RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Strafrecht Zittingsplaats: Middelburg parketnummer: 02/688037-17 (hoofdzaak) en 02/155966-19 (ttz gev) vonnis van de meervoudige kamer van 24 juni 2020 in de strafzaak tegen [verdachte] geboren op [geboortedag verdachte] 1998 te [geboorteplaats verdachte] wonende te [adres] raadsvrouw mr. S. van Steenberge, advocaat te Terneuzen (Zeeland-West-Brabant) 1Onderzoek van de zaak Overeenkomstig artikel 369 van het wetboek van strafvordering heeft de politierechter de zaak met parketnummer 02/155966-19 naar deze kamer verwezen, waar deze bij parketnummer 02/688037-17 is gevoegd. De zaken zijn inhoudelijk behandeld op de zitting van 10 juni 2020, waarbij de officier van justitie, mr. Fimerius, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. 2De tenlastelegging De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering en als bijlage I aan dit vonnis gehecht. In de zaak met parketnummer 02/688037-17 komt de verdenking er - kort en feitelijk weergegeven - op neer dat verdachte op 20 februari 2017 zich als bestuurder van een personenauto een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft veroorzaakt, waardoor [slachtoffer] werd gedood. In de zaak met parketnummmer 02/155966-10 komt de verdenking er - kort en feitelijk weergegeven - op neer dat verdachte op 20 januari 2019 openlijk geweld in vereniging heeft gepleegd tegen [benadeelde partij] . 3De voorvragen De dagvaarding is geldig. De rechtbank is bevoegd. De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging. Er is geen reden voor schorsing van de vervolging. 4De beoordeling van het bewijs 4.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht in de zaak met parketnummer 02/688037-17 wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de bestuurder is geweest ten tijde van het eenzijdige ongeval op 20 februari 2017 op de Hulsterseweg te Axel waarbij een van de passagiers, [slachtoffer] , om het leven is gekomen. Daarbij merkt zij het rijgedrag van verdachte aan als in ernstige mate onvoorzichtig, onachtzaam, onnadenkend en ondeskundig, omdat sprake was een nat wegdek, verdachte zich ervan bewust was dat zijn auto door de zomerbanden en de achterwielaandrijving sneller wegglijdt, verdachte bekend was met ongevallen die eerder ter plaatse hebben plaatsgevonden, en hij desondanks aanmerkelijk harder heeft gereden dan de ter plaatse geldende adviessnelheid van 30 km/u. In de zaak met parketnummer 02/155966-19 acht de officier van justitie, gelet op de aangifte en de verklaring van verdachte, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte samen met [medeverdachte 1] openlijk geweld heeft gepleegd tegen [benadeelde partij] (verder: [benadeelde partij] ) en zijn telefoon. Als gevolg hiervan is fors letsel bij [benadeelde partij] veroorzaakt en is ook zijn telefoon beschadigd. Zij acht geen sprake van een noodweersituatie. 4.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging bepleit vrijspraak van het primair en subsidiair tenlastegelegde in de zaak met parketnummer 02/688037-17. Verdachte reed 50 tot 60 km/u waardoor hij de maximum snelheid ter plaatse niet heeft overschreden. Weliswaar staat bij de eerste en de laatste versmalling een adviessnelheid van 30 km/u aangegeven maar niet is gebleken dat de auto als gevolg van de gereden snelheid in de slip is geraakt of dat het ongeval niet zou hebben plaatsgevonden dan wel de gevolgen beperkt waren gebleven als verdachte de adviessnelheid van 30 km/u zou hebben gereden. Verder is niet gebleken dat verdachte op een andere wijze van de weg zou zijn afgeleid waardoor er geen sprake is van enige onoplettendheid. Daarmee is evenmin gebleken dat verdachte zich niet conform de geldende norm zou hebben gedragen waardoor hij niet bewust een gevaar heeft veroorzaakt of ander verkeer heeft gehinderd. Tot slot biedt het dossier diverse aanknopingspunten dat niet verdachte ten tijde van het ongeval de bestuurder was maar [naam 2] . Ten aanzien van het tenlastegelegde onder parketnummer 02/155966-19 voert de verdediging aan dat verdachte heeft bekend dat hij aangever heeft geslagen maar dat hij dit uit noodweer heeft gedaan waardoor ontslag van alle rechtsvervolging moet volgen. Daarnaast is er ook geen sprake van het in vereniging plegen van geweld en had verdachte geen opzet op het tenlastegelegde. 