RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Strafrecht Zittingsplaats: Breda parketnummer: 02-237226-19 vonnis van de meervoudige kamer van 19 juni 2020 in de strafzaak tegen [verdachte] geboren op [geboortedag] 1968 te [geboorteplaats] wonende te [adres 1] gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting te Dordrecht raadsman mr. R.A.H. van Huijgevoort, advocaat te Tilburg 1Onderzoek van de zaak De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 5 juni 2020, waarbij de officier van justitie, mr. Bezem, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. 2De tenlastelegging De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte aangever [benadeelde partij] op 3 oktober 2019 in Tilburg met een mes in zijn rug heeft gestoken, en zich daarmee schuldig heef gemaakt aan een poging tot doodslag dan wel aan een poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. 3De voorvragen De dagvaarding is geldig. De rechtbank is bevoegd. De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging. Er is geen reden voor schorsing van de vervolging. 4De beoordeling van het bewijs 4.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht de ten laste gelegde poging tot doodslag wettig en overtuigend bewezen. Verdachte heeft door aangever vlak naast de wervelkolom in zijn rug te steken voorwaardelijk opzet gehad op het overlijden van aangever. De officier van justitie weegt daarbij mee dat getuige [getuige] verklaard heeft dat verdachte tot acht keer toe een stekende beweging heeft gemaakt. De verklaring van verdachte dat hij in een val achterover per ongeluk in de rug van aangever heeft gestoken, is volgens de officier van justitie onbetrouwbaar. 4.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging is van mening dat de rechtbank op grond van de bewijsmiddelen bewezen kan verklaren dat door toedoen van verdachte een steekwond is ontstaan op de rug van aangever. Nu er geen medische onderbouwing is dat de steekwond gevaar heeft opgeleverd voor het leven van aangever, valt echter geen voorwaardelijk opzet op de dood van aangever te bewijzen. Er dient dan ook vrijspraak van de primair ten laste gelegde poging tot doodslag te volgen. De verdediging refereert zich aan het oordeel van de rechtbank voor wat betreft de subsidiair ten laste gelegde poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. 4.3 Het oordeel van de rechtbank 4.3.1 De bewijsmiddelen De bewijsmiddelen zijn als bijlage II aan dit vonnis gehecht. 4.3.2 De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs Vast staat dat verdachte op 3 oktober 2019 aangever in diens rug heeft gestoken met een mes. Dit heeft verdachte zowel bij de politie als tijdens de zitting verklaard. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of verdachte zich met zijn handelen schuldig heeft gemaakt aan een poging tot doodslag of een poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Voor een bewezenverklaring is op zijn minst voorwaardelijk opzet op de dood danwel op zwaar lichamelijk letsel vereist. Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg is aanwezig indien de verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaardt dat dat gevolg zal intreden. Of in een concreet geval sprake is van voorwaardelijk opzet hangt af van de feitelijke omstandigheden van het geval, waarbij de aard van de gedragingen en de omstandigheden waaronder deze zijn verricht van belang zijn. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer gericht op een bepaald gevolg dat het – behoudens contra-indicaties – niet anders kan zijn dan dat degene die die handelingen verricht de aanmerkelijke kans op dat betreffende gevolg heeft aanvaard. Op grond van zowel de verklaring van verdachte zelf als die van aangever en die van getuige [getuige] kan worden vastgesteld dat het incident zich heeft afgespeeld in het uitgaansgebied in het centrum van Tilburg. Verdachte vroeg, na een eerdere confrontatie met aangever, aan getuige [getuige] , op dat moment werkzaam als beveiliger bij horecagelegenheid [naam 1] , om de politie te bellen. [getuige] heeft dit geweigerd en vervolgens heeft er weer een confrontatie plaatsgevonden tussen verdachte en aangever. Aangever heeft verdachte daarbij hardhandig van het terras afgeduwd en hem een trap gegeven, waarbij verdachte ten val is gekomen. Verdachte is daarna opgestaan, waarna er een vechtpartij is ontstaan. De twee mannen hebben elkaar daarbij over en weer geslagen. Uit de verklaringen blijkt dat verdachte tijdens dit één op één gevecht op enig moment het mes tevoorschijn heeft gehaald en aangever in de rug heeft gestoken. Uit de medische informatie in het dossier blijkt dat er één enkele steekwond is. Deze wond is door de arts omschreven als een oppervlakkige steekwond, waarbij geen vitale delen zijn geraakt. De duur van herstel is geschat op twee tot drie weken. De rechtbank stelt vast dat het dossier voor het overige geen medische informatie bevat waaruit volgt dat het steken op de betreffende plaats in de rug (potentieel) dodelijk letsel ten gevolg kan hebben. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat niet zonder meer kan worden aangenomen dat er een aanmerkelijke kans bestond dat de aangever door het steken dodelijk zou worden getroffen. Nog daargelaten dat ook vereist is dat verdachte zich van zo’n kans bewust is geweest, betekent dit dat het voor een poging doodslag benodigde opzet, ook in voorwaardelijke zin, niet wettig en overtuigend kan worden bewezen, zodat verdachte van dit onderdeel van de tenlastelegging dient te worden vrijgesproken. Dit ligt anders voor de poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Bij het steken met een mes in de romp bestaat naar algemene ervaringsregels een aanmerkelijke kans dat die persoon zwaar lichamelijk letsel oploopt, onder andere bestaande in de kans op ernstige weefselschade en een blijvend litteken, ook indien betrekkelijk weinig kracht wordt uitgeoefend. Door de aangever daar te steken heeft verdachte een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel in het leven geroepen. De gedraging van verdachte kan naar zijn uiterlijke verschijningsvorm ook worden aangemerkt als zozeer gericht op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel van het slachtoffer, dat het niet anders kan zijn geweest dan dat verdachte de aanmerkelijke kans op dat gevolg bewust heeft aanvaard. Er zijn geen contra-indicaties gebleken die aan dit oordeel kunnen afdoen. Dat het uiteindelijke letsel van de aangever beperkt is gebleven, doet hieraan ook niet af. Gelet daarop is de poging tot zware mishandeling wettig en overtuigend bewezen. 4.4 De bewezenverklaring De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte: op 3 oktober 2019 te Tilburg ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [benadeelde partij] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen met dat opzet die [benadeelde partij] met een mes in de rug heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid. De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. 5De strafbaarheid 5.1 Het standpunt van de verdediging De verdediging doet een beroep op noodweer danwel noodweerexces. Verdachte was genoodzaakt om zich te verdedigen als onmiddellijk gevolg van de wederrechtelijke aanval door aangever. Voor zover hij daarbij de grenzen van proportionaliteit en subsidiariteit heeft overschreden, dan is dat gebeurd vanuit een hevige gemoedstoestand als onmiddellijk gevolg van de wederrechtelijke aanranding. Die hevige gemoedstoestand is mede ontstaan door een tweetal confrontaties voorafgaand aan het steekincident tussen verdachte en aangever. Die hebben plaatsgevonden in een korte tijdspanne en daarbij is verdachte mishandeld en onheus bejegend. Pas wanneer deze gemoedsbeweging opspeelt bij de derde confrontatie, die bij de [naam 1] , pakt verdachte een mes om zich te verdedigen tegen een nieuwe ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding waarbij hij geslagen en getrapt wordt. Verdachte had ook geen andere mogelijkheid dan zich op deze wijze te verdedigen. Ook kon hij zich niet onttrekken aan de ontstane situatie. Verdachte dient dan ook te worden ontslagen van alle rechtsvervolging. 5.2 Het standpunt van de officier van justitie Op grond van het dossier kan het duwen van verdachte door aangever als een moment van wederrechtelijke aanranding worden aangemerkt. Vervolgens begint een vechtpartij waarin over en weer geslagen wordt. Er is echter geen sprake van situatie waarin een beroep op noodweer kan slagen, omdat verdachte naar de mening van de officier van justitie ook weg had kunnen gaan. Daar komt bij dat verdachte het mes al in gereedheid had gebracht terwijl er geen noodzaak was om met een mes te steken en al helemaal niet zes tot acht keer, zoals getuige [getuige] verklaart Een beroep op noodweer kan in de visie van de officier van justitie dan ook niet slagen. Ook een beroep op noodweerexces kan niet slagen. Verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij in het gevecht achterover viel en op dat moment per ongeluk met het mes heeft gestoken. Dit verhoudt zich niet met zijn verklaring ter zitting dat hij in paniek was. Los daarvan is de officier van justitie van mening dat verdachte zelf de confrontatie op zocht, het mes klaargelegd heeft en meerdere stekende bewegingen heeft gemaakt. Dit duidt niet op een panieksituatie. 5.3 Het oordeel van de rechtbank Afgaande op de verklaringen van verdachte, twee getuigen (vrienden van aangever) en aangever, kan worden vastgesteld dat er twee eerdere confrontaties zijn geweest. Verdachte voelde de noodzaak om bij getuige [getuige] , beveiliger van een horecagelegenheid, aan te geven dat hij onheus was bejegend en heeft verzocht om de politie te bellen. Nadat dit was geweigerd heeft de laatste confrontatie tussen verdachte en aangever plaatsgevonden, zoals ook onder 4.3 is weergegeven. Vast staat dat op dat moment de eerste geweldshandelingen door aangever richting verdachte zijn verricht door hem hardhandig van het terras af te duwen. Dit wordt nog versterkt door het trappen van aangever tegen verdachte. Er is op dat moment dus