RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Strafrecht Zittingsplaats: Breda parketnummer: 02-181962-19 vonnis van de meervoudige kamer van 7 juli 2020 in de strafzaak tegen [Verdachte] geboren op [Geboortedag] 1982 te [Geboorteplaats] wonende te [Adres] gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting te Vught raadsman mr. M.A. Buntsma, advocaat te Breda 1Onderzoek van de zaak De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 23 juni 2020, waarbij de officier van justitie, mr. Simpelaar, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. 2De tenlastelegging De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte heeft geprobeerd [Slachtoffer] te doden of hem zwaar lichamelijk letsel toe te brengen door op hem te schieten en dat hij hem heeft bedreigd. 3De voorvragen De dagvaarding is geldig. De rechtbank is bevoegd. De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging. Er is geen reden voor schorsing van de vervolging. 4De beoordeling van het bewijs 4.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte geprobeerd heeft [Slachtoffer] te doden en dat hij hem heeft bedreigd. De officier van justitie heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het slachtoffer geraakt zou worden in een slagader. 4.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen. Door de verdediging is een alternatief scenario geschetst, inhoudende dat het slachtoffer zichzelf heeft geraakt met een wapen dat hij in zijn broekzak had. Verdachte had voldoende reden om zich met een vuurwapen te verdedigen zodat hem een beroep op noodweer toekomt. 4.3 Het oordeel van de rechtbank 4.3.1 De bewijsmiddelen De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht. 4.3.2 De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs De rechtbank leidt uit de bewijsmiddelen af dat verdachte op 25 juli 2019 met het slachtoffer heeft afgesproken, dat hij bij die confrontatie tussen hen het slachtoffer in zijn linkerbeen heeft geschoten en dat hij, terwijl het slachtoffer bij hem vandaan liep, nog twee maal in zijn richting op de grond heeft geschoten. De rechtbank volgt het verweer van de verdediging, inhoudende dat het slachtoffer ook een wapen bij zich had en zichzelf tijdens de confrontatie in het been heeft geschoten waarna verdachte uit noodweer nog twee maal heeft geschoten, niet. Het door de verdediging geschetste scenario past geheel niet in de beelden die gemaakt zijn van de schietpartij. Uit de zich in het dossier bevindende verklaringen en bevindingen van de politie blijkt niet dat het slachtoffer een wapen bij zich had. Dit blijkt evenmin uit de camerabeelden. Het dossier biedt op een geen enkele wijze een aanknopingspunt voor de verklaring van verdachte dat het slachtoffer zichzelf verwond heeft door zichzelf in het been te schieten. Op de camerabeelden is duidelijk te zien dat een zwarte plek ter hoogte van de linker broekzak van het slachtoffer is ontstaan tijdens de korte confrontatie die heeft plaatsgevonden tussen verdachte en het slachtoffer bij de achterzijde van de auto. Op het moment dat zij achter de auto stonden is het wapen dat verdachte in zijn hand had in de richting van het linkerbeen van het slachtoffer gegaan. Verdachte en het slachtoffer staan op dat moment heel dicht bij elkaar en de hand van verdachte waarin hij het wapen vast heeft, houdt hij ter hoogte van de linker broekzak van het slachtoffer. Direct daarna is het slachtoffer weggelopen waarna de zwarte plek ter hoogte van zijn linker broekzak is waar te nemen. Als het slachtoffer daarna strompelend wegloopt schiet verdachte nog twee maal in de richting van het slachtoffer op de grond. De rechtbank acht het door verdachte geschetste scenario, gelet op het vorenstaande, ongeloofwaardig. Van een noodweer situatie is dan ook niet gebleken zodat het beroep op noodweer niet kan slagen. Door op deze manier op zeer korte afstand met een vuurwapen in het bovenbeen van het slachtoffer te schieten heeft verdachte zich willens en wetens blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel zou oplopen en heeft hij die kans blijkens de wijze van handelen ook welbewust aanvaard en op de koop toe genomen. Door te schieten in een bovenbeen is de kans op bijvoorbeeld botbreuken, zenuw-, pees-, of spierbeschadiging en ander ernstig, blijvend letsel immers reëel. De rechtbank volgt de officier van justitie niet in haar standpunt dat het handelen van verdachte een poging tot doodslag oplevert. Weliswaar loopt er in het bovenbeen, zoals gesteld door de officier van justitie, een slagader, maar niet vastgesteld kan worden dat verdachte in de buurt daarvan heeft geschoten en aldus door zijn handelen voorwaardelijk opzet op de dood van het slachtoffer heeft gehad. 