4.3 Het oordeel van de rechtbank 4.3.1 De bewijsmiddelen De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht. 4.3.2 De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs 02/688037-17 Op grond van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat er op 20 februari 2017 omstreeks 12.32 uur op de Hulsterseweg te Axel een eenzijdig ongeval heeft plaatsgevonden met de BMW van verdachte waarin verdachte, [naam 2] (verder: [naam 2] ) en [slachtoffer] (verder: [slachtoffer] ) zaten. Op de Hulsterseweg geldt een maximum snelheid van 60 kilometer per uur. Ter hoogte van de aangebrachte wegversmallingen geldt een adviessnelheid van 30 kilometer per uur. Gezien vanuit de rijrichting van de BMW, is de BMW ter hoogte van de derde wegversmalling in de slip geraakt en in de linker berm terecht gekomen. De BMW is vervolgens doorgegleden en met de linkerzijde tegen een boom gebotst. [slachtoffer] , die achterin de BMW zat en geen gordel droeg, heeft als gevolg van dit ongeval dusdanig hersenletsel opgelopen dat zij ter plaatse is overleden. Wie was de bestuurder ten tijde van het ongeval? De eerste vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of verdachte ten tijde van het ongeval de bestuurder van de BMW is geweest. Deze vraag is aan de orde omdat uit het dossier is gebleken dat [naam 2] die dag, nog kort voor het ongeval, in de BMW van verdachte heeft gereden. Zowel verdachte als [naam 2] verklaren echter hierover dat zij kort voor het ongeval weer van plaats zijn gewisseld. Diverse getuigen zijn over een eventuele wisseling van de bestuurder bevraagd en er heeft hiernaar ook technisch onderzoek plaatsgevonden. Geen enkele getuige heeft echter het moment van uitstappen van de bestuurder gezien, dan wel een verwisseling van plaats door verdachte en [naam 2] opgemerkt. Ook het technisch onderzoek heeft geen aanknopingspunt hiervoor opgeleverd. Dat de bestuurderstoel verder naar voren stond dan de passagiersstoel acht de rechtbank niet redengevend voor de vaststelling dat [naam 2] ten tijde van het ongeval de bestuurder is geweest. Qua lengte verschillen [naam 2] en verdachte niet veel van elkaar. Bovendien is het niet ongebruikelijk dat een passagiersstoel verder naar achteren staat dan de bestuurdersstoel, ongeacht de lengte van de passagier. Ook het feit dat [naam 2] letsel had aan haar linkerschouder acht de rechtbank hiervoor niet redengevend. Door de schok waarmee de botsing van de auto tegen de boom gepaard moet zijn gegaan, kan immers niet worden uitgesloten dat [naam 2] met de linkerzijde van haar lichaam met de stoel van de bestuurder of een ander onderdeel van de auto in aanraking is gekomen. Voorts heeft verdachte van meet af aan verklaard dat hij de bestuurder was toen het ongeval plaatsvond en heeft [naam 2] dit desgevraagd steeds bevestigd. Verder blijkt uit het dossier dat getuige [naam 3] snel ter plaatse was en verdachte hoorde zeggen dat hij in de slip was geraakt, waaruit kan worden afgeleid dat hij de bestuurder was. De rechtbank acht die getuigenverklaring betrouwbaar en ondersteunend. Tot slot overweegt de rechtbank dat de impact van het ongeval op diverse fronten enorm moet zijn geweest en een hevige schok bij [naam 2] en verdachte teweeg zal hebben gebracht. Uit het dossier blijkt ook dat zowel [naam 2] als verdachte vlak na het ongeval verward en zeer geschrokken overkwamen. Zij acht het daarom niet aannemelijk dat verdachte en [naam 2] op dat moment de tegenwoordigheid van geest hadden om een verwisseling van de bestuurder zo kort na het ongeval in scene te zetten. Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verdachte ten tijde van het ongeval de bestuurder is geweest. Schuld aan het ongeval in de zin van artikel 6 WVW? Vervolgens moet de rechtbank de vraag beantwoorden of verdachte schuld heeft aan het ongeval in de zin van artikel 6 WVW. Algemeen kader Van schuld in de zin van artikel 6 WVW is pas sprake in geval van een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid. Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad is niet in zijn algemeenheid aan te geven of één verkeersovertreding voldoende kan zijn voor bewezenverklaring van schuld in de zin van artikel 6 WVW, maar komt het daarbij aan op het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de concrete ernst van de verkeersovertreding en de overige omstandigheden van het geval. Het gedrag van de verdachte dient daarvoor te worden afgemeten aan dat wat van een automobilist in het algemeen en gemiddeld genomen mag worden verwacht. Daarnaast dient een causaal verband te worden vastgesteld tussen het gedrag van de verdachte en het verkeersongeval. Voorts kan niet reeds uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer worden afgeleid dat er sprake is van schuld in vorenbedoelde zin (HR 1 juni 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO5822). In deze zaak Het verwijt dat verdachte wordt gemaakt is dat hij bij nat weer met een te hoge snelheid voor een veilig verkeer ter plaatse, de wegversmallingen is gepasseerd. Uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat verdachte ten tijde van het ongeval tussen de 50 en 60 kilometer per uur reed. Daarmee heeft hij weliswaar niet de maximaal toegestane snelheid ter plaatse overschreden, maar reed hij wel aanzienlijk harder dan de ter plaatse geldende adviessnelheid van 30 kilometer per uur. Uit de bewijsmiddelen blijkt voorts dat verdachte weliswaar ter plaatse bekend was maar ook dat hij een beginnend - en dus een relatief onervaren - bestuurder is. Ten tijde van het ongeval beschikte hij nog net geen jaar over zijn rijbewijs. Uit het dossier blijkt dat het ten tijde van het ongeval regende en dat het wegdek nat was. Ook blijkt daaruit dat de auto van verdachte achterwielaandrijving had wat als nadeel met zich meebrengt dat het voertuig bij rechtuit rijden minder stabiel op de weg ligt dan voertuigen met voorwielaandrijving. Dit nadeel wordt bij nat weer dan wel een glad wegdek versterkt. Verdachte wist dat zijn auto over achterwielaandrijving beschikte en was ook op de hoogte van de nadelen ervan. Ook wist hij dat zijn auto met de pas aangeschafte nieuwe zomerbanden (in plaats van de all season banden) sneller weggleed. Op grond van het voorgaande concludeert de rechtbank dat verdachte met zijn voertuig over de Hulsterseweg heeft gereden en de daar aanwezige wegversmallingen heeft gepasseerd met een snelheid van 50 tot 60 kilometer per uur. Er geldt daar een adviessnelheid van 30 kilometer per uur, die uitgaat van normale weersomstandigheden. Op dat moment was het echter regenachtig waardoor het wegdek nat was. Naar het oordeel van de rechtbank had verdachte reeds hierom zijn snelheid aan moeten passen. Daar komt bij dat verdachte in een voertuig reed waarvan hij wist dat de achterwielaandrijving en de zomerbanden risico’s met zich meebrachten voor een stabiele ligging op de weg. Naar het oordeel van de rechtbank mocht daarom van verdachte, als beginnend bestuurder, extra behoedzaamheid worden verwacht. Dit brengt met zich dat verdachte zijn snelheid had moeten afstemmen op alle omstandigheden die zich op dat moment voordeden. Verdachte heeft dit nagelaten waardoor hij de controle over zijn voertuig is verloren en niet meer in staat was om zijn voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover de weg vrij en te overzien was, waardoor hij tegen een in de linker berm staande boom is gebotst, met het overlijden van [slachtoffer] tot gevolg. Verdachte is daarmee ernstig tekortgeschoten in de voorzichtigheid die van hem als bestuurder van een motorrijtuig mocht worden verwacht. Alles overwegende is de rechtbank van oordeel, dat gelet op het geheel van de gedragingen van verdachte en de omstandigheden waaronder het ongeval heeft plaatsgevonden, verdachte schuld heeft gehad aan het verkeersongeval in de zin van artikel 6 WVW. Zij merkt het rijgedrag van verdachte aan als in aanzienlijke mate onvoorzichtig, onachtzaam, onnadenkend en ondeskundig. Daarmee is het primair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna onder 4.4. weergegeven. 