengen voor Wlz-zorg.
- Eiseres voert aan dat belanghebbende verstandelijk beperkt is. Er is onvoldoende onderzocht in hoeverre de beperkte verstandelijke vermogens hun oorsprong hebben in de periode voor de 18e verjaardag. Verder is er sprake van een lang traject van alcohol en drugs. Vanaf 2006 is belanghebbende in behandeling bij het GGZ en sindsdien is er het vermoeden van een cognitieve beperking en dat belanghebbende tijdens zijn schoolloopbaan is overvraagd. Eiseres is van mening dat belanghebbende in aanmerking komt voor een zorgprofiel zoals bedoeld in de Wlz. Ter onderbouwing van haar stelling heeft eiseres een rapport van de GGZ van 30 september 2019 en een rapport van UZ Leuven kinder- en jeugdpsychiatrie overgelegd.
- Het wettelijk kader is in de bijlage bij deze uitspraak opgenomen. 5.1 Niet in geschil is dat belanghebbende een verstandelijke beperking heeft en dat hij psychische problemen heeft. Partijen verschillen van mening of dat er bij belanghebbende sprake is van een verstandelijke handicap of dat zijn beperkingen (voornamelijk) voortkomen uit de psychiatrie. 5.2 Van een verstandelijke handicap kan gesproken worden als de verstandelijke beperkingen al voor het 18e jaar aanwezig waren. De rechtbank kan het CIZ volgen in zijn stelling dat uit de huidige IQ-scores niet kan worden geconcludeerd dat er al voor het 18e jaar sprake was van een verstandelijke beperking. Belanghebbende gebruikt immers al sinds 2006 middelen die mogelijk van invloed zijn geweest op het huidige functioneren. Daarbij heeft de rechtbank tevens betrokken dat uit de informatie van UZ Leuven blijkt dat bij belanghebbende bij terugkomst in Nederland een TIQ van 79 is vastgesteld, waarbij bij het onderzoek destijds was opgemerkt dat belanghebbende een negatieve werkhouding had die het resultaat van de test mogelijk vertekende. Verder acht de rechtbank het van belang dat uit de beschikbare (medische) informatie, waaronder die van UZ Leuven niet blijkt dat de getroebleerde schoolgang aan een verstandelijke beperking kan worden toegewezen. Uit de informatie van UZ Leuven blijkt alleen dat er tijdens de schoolperiode sprake was van gedragsproblemen. Er zijn verder ook geen aanwijzingen dat belanghebbende al voor zijn 18e verjaardag een verstandelijke beperking had. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat het CIZ voldoende heeft gemotiveerd dat er bij belanghebbende voor zijn 18e verjaardag nog geen sprake was van een verstandelijke beperking. Het CIZ heeft dan ook op goede gronden gesteld dat geen sprake is van een verstandelijke handicap. 5.3 De rechtbank volgt eiseres niet in haar stelling dat uit de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 18 december 2019 ( ECLI:NL:CRVB:2019:4154) volgt dat het CIZ nader onderzoek had moeten doen. Anders dan in de door eiseres aangehaalde uitspraak is in deze zaak immers geen verstandelijke handicap vastgesteld. Bij het ontbreken van een verstandelijke handicap hoeft niet nader beoordeeld te worden in hoeverre de verstandelijke beperkingen leiden tot een blijvende behoefte aan 24 uur zorg in de nabijheid. 5.4 Omdat geen sprake is van een verstandelijke handicap heeft het CIZ terecht gesteld dat belanghebbende niet in aanmerking komt voor Wlz-zorg. Het beroep zal ongegrond worden verklaard. Er is geen reden voor een proceskostenveroordeling. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door P.H.J.G. Römers, rechter, in aanwezigheid van mr. A.J.M. van Hees, griffier, op 29 mei 2020 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl griffier rechter Afschrift verzonden aan partijen op: Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak? Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Wettelijk kader Ingevolge artikel 3.2.1, eerste lid, van de Wlz heeft een verzekerde recht op zorg die op zijn behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden is afgestemd voor zover er sprake is van een van de volgende grondslagen: - somatische of psychogeriatrische aandoening of beperking - een verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke handicap. In artikel 3.2.5 van de Wlz is bepaald dat bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels kunnen worden gesteld met betrekking tot het eerste tot en met derde lid. In de CIZ Beleidsregels indicatiestelling Wlz (hierna: de beleidsregels Wlz) zijn regels opgenomen voor het vaststellen of er sprake is van een verstandelijke handicap. Ingevolge de beleidsregels Wlz is er sprake van een sprake van een grondslag verstandelijke handicap: • als een verzekerde een normscore van minder dan 75 of lager behaalt op een algemene en voor hem valide intelligentietest, en • er dusdanige beperkingen in het adaptief functioneren zijn vastgesteld dat verzekerde aangewezen is op blijvende ondersteuning om de deficiënties in het adaptief vermogen te beperken ten einde ernstig nadeel voor verzekerde te voorkomen en de beperkingen op bovengenoemde terreinen al voor het 18e jaar aanwezig zijn.