RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Bestuursrecht zaaknummers: BRE 20/6158 WABOA VV en BRE 20/6551 WABOA VV uitspraak van 2 juli 2020 van de voorzieningenrechter in de zaak tussen 1Princeville Exploitatie B.V., te Breda, verzoekster sub 1, gemachtigde: mr. M.P. Wolf, 2McD Woonboulevard Breda B.V.,te Breda, verzoekster sub 2, gemachtigde: mr. K.M. Peters, en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Breda, verweerder. Als derde partij hebben aan het geding deelgenomen: Port of Breda B.V., te Spijkenisse, (vergunninghouder) Prohuis B.V., te Capelle aan den IJssel, (projectontwikkelaar) gemachtigde: mr. dr. ing. P. de Haan. Procesverloop Verzoeksters hebben bezwaar gemaakt tegen het besluit van 12 maart 2020 (bestreden besluit) van het college over de verlening van een omgevingsvergunning voor het bouwen van een hotel met restaurant en het aanleggen van een uitrit. Zij hebben de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Breda op 18 juni 2020. Verzoekster sub 1 heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde en mr. E.C.J. Wouters, kantoorgenoot van de gemachtigde. Verzoekster sub 2 is verschenen bij [naam], directeur, bijgestaan door de gemachtigde. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. F.L.M. Tijhof, B.P. van den Berg en J.D. Geschiere. Derde partij is verschenen bij [naam eigenaar], eigenaar van Prohuis B.V., bijgestaan door de gemachtigde. Overwegingen Feiten 1. Op 30 juli 2015 heeft Port of Breda B.V. voor de locatie Bagven Park een aanvraag om een omgevingsvergunning ingediend voor het bouwen van een horecavestiging en reclamemast met technische ruimte op het perceel. Port of Breda B.V. heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig bekend maken van een beweerdelijk van rechtswege verleende omgevingsvergunning. Bij uitspraak van 28 oktober 2016 (AWB 16/4025 WABO) heeft de rechtbank het door Port of Breda ingestelde beroep ongegrond verklaard. Port of Breda B.V. heeft hoger beroep ingesteld. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) heeft in de uitspraak van 13 december 2017 (ECLI:N:RVS:2017:3429) geoordeeld dat nu het aangevraagde bouwplan in overeenstemming is met het bestemmingsplan en het college niet binnen de daarvoor in artikel 3.9 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) opgenomen termijn heeft beslist, de omgevingsvergunning op grond van artikel 4:20b, eerste lid, van de Wabo van rechtswege is verleend. Uit publicatie in de Gemeentestem van 20 december 2017 volgt dat het college de van rechtswege verleende omgevingsvergunning van 29 april 2016 voor het bouwen van een horecavestiging met reclamemast op de locatie Bagven Park bekend heeft gemaakt. Op 28 november 2019 heeft Port of Breda B.V. een omgevingsvergunning aangevraagd voor het bouwen van een hotel met restaurant en het aanleggen van een in-/uitrit op de locatie Bagven Park. In het bestreden besluit heeft het college de gevraagde omgevingsvergunning verleend. Verzoekster sub 2 heeft op 30 maart 2020 bezwaar gemaakt tegen het bestreden besluit. Zij exploiteert een hamburgerrestaurant (vestiging van McDonalds) aan de Woonboulevard te Breda. Verzoekster sub 1 heeft op 22 april 2020 bezwaar gemaakt tegen het bestreden besluit. Zij is eigenaresse van de percelen aan [adres]. Op deze percelen exploiteert zij hotel Van der Valk Princeville met restaurant en een vergadercentrum. Ook hebben verzoeksters de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Standpunten verzoeksters 2.1 Verzoekster sub 1 heeft, samengevat, aangevoerd dat het bouwplan in strijd is met het geldende bestemmingsplan ‘Buitengebied Zuid 2013’. Zij wijst erop dat op grond van de voor ‘bedrijventerrein’ aangewezen gronden bestemd zijn voor horeca in de vorm van één restaurant, één hotel of combinatie daarvan. Uit de aanvraag en bouwtekeningen blijkt dat het gaat om twee verschillende restaurants op de begane grond, waarvan één restaurant beschikt over een drive thru. Verder blijkt dat er een multifuel station zal komen, wat ook in strijd is met de regels van het bestemmingsplan. Bovendien wordt niet