02/155966-19 Op grond van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat er op 20 januari 2019 op de Zandbergsestraat te Graauw geweld is gepleegd tegen [benadeelde partij] (verder: [benadeelde partij] ) en zijn telefoon. [benadeelde partij] heeft hierdoor letsel opgelopen bestaande uit een snee aan de achterkant en aan de linker kant van zijn hoofd, een bult met een wondje boven zijn linker oog, een tand door de lip, een bult op de linker arm en een gebroken rib. Op grond van de bewijsmiddelen kan ook worden vastgesteld dat de personen die het geweld op [benadeelde partij] hebben uitgeoefend [medeverdachte 1] (verder: [medeverdachte 1] ) en verdachte zijn. In vereniging De eerste vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of verdachte en de medeverdachte in vereniging hebben gehandeld. Geweld wordt in vereniging gepleegd als de dader nauw en bewust samenwerkt met één of meer anderen en daarbij zelf een ‘significante of wezenlijke bijdrage’ aan de openlijke geweldpleging levert. Deze bijdrage kan onder andere bestaan uit het verrichten van één of meer gewelddadige handelingen. In dat verband leidt de rechtbank uit de bewijsmiddelen af dat zowel [medeverdachte 1] als verdachte tegen [benadeelde partij] geweld hebben gepleegd. Verdachte heeft immers bekend dat hij [benadeelde partij] op enig moment een aantal klappen heeft gegeven. [benadeelde partij] was toen al door [medeverdachte 1] geslagen en werd ook daarna nog door [medeverdachte 1] geslagen. Ook blijkt uit de bewijsmiddelen dat verdachte degene is geweest die de telefoon uit de handen van [benadeelde partij] heeft geschopt. Op grond hiervan is de rechtbank van oordeel dat er gedurende het in de tenlastelegging bedoelde incident door zowel de medeverdachte als door verdachte geweld is gebruikt tegen [benadeelde partij] en diens telefoon. Daarmee is naar haar oordeel sprake van het in vereniging plegen van geweld waardoor dit onderdeel bewezen kan worden verklaard. De rechtbank verwerpt dan ook het verweer. Noodweer en opzet De tweede vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of verdachte opzet had op de geweldpleging of dat hij uit noodweer heeft gehandeld omdat hij naar eigen zeggen [benadeelde partij] en [medeverdachte 1] uit elkaar wilde halen waarbij hij een klap van [benadeelde partij] kreeg en waarop hij [benadeelde partij] meerdere malen heeft teruggeslagen. Bij de beoordeling van het beroep op noodweer moet de rechtbank vaststellen of er bij het begaan van het feit sprake was van een ogenblikkelijke en wederechtelijke aanranding van verdachte waartegen hij zichzelf moest verdedigen. Deze verdediging moet dan vervolgens ook noodzakelijk en proportioneel zijn geweest. De rechtbank stelt op grond van de bewijsmiddelen vast dat het verdachte is geweest die de keuze heeft gemaakt om te stoppen achter de auto die hij even daarvoor bij hem en zijn twee vrienden [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] zag stoppen en weer zag wegrijden. Ook leidt zij daaruit af dat [benadeelde partij] vervolgens door twee personen uit de auto is getrokken, waarop een vechtpartij ontstond. Nu over de derde persoon in de auto van verdachte, te weten [medeverdachte 2] , door meerdere getuigen is verklaard dat hij niets heeft gedaan, kan het niet anders dan dat deze twee personen verdachte en [medeverdachte 1] waren. Op grond hiervan concludeert de rechtbank dat verdachte de confrontatie heeft opgezocht, waarna de vechtpartij is ontstaan. Vervolgens heeft hij zich niet eerst afzijdig gehouden, maar was verdachte vanaf het begin bij de vechtpartij betrokken en heeft hij daarbij zelf ook geweld gebruikt. Uit het dossier blijkt niet dat verdachte een de-escalerende rol heeft vervuld. Van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, waartegen verdachte zich moest verdedigen was op dat moment dan ook geen sprake. De rechtbank verwerpt op grond hiervan beide verweren. De rechtbank acht derhalve het tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna onder 4.4. weergegeven. 