RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Strafrecht Zittingsplaats: Breda parketnummers: 02-204765-19 + 02-082857-17 (tul) vonnis van de meervoudige kamer van 9 juli 2020 in de strafzaak tegen [Verdachte] geboren op [geboortedag] 1999 te [geboorteplaats] wonende te [Adres] thans verblijvende in FPA De Mare afdeling Schelde 3 te Halsteren raadsman mr. G.L.A.M. van Doveren, advocaat te Kaatsheuvel 1Onderzoek van de zaak De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 25 juni 2020 waarbij de officier van justitie mr. Peters en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. Ter zitting is ook de vordering tot tenuitvoerlegging behandeld met bovenvermeld parketnummer. 2De tenlastelegging De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering. De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte zich op één dag schuldig heeft gemaakt aan twee pogingen tot doodslag dan wel tot zware mishandeling, een mishandeling van een politieagent, diverse bedreigingen en vernielingen. 3De voorvragen De dagvaarding is geldig. De rechtbank is bevoegd. De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging. Er is geen reden voor schorsing van de vervolging. 4De beoordeling van het bewijs 4.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie vordert vrijspraak van de primair tenlastegelegde pogingen doodslag tot doodslag dan wel tot zware mishandeling onder feit 2 en 4. De feiten onder 1, 2 subsidiair, 3, 4 subsidiair, 5, en 7 acht zij wel wettig en overtuigend bewezen. Voor feit 6 komt de officier van justitie eveneens tot wettig en overtuigend bewijs, nu - ondanks het afwijkende opgegeven signalement - verdachte op het moment van de vernieling daar was en de overige kenmerken die worden genoemd in het signalement wel overeen komen. 4.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging deelt het standpunt van de officier van justitie dat er voor het primair tenlastegelegde onder feit 2 en 4 vrijspraak dient te volgen. Ook kan hij zich vinden in de bewezenverklaring van feit 1, 2 subsidiair, 3, 4 subsidiair, 5 en 7. De verdediging bepleit vrijspraak van feit 6 gelet op het door aangever [Naam 1] zeer afwijkend opgegeven signalement van verdachte en gelet op het feit dat de broer van verdachte er niks over heeft verklaard. 4.3 Het oordeel van de rechtbank 4.3.1 De bewijsmiddelen De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht. 4.3.2 De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs Vrijspraak Feit 2 en 4 primair Op grond van het dossier is de rechtbank met de officier van justitie en de verdediging van oordeel dat de primair tenlastegelegde pogingen tot doodslag, dan wel tot zware mishandeling, onder feit 2 en feit 4 niet wettig en overtuigend kunnen worden bewezen. Voor beide feiten geldt dat hoe beangstigend de feiten ook zijn geweest, er geen sprake is geweest van een aanmerkelijke kans op de dood, dan wel zwaar lichamelijk letsel van aangevers [Naam 2] en [Naam 3] . In het bijzonder geldt daarbij voor [Naam 2] dat verdachte niet in haar richting met het mes heeft gestoken. Voor [Naam 3] geldt dat verdachte het mes naar beneden gooide en het mes tevens op een grote afstand voor haar voeten terecht kwam. De rechtbank spreekt verdachte hiervan daarom vrij. Feit 6 [Naam 1] (verder: [Naam 1] ) heeft aangifte gedaan van vernieling van haar auto waarbij met een mes op haar auto zou zijn geslagen waardoor er op het spatbord aan de bijrijderszijde een diepe kras zou zijn veroorzaakt. De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of verdachte dit heeft gedaan. Zij zoekt daarvoor aansluiting bij de verklaring van [Naam 4] , de broer van verdachte. [Naam 4] is op 24 augustus 2019 de gehele tijd bij verdachte geweest en met hem meegelopen. In zijn verklaring heeft hij openhartig en daarmee belastend over de gedragingen van zijn broer verklaard. Dat maakt dat de rechtbank zijn verklaring betrouwbaar acht. [Naam 4] verklaart enkel over de vernielingen aan de BMW waarin [Naam 5] bleek te rijden en niet over de tenlastegelegde vernieling onder dit feit. Uit zijn verklaring blijkt dat hij zijn broer, anders dan kort bij het binnen gaan van de [Naam 6] , op straat niet uit het oog is verloren. Wanneer [Naam 4] specifiek wordt bevraagd of verdachte buiten de [Naam 6] nog meer vernielingen heeft gepleegd, antwoordt hij daarop ontkennend. De onder dit feit tenlastegelegde vernieling past dan ook niet in de verklaring van [Naam 4] . Aangever [Naam 1] heeft daarnaast verklaard dat de verdachte een jeansbroek droeg, terwijl verdachte die dag een opvallende korte broek droeg met de kleuren blauw/wit/groen. De rechtbank is gelet op het bovenstaande van oordeel dat dit feit niet wettig en overtuigend kan worden bewezen. Zij spreekt verdachte hiervan vrij. Bewezenverklaring Feit 1 Op grond van de aangifte van [Naam 5] en verklaring van [Naam 4] , is de rechtbank van oordeel dat dit feit wettig en overtuigend is bewezen. Met het gooien van de baksteen door de ruit van de auto heeft verdachte die ruit vernield. Door het steken van het mes in de band van de auto heeft hij die band onbruikbaar gemaakt. Feit 2 subsidiair Gelet op de aangifte van [Naam 2] , de