voldaan aan de bouwregels zoals opgenomen in de planregels. Verder wordt gehandeld in strijd met de bestemming ‘waarde-archeologie’. Volgens verzoekster sub 1 heeft het college niet gemotiveerd dat het bouwplan voldoet aan het bestemmingsplan ‘Parapluplan parkeren 2017’. Er is volgens verzoekster sub 1 bovendien strijd met de gemeentelijke bouwverordening, in die zin dat niet op verontreinigde grond gebouwd mag worden. Verder is volgens verzoekster sub 1 niet duidelijk of aan de redelijke eisen van welstand wordt voldaan. De omgevingsvergunning had volgens verzoekster sub 1 niet verleend kunnen worden zonder toestemming als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder i van de Wabo (natuurvergunning). Tot slot heeft verzoekster sub 1 bezwaar gemaakt tegen de vergunning voor het maken van een uitweg. 2.2 Verzoekster sub 2 heeft aangevoerd dat beoogd is om in het gebouw twee restaurants te vestigen, wat in strijd is met het bestemmingsplan. Deze bedoeling blijkt uit de aanvraag, mededelingen van vergunninghoudster en diverse publicaties. Het college had bij duidelijke indicaties dat met bestemmingsplan strijdig gebruik sprake zou zijn, een toets naar de verenigbaarheid van het werkelijk beoogd gebruik moeten aanleggen. Dit is niet gebeurd. Verzoek om voorlopige voorziening 3.1 Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. 3.2 De voorzieningenrechter stelt voorop dat bij het nemen van een beslissing op een verzoek om voorlopige voorziening een voorlopig oordeel over de rechtmatigheid van het bestreden besluit een belangrijke rol speelt. Verder dient deze beslissing het resultaat te zijn van een belangenafweging, waarbij moet worden bezien of uitvoering van het bestreden besluit voor verzoeksters een onevenredig nadeel met zich zou brengen in verhouding tot het door een onmiddellijke uitvoering van dat besluit te dienen belang. 3.3 Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventuele) bodemprocedure niet. Wettelijk kader 4. Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage behorende bij deze uitspraak. Belanghebbendheid 5.1 De voorzieningenrechter ziet zich allereerst voor de vraag gesteld of verzoeksters belanghebbend zijn bij het bestreden besluit. Dit besluit heeft betrekking op de activiteiten bouwen (van een hotel en restaurant) en het maken van een uitweg. 5.2 In artikel 1:2, eerste lid, van de Awb is aangegeven dat onder belanghebbende wordt verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit betrokken is. 5.3.1 Voor wat betreft het besluitonderdeel over de activiteit bouwen van een hotel en restaurant is aannemelijk dat verzoeksters belanghebbenden zijn. Het hotel en restaurant worden gebouwd binnen hetzelfde verzorgingsgebied als waar verzoeksters een hotel met restaurant respectievelijk een fastfood-restaurant exploiteren. 5.3.2 Ten aanzien van het besluitonderdeel over de uitweg, waartegen alleen verzoekster sub 1 opkomt, is de voorzieningenrechter van oordeel dat verzoekster sub 1 niet als belanghebbende kan worden aangemerkt. Het hotel met restaurant van verzoekster sub 1 is gelegen op een afstand van ongeveer 500 meter van de bouwlocatie. Niet is betwist dat vanuit dit hotel géén zicht bestaat op de bouwlocatie. Verder is niet aannemelijk dat ter plaatse van het hotel van verzoekster sub 1 verkeers- of parkeerhinder van enige betekenis kan worden ondervonden ten gevolge van de uitweg. Anders dan verzoekster sub 1 heeft betoogd ziet de voorzieningenrechter niet in dat sprake zou zijn van een onlosmakelijke samenhang tussen de uitweg en de bouw van het hotel met restaurant. Het gaat immers om twee afzonderlijke besluitonderdelen. Dit betekent dat het bezwaar van verzoekster sub 1 tegen het maken van een uitweg naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter niet-ontvankelijk is. De grieven over de uitweg behoeven dan ook geen bespreking meer. Relativiteitsvereiste 6.1 De gemachtigde van derde partij heeft ter zitting gewezen op het feit dat het relativiteitsvereiste als bedoeld in artikel 8:69a van de Awb in de weg staat aan een inhoudelijke beoordeling van de grieven van verzoekster sub 1 ten aanzien van archeologie, het parkeren, de welstandstoets, de vermeende bodemverontreiniging en de natuuromgeving. De rechtsregels over deze grieven zien namelijk niet op de bescherming van de belangen van verzoekster sub 1. 