4.4 De bewezenverklaring De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte 02/688037-17 op 20 februari 2017 te Axel, gemeente Terneuzen, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (een personenauto, BMW), daarmede rijdende over de weg, de Hulsterseweg, op welke weg over een afstand van ongeveer 700 meter een drietal wegversmallingen waren aangebracht en welke weg (door regen) nat/vochtig was, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door in aanzienlijke mate onvoorzichtig en onachtzaam en onnadenkend en ondeskundig met een - mede gelet op de weersituatie - te hoge snelheid voor een veilig verkeer ter plaatse de wegversmallingen op die weg te passeren en (vervolgens) de controle over het door hem, verdachte, bestuurde voertuig te verliezen en niet in staat te zijn, zijn motorrijtuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover de weg vrij en te overzien was en (vervolgens) in aanrijding/botsing te komen met een naast die weg staande boom, waardoor [slachtoffer] (passagier in de door hem, verdachte, bestuurde auto) werd gedood; 02/155966-19 op 20 januari 2019 te Graauw, gemeente Hulst, openlijk, te weten op of aan de openbare weg, de Zandbergsestraat, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [benadeelde partij] en tegen een goed, te weten een telefoon van [benadeelde partij] , welk geweld bestond uit het meermalen op/tegen het hoofd en de ribben en de arm, te slaan en/of stompen en het wegtrappen van die telefoon terwijl dit door hem gepleegde geweld enig lichamelijk letsel, te weten een of meerdere wonden en sneeën op/aan het hoofd en een bult (boven het oog) en een tand door de lip en een bult op de linkerarm, bij die [benadeelde partij] ten gevolge heeft gehad. Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad. De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. 5De strafbaarheid Zoals onder 4.3 is gemotiveerd, volgt de rechtbank het beroep van verdachte op noodweer niet. Er zijn verder geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op. Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit. 6De strafoplegging 6.1 De vordering van de officier van justitie De officier van justitie vordert op grond van hetgeen zij bewezen acht aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van negen maanden waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Tevens vordert zij ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van twee jaar met aftrek. Voor wat betreft parketnummer 02/688037-17 gaat zij uit van een ernstige mate van schuld. Zij baseert haar eis op de geldende richtlijnen van het Openbaar Ministerie en de blanco documentatie van verdachte. Zij houdt daarbij rekening met een overschrijding van de redelijke termijn van berechting van één jaar. 6.2 Het standpunt van de verdediging Indien de gevoerde verweren niet worden gevolgd, wijst de verdediging erop dat het recht van verdachte op berechting binnen een redelijke termijn is geschonden en dat daarmee bij de strafoplegging rekening moet worden gehouden. Ook moet rekening worden gehouden met alle omstandigheden van het geval. Een detentie is niet op zijn plaats. Een taakstraf is mogelijk maar de vraag is of dit nog opportuun is. Gelet op het feit dat het rijbewijs van verdachte reeds een half jaar ingevorderd is geweest en hij zijn rijbewijs nodig heeft voor zijn werk, bepleit zij een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid op te leggen. 