RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Bestuursrecht zaaknummer: BRE 19/5037 WET uitspraak van 3 juli 2020 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam eiser] , te [plaatsnaam] , eiser en de Korpschef van Politie, te Tilburg. Procesverloop Eiser heeft op bij brief van 9 augustus 2019 verzocht om verwijdering van de registratie dat hij op 21 december 2015 de Opiumwet heeft overtreden. Eiser heeft daarbij aangegeven dat deze gegevens onjuist zijn omdat deze zaak op 15 maart 2018 door het arrondissementsparket is geseponeerd. Het betreft een verzoek om verwijdering van politiegegevens als bedoeld in artikel 28, eerste lid, van de Wet Politiegegevens (Wpg). Bij besluit van 15 augustus 2019 (bestreden besluit I) heeft verweerder dit verzoek afgewezen. Tegen bestreden besluit I heeft eiser beroep ingesteld bij de rechtbank. Op 28 november 2019 heeft verweerder een verweerschrift ingediend alsmede de onderliggende documenten. Daarbij heeft verweerder verzocht om met toepassing van artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) eiser geen kennis te laten nemen van de documenten. Bij beslissing van 12 december 2019 heeft de rechtbank dit verzoek (slechts) gedeeltelijk ingewilligd. Naar aanleiding van het verweerschrift heeft eiser in beroep aanvullend bezwaar gemaakt tegen het feit dat de seponering van zijn strafzaak niet in de politiegegevens is opgenomen. Dit verzoek van eiser heeft geleid tot het besluit van verweerder van 17 februari 2020 (bestreden besluit II) waarbij bestreden besluit I in die zin is gewijzigd dat in de politiegegevens wordt aangetekend dat de zaak gedeeltelijk is geseponeerd, namelijk voor wat betreft de verdenking van de handel in en het vervoer van drugs. Met betrekking tot het voorhanden hebben van drugs heeft verweerder niet aangetekend dat de desbetreffende vervolging is geseponeerd. Ook tegen bestreden besluit II heeft eiser beroep ingesteld bij de rechtbank. Hij heeft daarbij geëist dat in de politiegegevens wordt opgenomen dat het sepot ook wordt toegepast op het voorhanden hebben van drugs. Het beroep van eiser tegen bestreden besluit I is met toepassing van artikel 6:19 van de Awb geacht mede gericht te zijn tegen bestreden besluit II. Partijen hebben toestemming gegeven voor het doen van uitspraak zonder dat er een zitting heeft plaatsgevonden. Overwegingen 1.1 Ingevolge artikel 28, eerste lid, van de Wpg heeft de betrokkene het recht op diens schriftelijke verzoek van de verwerkingsverantwoordelijke rectificatie van de hem betreffende onjuiste politiegegevens te verkrijgen en, rekening houdend met het doel van de verwerking, het recht om onvolledige politiegegevens te laten aanvullen, onder meer door middel van een aanvullende verklaring. Het verzoek bevat de aan te brengen wijzigingen. 1.2 In de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) van 2 maart 2016, ECLI:NL:RVS:2016:560, is geoordeeld dat het corrigeren van gegevens als hier aan de orde mogelijk is wanneer de gegevens feitelijke onjuistheden bevatten. 2.1 Omdat het verzoek van eiser betrekking heeft op feitelijke gegevens, dient hij de onjuistheid ervan aannemelijk te maken. Daarin is hij niet geslaagd. Geregistreerd is dat eiser wordt verdacht van “overtreding van artikel 2/B Opiumwet, artikel 10/4 Opiumwet”. Dat is een feit en dat feit is ook door eiser niet ontkend. Eiser wil verwijderd hebben dat hij van deze overtreding verdacht werd, maar dat is geen onjuist feit en hoeft door verweerder dan ook niet gecorrigeerd te worden. 2.2 In zoverre is het beroep van eiser tegen bestreden besluit I ongegrond. 3.1 Het feit dat de strafzaak tegen eiser geseponeerd is, had ook geregistreerd moeten worden. Dat verzuim heeft verweerder in zijn besluit van 17 februari 2020 hersteld voor wat betreft (alleen) de verdenking van de handel in en het vervoer van drugs. Volgens verweerder is in het dossier PL2000-2015295113 sprake van twee strafbare feiten, namelijk handel/vervoer van drugs en het voorhanden hebben van drugs en is alleen handel/vervoer van drugs geseponeerd. 3.2 Omdat verweerder met bestreden besluit II in zoverre is teruggekomen op bestreden besluit I moet het beroep van eiser op dit punt gegrond verklaard worden. De rechtbank zal bestreden besluit I in zoverre vernietigen. 4.1 Eiser heeft in beroep tegen bestreden besluit II aangevoerd dat verweerder ten onrechte de vermelding van het sepot niet tevens heeft toegepast op het voorhanden hebben van drugs. 4.2 De rechtbank heeft kennis genomen van de door verweerder overgelegde documenten uit het dossier PL2000-
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.