een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding waartegen verdachte zich mocht verdedigen. Voor de rechtbank staat onvoldoende vast dat verdachte op dat moment de mogelijkheid had zich hieraan te onttrekken. Aan het vereiste van subsidiariteit is dan ook voldaan. Tijdens het één tegen één gevecht heeft verdachte vervolgens het mes gepakt en in de rug van aangever gestoken. Dit wordt ook zo door verdachte verklaard. De rechtbank is van oordeel dat het steken met een mes niet in verhouding staat tot de ernst van een aanval, die bestaat uit het slaan met een blote hand dan wel (gebalde) vuist. Hiermee wordt niet voldaan aan het vereiste van proportionaliteit en het beroep op noodweer dient om die reden verworpen te worden. De vraag die vervolgens beantwoord moet worden is of sprake is geweest van noodweerexces. De verklaringen van verdachte en de overige omstandigheden leveren naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende aanknopingspunten op om te kunnen spreken van een ‘hevige gemoedsbeweging’ bij verdachte die door de aanval zou zijn veroorzaakt. Ook anderszins is niet gebleken dat verdachte ten tijde van het voorval in een dusdanige paniek verkeerde of dermate angstig of radeloos was dat hij de grenzen van de noodzakelijke verdediging -op deze vergaande wijze- heeft mogen overschrijden. Dat de overschrijding van noodzakelijke verdediging het onmiddellijk gevolg is geweest van een hevige gemoedsbeweging, veroorzaakt door de aanranding, is al met al niet aannemelijk geworden. Het beroep op noodweerexces wordt daarom eveneens verworpen. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op. Ook is verdachte strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit. 6De strafoplegging 6.1 De vordering van de officier van justitie De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 30 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en met aftrek van de tijd doorgebracht in voorarrest. Aan het voorwaardelijk deel dienen de bijzondere voorwaarden, zoals door de reclassering geformuleerd en geadviseerd, verbonden te worden. 6.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging verzoekt een deels voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen waarbij het onvoorwaardelijk deel gelijk is aan de in voorarrest doorgebrachte tijd en waarbij aan het voorwaardelijk deel de bijzondere voorwaarden, zoals geadviseerd door de reclassering, gekoppeld worden. 6.3 Het oordeel van de rechtbank Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Op 3 oktober 2019 heeft verdachte in een uitgaansgebied in het centrum van Tilburg aangever in zijn rug gestoken met een mes. Aangever mag van geluk spreken dat de verwonding die hij daarbij opliep relatief beperkt is gebleven. Het gedrag van verdachte had immers tot ernstigere lichamelijke gevolgen kunnen leiden. Het gebeuren heeft impact gehad op aangever [benadeelde partij] , wat ook blijkt uit de schriftelijke slachtofferverklaring. Bovendien zorgen dit soort geweldsfeiten op straat, uitgaansgeweld, voor gevoelens van onveiligheid in de samenleving. Dit alles wordt de verdachte aangerekend. De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 25 mei 2020, waaruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten. Verdachte liep ten tijde van het plegen van het onderhavige feit zelfs nog in een proeftijd van een veroordeling voor uitgaansgeweld. Reclassering Nederland heeft een rapport over verdachte opgemaakt. Het risico op recidive wordt ingeschat als gemiddeld en geadviseerd wordt een (deels) voorwaardelijke straf met als bijzondere voorwaarden de meldplicht, het meewerken aan een ambulante behandeling en het meewerken aan begeleid wonen of maatschappelijke opvang op te leggen. De rechtbank heeft acht geslagen op dit rapport. In het voordeel van verdachte houdt de rechtbank rekening met de omstandigheid dat aangever zich gedurende die avond en die specifieke gebeurtenis niet geheel onbetuigd heeft gelaten. De officier van justitie is bij zijn eis uitgegaan van een bewezenverklaring van de primair ten laste gelegde poging tot doodslag, het acht keer steken net een mes en het opzoeken van de confrontatie door verdachte. Nu de rechtbank de subsidiair tenlastegelegde poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bewezen acht, uitgaat van één steek met het mes en – uiteindelijk – een gevecht over en weer legt zij een lagere straf op dan door de officier van justitie is gevorderd. Gezien de ernst van het feit kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd. De rechtbank zal een deel van de voorgenomen straf voorwaardelijk opleggen, met de voorwaarden die hierna worden genoemd. Het voorwaardelijk strafdeel dient er tevens toe de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen. 7De benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel 7.1 De vordering van de benadeelde partij Aangever vordert als benadeelde partij een materiële schadevergoeding van € 1.331,46 en een immateriële schadevergoeding van € 1.500,
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.