6.3 Het oordeel van de rechtbank Verdachte heeft zich op 20 februari 2017 als bestuurder van een personenauto in aanmerkelijke mate onvoorzichtig, onachtzaam, onnadenkend en ondeskundig gedragen. Door met een aanzienlijk hogere snelheid dan de ter plaatse geldende adviessnelheid, bij regenachtig weer, een wegversmalling te willen passeren, raakte het voertuig van verdachte in een slip waardoor verdachte niet meer bij machte was het voertuig onder controle te krijgen. Als gevolg daarvan kwam verdachte in botsing met een boom, waardoor [slachtoffer] , die als passagier op de achterbank zat, is overleden. Door op deze wijze aan het verkeer deel te nemen heeft verdachte zich onverschillig getoond tegenover de veiligheid van andere verkeersdeelnemers en, in het bijzonder, de andere inzittenden van de auto, voor wie verdachte als bestuurder de verantwoordelijkheid droeg. De rechtbank rekent dit verdachte zwaar aan. Daarnaast heeft verdachte zich op 20 januari 2019 schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging tegen aangever [benadeelde partij] en zijn telefoon. Verdachte heeft een wezenlijke bijdrage geleverd aan dat geweld waardoor het slachtoffer letsel heeft opgelopen. Verdachte heeft daarmee kennelijk geen respect voor de lichamelijke integriteit van aangever gehad. Ook dit is een ernstig feit. Door het overlijden van [slachtoffer] is aan de nabestaanden zeer ingrijpend en onherstelbaar leed toegebracht. [slachtoffer] had nog een heel leven voor zich, maar is door het gedrag van verdachte uit het leven weggerukt. Ter zitting is door de stiefouders van [slachtoffer] verwoord wat dit verlies voor hen en hun omgeving betekent. Een strafoplegging in welke vorm of omvang dan ook, zal het leed van de familie en naaste omgeving van [slachtoffer] niet ongedaan kunnen maken. Daar is de rechtbank zich terdege van bewust. De officier van justitie is bij het formuleren van haar eis uitgegaan van een ernstige mate van onvoorzichtig en onoplettend rijden. De rechtbank komt echter tot bewezenverklaring van een lichtere mate van schuld. De oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) gaan in dat geval uit van een taakstraf van 240 uur en één jaar ontzegging van de rijbevoegdheid. Als uitgangspunt geldt voorts dat een strafzaak bij de rechtbank moet zijn afgerond met een vonnis binnen twee jaar nadat die redelijke termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. In deze zaak wordt de datum 20 februari 2017 als aanvang van de redelijke termijn aangemerkt. Nu van bijzondere omstandigheden niet is gebleken, is daarmee de redelijke termijn in aanzienlijke mate, te weten een jaar en ruim drie maanden, overschreden. De rechtbank houdt daar in straf verminderende zin rekening mee. . Tot slot houdt de rechtbank in het voordeel van verdachte rekening met zijn blanco strafblad. Alles afwegend acht de rechtbank het opleggen van een taakstraf voor de duur van 240 uur passend en geboden. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf van drie maanden voorwaardelijk moet worden opgelegd om de ernst van beide bewezenverklaarde feiten te benadrukken en verdachte ervan te weerhouden nieuwe strafbare feiten te plegen. Hieraan zal een proeftijd van twee jaar worden verbonden. Ten slotte is de rechtbank van oordeel dat oplegging van een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen is geboden om enerzijds recht te doen aan de ernst van het verkeersdelict en anderzijds om de veiligheid van overige verkeersdeelnemers voor enige tijd te beschermen tegen verdachte. De rechtbank zal aan verdachte opleggen een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van één jaar met aftrek van de tijd dat het rijbewijs ingevorderd is geweest. 