6.2. Op grond van artikel 8:69a van de Awb vernietigt de bestuursrechter een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept. 6.3.1 Het relativiteitsvereiste als bedoeld in artikel 8:69a van de Awb is volgens vaste jurisprudentie van de AbRS (bijvoorbeeld de uitspraak van 18 maart 2015, ECLI:NL:RVS:2015:842) anders dan verzoekster sub 1 betoogt, niet van toepassing in de bezwaarfase. De wetgever heeft er bewust voor gekozen om het relativiteitsvereiste slechts in te voeren voor de fase van beroep bij de rechter, en niet ook al in de fase van het bezwaar, nu het beslissen op bezwaar een wezenlijk ander karakter heeft dan rechtspraak (Kamerstukken II, 2009-2010, 32 450, nr. 3, blz. 20-21). 6.3.2 De voorzieningenrechter dient in het kader van deze voorlopige voorziening hangende de bezwaarfase te toetsen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Nu geen uitspraak wordt gedaan in een beroepszaak, is de voorzieningenrechter niet gebonden aan het relativiteitsvereiste. De voorzieningenrechter zal dus, naast de overige aangevoerde gronden, ook dienen te beoordelen of de door verzoekster sub 1 aangevoerde gronden over archeologie, het parkeren, de welstandstoets, de vermeende bodemverontreiniging en de natuuromgeving, een redelijke kans van slagen hebben. Strijd bestemmingsplan 7.1 Het perceel Bagven Park te Breda is gelegen binnen het bestemmingsplan ‘Buitengebied Zuid 2013’. Het perceel heeft de bestemming ‘Bedrijventerrein’ en medebestemming ‘Waarde-archeologie’. Verder geldt ter plaatse het bestemmingsplan ‘Parapluplan parkeren 2007’. 7.2 Volgens verzoeksters is er sprake van strijd met het bestemmingsplan ‘Buitengebied Zuid 2013’ voor zover het gaat om het aantal restaurants dat is voorzien (artikel 7.1, onder f, van de planregels), de komst van een zogeheten multifuel station (artikel 7.1, onder a, van de planregels), de bouwregels (artikel 7.2 van de planregels) en de medebestemming ‘Waarde-archeologie’ (artikel 21 van de planregels). Aantal restaurants 8.1 In artikel 7.1, onder f, van de planvoorschriften is - voor zover hier relevant - bepaald dat voor ‘Bedrijventerrein’ aangewezen gronden zijn bestemd voor horeca in de vorm van één restaurant, één hotel of een combinatie daarvan. 8.2 Verzoeksters voeren aan dat er strijd is met het bestemmingsplan, omdat het bestemmingsplan ter plaatse één restaurant toestaat, terwijl uit de bouwtekeningen, de berichtgeving in de media en mondelinge mededelingen van derde partij blijkt dat er ter plaatse twee restaurants (te weten een Burger King en een La Place) en waarschijnlijk nog een derde restaurant (behorende bij het viersterrenhotel) zullen komen. Aannemelijk is dat het bouwwerk mede zal worden gebruikt voor andere doeleinden dan waarin de bestemming voorziet. Dit is niet toegestaan. 8.3 Op grond van vaste jurisprudentie van de AbRS (bijvoorbeeld de uitspraak van 26 juli 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2019) dient bij toetsing van een bouwplan aan een bestemmingsplan niet slechts te worden bezien of het bouwwerk overeenkomstig de bestemming kan worden gebruikt, maar dient mede te worden beoordeeld of het bouwwerk ook met het oog op zodanig gebruik wordt gebouwd. Dit houdt in dat een bouwwerk in strijd met de bestemming moet worden geoordeeld indien redelijkerwijs valt aan te nemen dat het bouwwerk uitsluitend of mede zal worden gebruikt voor andere doeleinden dan die waarin de bestemming voorziet. Verder geldt op grond van vaste jurisprudentie van de AbRS (bijvoorbeeld de uitspraak van 8 april 2020, ELI:NL:RVS:2020:1018) dat bij de beoordeling van de aanvraag ervan moet worden uitgegaan dat het bouwwerk zal worden gebruikt op de wijze zoals omschreven is in de aanvraag, tenzij redelijkerwijs valt aan te nemen dat het bouwwerk uitsluitend of mede voor andere doeleinden zal worden gebruikt. 