4.4 De bewezenverklaring De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 25 juli 2019 te Breda, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [Slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met een vuurwapen in het linkerbeen van die [Slachtoffer] heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid en op 25 juli 2019 te Breda [Slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door met een vuurwapen meermalen in de richting van die [Slachtoffer] te schieten. Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad. De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. 5De strafbaarheid Zoals onder 4.3 is gemotiveerd, volgt de rechtbank het beroep van verdachte op noodweer niet. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op. Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit. 6De strafoplegging 6.1 De vordering van de officier van justitie De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 36 maanden. 6.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft verzocht om, mocht het beroep op noodweer niet gehonoreerd worden, verdachte een straf op te leggen die gelijk is aan het voorarrest. 6.3 Het oordeel van de rechtbank Verdachte heeft zich schuldig gemaakt een aan poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel en aan een bedreiging met de dood. Op 25 juli 2019 heeft verdachte afgesproken met de voor hem bekende [Slachtoffer] een aangetrouwd familielid van hem. Verdachte is met een wapen naar die afspraak gegaan. Tijdens de ontmoeting met [Slachtoffer] is het tot een gewelddadige confrontatie gekomen. Verdachte heeft daarbij geschoten en het slachtoffer in zijn bovenbeen geraakt. Meteen na dat schot is het slachtoffer weggerend waarna verdachte nog twee maal op kille wijze in de richting van het slachtoffer op de grond heeft geschoten. Bij daglicht, op de openbare weg en voor iedereen die in de buurt was, zichtbaar. De rechtbank is van oordeel dat sprake is van zeer ernstige feiten die een langdurige gevangenisstraf rechtvaardigen. Het gemak waarmee en de wijze waarop door verdachte gebruik is gemaakt van vuurwapengeweld baart de rechtbank zorgen. Dergelijke wild west taferelen worden door de rechtbank niet getolereerd. Bij de beoordeling van de soort en de hoogte van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. Verder heeft de rechtbank rekening gehouden met het rapport dat over verdachte is uitgebracht door de reclassering. Voor de reclassering is het moeilijk gebleken om een goed beeld te krijgen van verdachte omdat hij wispelturig, berekenend en sociaal wenselijk gedrag laat zien. Zijn delictverleden duidt op een pro-criminele houding. Er is sprake van normvervaging waardoor verdachte er voor kiest om delictgedrag te gebruiken als hij meent dat de situatie zich hier voor leent. Vervolgens heeft hij moeite om zijn eigen aandeel daarin te erkennen. Met zijn lichamelijke gezondheid gaat het niet goed. In 2019 heeft hij een longoperatie ondergaan. Daarnaast is bij verdachte naar zijn zeggen sprake van COPD en longemfyseem. Dit leidt echter volgens de reclassering niet tot detentie-ongeschiktheid. De reclassering ziet wel aanknopingspunten voor een eventueel toezicht maar vanwege het berekenende gedrag van verdachte en zijn sociaal wenselijke houding, waarbij hij onvoldoende openstaat voor suggesties van anderen in een verplichtend kader, zal het reclasseringstoezicht onvoldoende bijdragen aan gedragsverandering. De reclassering vindt verder dat sprake is van een hoog recidiverisico. Geadviseerd wordt een straf zonder bijzondere voorwaarden op te leggen. Ten slotte heeft de rechtbank rekening gehouden met het strafblad van verdachte. Hieruit blijkt dat verdachte al diverse keren met politie en justitie in aanraking is geweest ter zake van geweldsdelicten. De officier van justitie is bij haar eis uitgegaan van een bewezenverklaring van de tenlastegelegde poging tot doodslag. Nu de rechtbank tot een andere bewezenverklaring komt, legt zij een lagere straf op dan door de officier van justitie is gevorderd. Een gevangenisstraf van na te melden duur acht de rechtbank passend en geboden. 7De benadeelde partij De benadeelde partij [Slachtoffer] vordert een schadevergoeding van € 250.000,00. De rechtbank is van oordeel dat, nu de vordering slechts ten dele is onderbouwd, verdere behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafproces oplevert. De benadeelde partij zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering. 