7De benadeelde partij 02/155966-19 De benadeelde partij [benadeelde partij] vordert wegens schade ontstaan uit het tenlastegelegde feit een schadevergoeding van € 6.999,78 bestaande uit een bedrag van € 999,78 wegens materiële schade en een bedrag van € 6.000,- wegens immateriële schade. Tevens vordert de benadeelde partij de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Tot slot zijn proceskosten gevorderd voor een bedrag van € 148,50. Materiële schade De gevorderde materiele schade bestaat uit de volgende posten: - Eigen risico zorgverzekering € 385,- - Reiskosten 382 x € 0,28 per kilometer € 107,- - Kleding € 352,26 - Reparatie telefoon € 50,- - Verlies aan verdienvermogen € 105,52 Ten aanzien van de kleding blijkt uit het schadevergoedingsformulier dat deze ziet op: Jas € 169,99 Broek € 84,05 Trui € 66,11 T-shirt € 32,11 De rechtbank is van oordeel dat van de jas uit de vordering dan wel het dossier niet is gebleken van enig causaal verband met het bewezen verklaarde feit. Voor deze gevorderde schade zal zij de benadeelde partij dan ook niet-ontvankelijk verklaren. De overige gevorderde materiele schadeposten acht de rechtbank wel een rechtstreeks gevolg van het bewezen verklaarde feit. De rechtbank houdt verdachte, gelet op het feit dat er sprake is van meer daders, voor die schade hoofdelijk aansprakelijk. Het gevorderde van € 829,79 acht zij tot dat bedrag voldoende aannemelijk gemaakt. De rechtbank zal de vordering tot dat bedrag toewijzen. Immateriële schade Ten aanzien van de immateriële schade is de rechtbank van oordeel dat onvoldoende vast staat dat de tinnitus daadwerkelijk door het bewezen verklaarde feit is veroorzaakt en of sprake is van een eindtoestand. Daarnaast zijn er geen gegevens overgelegd van de psychologische behandeling. Dat maakt dat de rechtbank van oordeel is dat de gevorderde immateriële schade gematigd moet worden tot een bedrag van € 1.500,-. Zij acht dit een rechtstreeks gevolg van het bewezen verklaarde feit en acht, gelet op het feit dat er sprake is van meerdere daders, verdachte hoofdelijk aansprakelijk voor die schade. Het gevorderde acht zij tot dat bedrag voldoende aannemelijk gemaakt en zij zal de vordering tot dat bedrag toewijzen. Voor het overige acht de rechtbank het gevorderde bedrag onvoldoende aannemelijk gemaakt en zij zal de benadeelde partij daarom voor dat deel niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. Schadevergoedingsmaatregel en wettelijke rente Met betrekking tot de toegekende vordering benadeelde partij zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel, eveneens hoofdelijk, opleggen. Tevens zal de gevorderde wettelijke rente worden toegewezen vanaf het tijdstip waarop het feit werd gepleegd. Proceskosten De benadeelde partij heeft proceskosten gevorderd voor een bedrag van € 148,50. De kosten bestaan uit de volgende posten: Kilometervergoeding 110 km x € 0,22 = € 31,- Tolkosten retour € 10,- Verlof voor zitting € 107,50. De rechtbank leidt uit de posten af dat de proceskosten zien op het bijwonen van de zitting(en). Gebleken is echter dat de benadeelde partij niet aanwezig is geweest bij de zitting, niet bij de meervoudige kamer van 10 juni 2020 en ook niet bij de politierechterzitting van 3 juni 2020. De rechtbank zal daarom de proceskosten afwijzen. 8Het beslag De verbeurdverklaring 02/688037-17 De hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerpen zijn vatbaar voor verbeurdverklaring. De rechtbank zal dan ook daartoe beslissen. 9De wettelijke voorschriften De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 33, 33a, 36f, 57 en 141 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994. 10De beslissing De rechtbank: Bewezenverklaring - verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven; - spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd; Strafbaarheid - verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert: 02/688037-17: Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood; 02/155966-19: Openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen en goederen, terwijl het door hem gepleegde geweld enig lichamelijk letsel ten gevolge heeft; - verklaart verdachte strafbaar; Strafoplegging - veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 240 uren; - beveelt dat indien verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 120 dagen; - veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar; - bepaalt dat deze straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd de hierna vermelde voorwaarden