8.4.1 De voorzieningenrechter dient de vraag te beantwoorden of op basis van de bouwkundige inrichting of anderszins redelijkerwijs valt aan te nemen dat het vergunde gebouw zal worden gebruikt voor meer dan één restaurant. Aan berichtgeving in de media dat ter plekke een Burger King restaurant en een La Place restaurant zullen worden gevestigd, kan geen doorslaggevende betekenis worden toegekend. Berichten in de media vormen – anders dan de aanvraag en bijbehorende tekeningen – niet de grondslag van de gevraagde omgevingsvergunning. 8.4.2 Vast staat dat de verleende omgevingsvergunning ziet op één hotel en één restaurant. Bij de aanvraag is onder punt 7 ‘gebruik’ ook aangegeven dat derde partij voornemens is het bouwwerk te gaan gebruiken voor ´horeca (hotel en restaurant)´. Uit de bouwtekeningen bij de aanvraag blijkt dat er sprake is van een grote ruimte voor een restaurant met twee keukens en een drive thru. Anders dan verzoeksters betogen, kan naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter hieruit niet zonder meer de conclusie worden getrokken dat er twee restaurants zullen komen. Uit de bouwtekeningen, in combinatie met de aanvraag, valt niet uit te sluiten dat ter plaatse één groot (fastfood)restaurant komt met een drive thru. Voor zover verzoekers hebben betoogd dat het zeer aannemelijk is dat bij het viersterrenhotel tevens een eigen restaurant zal komen, overweegt de voorzieningenrechter dat niet is komen vast te staan dat een eigen restaurant, zoals verzoekster sub 1 stelt, een vereiste is voor de kwalificatie ´viersterrenhotel´. Bovendien blijkt uit de stukken en ter zitting dat hotelketen GR8 intrek in het gebouw zal nemen, een driesterren hotelformule zonder eigen restaurant. Het college heeft aangegeven dat indien in de toekomst mocht blijken dat er meerdere restaurants bij het hotel worden gevestigd, een verzoek om handhaving kan worden ingediend. Dit is namelijk in strijd met het bestemmingsplan en de omgevingsvergunning. Ook in de huurovereenkomst met GR8 is overeengekomen dat de huurder van het pand zich moet houden aan de planregel dat één hotel met één restaurant is toegestaan. Gelet op het voorgaande is genoegzaam gewaarborgd dat ter plaatse niet meerdere restaurants zullen worden opgericht. 8.4.3 Ter zitting heeft de gemachtigde van derde partij verklaard dat voor de invulling van het gebruik nog een afzonderlijke vergunning zal worden aangevraagd. Van de zijde van het college is hierop medegedeeld dat bij het bestreden besluit één hotel en één restaurant is vergund, zodat een aparte aanvraag niet nodig is. De voorzieningenrechter volgt het college in dit standpunt. Multifuel station 9.1 Verzoekster sub 1 heeft betoogd dat in strijd met het bestemmingsplan wordt gehandeld, omdat uit de overzichtstekening bij de omgevingsvergunning volgt dat er een multifuel station is voorzien. In de aanvraag is hier niets over vermeld. De komst van een multifuel station is in strijd met de bestemming bedrijventerrein. 9.2 De voorzieningenrechter stelt vast dat derde partij heeft aangegeven dat een multifuel station niet is aangevraagd. Uit de bij de omgevingsvergunning overgelegde overzichtskaart blijkt dat het multifuel station bovendien is gesitueerd buiten de aangegeven stippellijn van het plangebied. Derde partij heeft aangegeven voor het multifuel station nog een afzonderlijke aanvraag zal worden ingediend. Het college zal daarover dan een apart besluit moeten nemen. De voorzieningenrechter volgt verzoekster sub 1 niet in het standpunt dat de omgevingsvergunning mede betrekking heeft op een multifuel station. Van strijdigheid met het bestemmingsplan is op dit punt dan ook geen sprake. Bouwregels 10.1 Verzoekster sub 1 stelt dat het bouwplan niet voldoet aan de bouwregels, zoals neergelegd in artikel 7.2 van de planvoorschriften. Daartoe voert zij – samengevat – het volgende aan. Bij het bestreden besluit is geen tekening gevoegd waarop het bouwplan is geprojecteerd binnen het bouwvlak (sub a). Verder wordt volgens verzoekster sub 1 het maximale bebouwingspercentage van 30% overschreden (sub b). Ook wordt de maximaal toegestane bouwhoogten overschreden (sub c en d). 