8De wettelijke voorschriften De beslissing berust op de artikelen 45, 57, 285 en 302 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde. 9De beslissing De rechtbank: Bewezenverklaring - verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven; - spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd; Strafbaarheid - verklaart het bewezen verklaarde strafbaar; - verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert: poging tot zware mishandeling en bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht; - verklaart verdachte strafbaar; Strafoplegging - veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 30 maanden; - bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf; Benadeelde partijen - verklaart de benadeelde partij [Slachtoffer] niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht; - veroordeelt de benadeelde partij [Slachtoffer] in de kosten van verdachte, tot op heden begroot op nihil. Dit vonnis is gewezen door mr. Vliegenberg, voorzitter, mr. Fleskens en mr. Diepenhorst, rechters, in tegenwoordigheid van Van den Goorbergh, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 7 juli 2020. 10Bijlage I De tenlastelegging hij op of omstreeks 25 juli 2019 te Breda, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [Slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, althans om aan [Slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, door met een vuurwapen te schieten in het (linker)been, in elk geval het lichaam van die [Slachtoffer] , terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; en/of hij op of omstreeks 25 juli 2019 te Breda [Slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door met een vuurwapen meermalen, althans eenmaal in de richting, althans in de nabijheid van die [Slachtoffer] te schieten; (art 287 Wetboek van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht) 11Bijlage II De bewijsmiddelen Wanneer hierna wordt verwezen naar een paginanummer, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een pagina van het eindproces-verbaal met dossiernummer 2019176576 van de regionale eenheid politie Zeeland-West-Brabant, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren en doorgenummerd van 1 tot en met 323. Het proces-verbaal van aangifte van [Slachtoffer] , pagina 245, inhoudende, zakelijk weergegeven: Ik doe aangifte van een feit, gepleegd op 25 juli 2019 te Breda aan de Konijnenberg. [Verdachte] klonk erg opgefokt. Hij vroeg mij waar ik was. Ik ben toen met [Naam 1] en mijn werkgever [Naam 2] naar de [Naam 3] gegaan. Ik heb toen een audiobericht ontvangen van [Verdachte] . Hij zei tegen mij: “blijf daar, ik ben er over twee minuten”. Ik ben uit de auto gestapt. Ik wachtte op de stoep. Ik zag een Fiat Doblo wit van kleur. Toen die auto aankwam ging de auto toeteren. Ik zag dat hij boos was; hij stapte uit, ik ging richting hem en ik zei “hallo” en er stapte ook nog een andere persoon uit aan de passagierskant. Ik zag aan zijn gezicht dat hij boos was. Hij zei “zit jij over mij te roddelen in mijn stad”. Hij zei: “stap in dan praten we erover. Dan gaan we naar een plekje waar we rustig kunnen praten”. Ik vond dat goed. Ik keek in de auto en ik zag een pistool liggen. Hij zei “zal ik schieten”. Daarna schoot hij op mij en raakte mij. Nadat hij op mij geschoten had ben ik terug gegaan. Ik ben gewond geraakt aan mijn linker dij. Het geschrift, inhoudende een medisch verslag van [Naam 4] , pagina 251, inhoudende, zakelijk weergegeven: Patiëntnaam [Slachtoffer] , geboren op [Geboortedag slachtoffer] 1989. Lichamelijk onderzoek: linkerbovenbeen: ingangswond en exit wond (schampschot), 4cm van elkaar, tussen de wonden oud hematoom (geel) zichtbaar. Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 188, inhoudende, zakelijk weergegeven: Ik, verbalisant, verklaar het volgende: Op maandag 29 juli 2019 bekeek ik de beelden in verband met een schiet incident aan de Konijnenberg te Breda. De aangeleverde beelden waren van drie verschillende camera's en speelden zich af op donderdag 25 juli 2019. Camera 1: Om 21.15.24 kwam een witte bestel auto in beeld. Hij kwam vanaf de linker zijde in beeld. De bestuurder droeg rode bovenkleding en de bijrijder een donker kleurig shirt. De bestelauto reed de parkeerstrook op die langs de weg loopt en de remlichten lichtten op. Camera 2: Om 21.15.49 uur stond de witte bestelauto stil aan het einde van de parkeerstrook. Eén
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.