niet heeft nageleefd; - stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit; Bijkomende straffen - veroordeelt verdachte tot een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen van één jaar; - bepaalt dat de tijd dat verdachte zijn rijbewijs al heeft ingeleverd in mindering wordt gebracht op de rijontzegging; Beslag - verklaart verbeurd de inbeslaggenomen voorwerpen, te weten de goednummers G1679344, G2154155, G2154157, G2154158, G2154160, G2154169 en G2154175; Benadeelde partij - veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde partij] van € 2.329,79, waarvan € 829,79 ter zake van materiële schade en € 1.500,- ter zake van immateriële schade en vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 20 januari 2019 tot aan de dag der algehele voldoening; - bepaalt dat voor zover dit bedrag door één of meer mededaders is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de benadeelde partij te betalen. - verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat de vordering voor dat gedeelte bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht; - veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil; - wijst de gevorderde kosten van rechtsbijstand af; - legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij] (parketnummer 02/155966-19), € 2.329,79 te betalen; - bepaalt dat bij niet betaling 33 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft; - bepaalt dat voor zover dit bedrag door één of meer mededaders is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de Staat te betalen; - bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd. Dit vonnis is gewezen door mr. Nomes, voorzitter, mr. Josten en mr. Anker, rechters, in tegenwoordigheid van mr. De Jonge, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 24 juni 2020. Mr. Josten, mr. Anker en mr. De Jonge zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen. Bijlage I De tenlastelegging parketnummer 02/688037-17 Aan verdachte is tenlastegelegd dat: hij op of omstreeks 20 februari 2017 te Axel, gemeente Terneuzen, in elk geval in Nederland, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (een personenauto, BMW), daarmede rijdende over de weg, de Hulsterseweg, op welke weg over een afstand van ongeveer 700 meter een drietal wegversmallingen waren aangebracht en welke weg (door regen) nat/vochtig was, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door in hoge, althans aanzienlijke mate onvoorzichtig en/of onachtzaam en of onnadenkend en/of ondeskundig met een - mede gelet op de weersituatie - te hoge snelheid voor een veilig verkeer ter plaatse de wegversmallingen op die weg te passeren en/of (vervolgens) de controle over het door hem, verdachte, bestuurde voertuig te verliezen en/of niet in staat te zijn zijn motorrijtuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover de weg vrij en te overzien was en/of (vervolgens) in aanrijding/botsing te komen met een naast die weg staande boom, waardoor [slachtoffer] (passagier in de door hem, verdachte, bestuurde auto) werd gedood; art 6 Wegenverkeerswet 1994 subsidiair, althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: hij op of omstreeks 20 februari 2017 te Axel, gemeente Terneuzen, in elk geval in Nederland, als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto, BMW), daarmee rijdende op de weg, de Hulsterseweg, op welke weg over een afstand van ongeveer 700 meter een drietal wegversmallingen waren aangebracht en welke weg (door regen) nat/vochtig was, met een - mede gelet op de weersituatie - te hoge snelheid voor een veilig verkeer ter plaatse de wegversmallingen op die weg is gepasseerd en/of (vervolgens) de controle over het door hem, verdachte, bestuurde voertuig is verloren en/of niet in staat is geweest zijn motorrijtuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover de weg vrij en te overzien was en/of (vervolgens) in aanrijding/botsing is gekomen met een naast die weg staande boom, door welke gedraging(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.