10.2.1 De voorzieningenrechter stelt vast dat het college in het verweerschrift aan de hand van een situatietekening aannemelijk heeft gemaakt dat de bebouwing is gesitueerd binnen het bebouwingvlak en dat het bebouwingspercentage van 30% niet wordt overschreden. Het college heeft berekend dat het bebouwd oppervlak circa 3,6 % zal bedragen. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter bestaat geen aanleiding om deze toelichting in twijfel te trekken. Er wordt dan ook niet gebouwd in strijd met het bepaalde in artikel 7.2, aanhef en onder a en b, van de planregels. 10.2.2 Voor wat betreft de bouwhoogte overweegt de voorzieningenrechter het volgende. Uit de bouwtekeningen volgt dat het hoogste deel van het hotel 27,5 meter zal bedragen en dat de hoogte van de reclamemast, die geen onderdeel uitmaakt van deze aanvraag, 45 meter is. Het hotel en de reclamemast zijn niet aaneengesloten gebouwd. De AbRS heeft in haar uitspraak van 13 december 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:3429) ten aanzien van artikel 7.2, aanhef en onder c, van de planregels het volgende overwogen: “Anders dan de rechtbank heeft overwogen is in artikel 7.2, aanhef en onder c, van de planregels niet geregeld dat eerst bij meer dan 2.000 m2 aan bebouwd oppervlak de hoogte van gebouwen maximaal 70 m mag bedragen. In artikel 7.2, aanhef en onder c, van de planregels is geregeld dat over een bebouwd oppervlak tot maximaal 2.000 m2 gebouwen maximaal 70 m hoog mogen zijn en dat bij een bebouwd oppervlak van meer dan 2.000 m2 wat betreft het meerdere de hoogte van gebouwen maximaal 8 m mag bedragen. Omdat het totale door Port of Breda te bebouwen oppervlak, naar tussen partijen niet in geschil is, niet groter is dan 2.000 m2 kan een gebouw met een hoogte van maximaal 70 m worden gerealiseerd op het perceel. Hetgeen is opgenomen in het beleidsplan is, zoals Port of Breda terecht betoogt, niet van belang voor de uitleg van de planregels, nu artikel 7.2, aanhef en onder c, van de planregels op zichzelf duidelijk is. De rechtbank heeft gelet op het voorgaande niet onderkend dat gebouwen 70 m hoog mogen zijn over een bebouwd oppervlak van 2.000 m2”. Uit deze uitspraak van de AbRS volgt dat over een bebouwd oppervlak tot maximaal 2000 m2 de hoogte van gebouwen maximaal 70 meter mag bedragen. Wanneer het bebouwd oppervlak meer dan 2000 m² betreft, mag de hoogte van de gebouwen maximaal 8 meter bedragen. Anders dan verzoekster sub 1 betoogt, is niet geregeld dat er slechts één gebouw hoger mag zijn dan de toegestane hoogte van 8 meter. Evenmin is bepaald dat het dient te gaan om een aaneengesloten bebouwd oppervlak. Het totale bebouwd oppervlak van het hotel met restaurant bedraagt volgens het college 1518 m². De voorzieningenrechter ziet geen reden om hieraan te twijfelen. De reclamemast maakt geen onderdeel uit van de aanvraag, maar voor het bepalen van de toegestane maximale bouwhoogte dient het oppervlak van deze reclamemast te worden meegenomen voor de vaststelling van het totale bebouwd oppervlak. De AbRS heeft in de hiervoor genoemde uitspraak al geoordeeld dat de technische ruimte met reclamemast een gebouw betreft. De voorzieningenrechter acht het aannemelijk dat dit gebouw een geringe oppervlak zal hebben en dat het totale bebouwd oppervlak niet boven de 2000 m2 zal uitkomen. Nu het hotel en de reclamemast niet hoger zullen zijn dan 70 meter, is geen sprake van strijd met artikel 7.2, aanhef en onder c, van de planregels. Archeologie 11.1 Het perceel Bagven Park te Breda heeft de medebestemming ‘Waarde-archeologie’. In artikel 21.1 van de planregels is bepaald dat de voor ‘Waarde-archeologie’ aangewezen gronden, naast de andere voor die gronden aangewezen bestemmingen (basisbestemming), bestemd zijn voor bescherming en veiligstelling van archeologische waarden ter plaatse. In artikel 21.2 van de planregels is onder meer bepaald dat binnen de tot ‘Waarde-archeologie’ bestemde gronden het niet is toegestaan te bouwen, met uitzondering van (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.