camerabeelden en de verklaring van [Naam 4] stelt de rechtbank vast dat verdachte na binnenkomst bij de [Naam 6] naar een van de kassa’s is gelopen waar [Naam 2] als caissière aan het werk was. Hij had op dat moment een groot keukenmes in zijn hand. Met dit mes heeft hij naar het blikje Red Bull gestoken dat naast [Naam 2] stond. Pas op dat moment zag [Naam 2] ook het grote keukenmes. Vervolgens heeft verdachte de telefoon losgetrokken en naar [Naam 2] gegooid. Op grond hiervan kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden vastgesteld dat verdachte met het mes in de richting van [Naam 2] heeft gezwaaid of gestoken. Van een bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht is dan ook geen sprake. Echter, omdat verdachte de telefoon naar [Naam 2] gooide, nadat zij daarvóór wel het grote keukenmes bij verdachte had gezien, is de rechtbank van oordeel dat daardoor bij haar wel zonder meer de vrees kon bestaan dat verdachte nog meer geweld tegen haar zou gaan gebruiken met in ieder geval mogelijk zwaar lichamelijk letsel tot gevolg. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan bedreiging met zware mishandeling van [Naam 2] en komt zij aldus tot een bewezenverklaring van dit feit. Feit 3 Op grond van de aangifte van [Naam 7] en het proces-verbaal van bevindingen van [Naam 8] , is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte [Naam 7] heeft mishandeld door hem meerdere malen met een stok in zijn nek en op zijn lichaam te slaan. Feit 4 subsidiair Uit de aangifte van [Naam 3] , de verklaring van [Naam 4] en de camerabeelden leidt de rechtbank af dat verdachte op enig moment het keukenmes dat hij in de [Naam 6] bij zich had met kracht heeft weggegooid in de richting van de in-/uitgang van de winkel. Daar bevond zich [Naam 3] (verder: [Naam 3] ) die daar probeerde iedereen de winkel uit te krijgen. Het mes kwam ongeveer twee meter voor [Naam 3] op de grond terecht. Gelet op de overige gedragingen van verdachte in de [Naam 6] die eveneens volgen uit de aangehaalde bewijsmiddelen en waarvan [Naam 3] getuige is geweest, kon naar het oordeel van de rechtbank bij [Naam 3] zonder meer de vrees bestaan dat verdachte nog meer geweld tegen haar zou gaan gebruiken met in ieder geval mogelijk zwaar lichamelijk letsel tot gevolg. De rechtbank komt dan ook tot een bewezenverklaring van bedreiging met zware mishandeling van [Naam 3] . Feit 5 Uit de aangehaalde bewijsmiddelen leidt de rechtbank af dat terwijl [Naam 5] in zijn auto zat, verdachte zijn hand met daarin een groot keukenmes door het open raam van de auto van [Naam 5] heeft gestoken en het mes vervolgens op korte afstand van de keel van die [Naam 5] heeft gehouden. Vervolgens is verdachte de [Naam 6] in gelopen, waar zijn weg die van [Naam 9] (verder: [Naam 9] ) kruiste, die zojuist de winkel uit liep. [Naam 9] zag dat verdachte een mes in zijn hand had en hij haar boos en met een doodse blik aankeek. Zij kreeg vervolgens een harde duw van hem waardoor zij viel. Verdachte bleef haar toen indringend aankijken met het mes in zijn hand. De rechtbank is van oordeel dat deze gedragingen van verdachte bedreigingen van dien aard zijn en onder zodanige omstandigheden zijn geschied, dat bij [Naam 5] en [Naam 9] in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat hij het leven zouden kunnen verliezen, waardoor er sprake is van een bedreiging met een misdrijf tegen het leven gericht. Immers [Naam 5] kon doordat hij in de auto zat geen kant op, toen verdachte het mes op tien centimeter afstand van zijn keel hield. Ook [Naam 9] kon geen kant op doordat zij door de duw van verdachte was gevallen, en verdachte haar indringend bleef aankijken terwijl hij een mes in zijn hand had. De rechtbank leidt verder uit de aangehaalde bewijsmiddelen af dat verdachte vervolgens de [Naam 6] is binnengegaan en daar met zijn mes stekende en zwaaiende bewegingen heeft gemaakt waardoor hij diverse goederen in de winkel heeft vernield. Ook heeft hij met kracht een pak wasmiddel in de richting van [Naam 10] gegooid dat een meter van haar vandaag uit elkaar spatte. Verder heeft hij nog met een bezemsteel een zwaaiende beweging in de richting van [Naam 11] (verder: [Naam 11] ) gemaakt, die op dat moment achter de servicebalie stond. Hij raakte daarbij een kaartenrek. Het gooien van een pak wasmiddel en het zwaaien met een bezemsteel levert naar het oordeel van de rechtbank op zichzelf geen strafrechtelijk relevante bedreiging op. Onder de omstandigheden waaronder verdachte zich met zijn mes in de [Naam 6] gedroeg, kon echter wel de vrees bestaan dat hij nog meer geweld tegen [Naam 10] en/of [Naam 11] zou gaan gebruiken met in ieder geval mogelijk zwaar lichamelijk letsel tot gevolg. De rechtbank acht ten aanzien van [Naam 10] en [Naam 11] dan ook een bedreiging met zware mishandeling wettig en overtuigend bewezen. De rechtbank spreekt verdachte vrij van de bedreiging van [Naam 12] nu uit het dossier niet is gebleken dat verdachte bedreigende gedragingen in haar richting heeft gepleegd. Feit 7 Op grond van de aangifte van [Naam 13] en het schadeoverzicht dat bij het voegingsformulier is gevoegd, de verklaring van verdachte en de verklaring van [Naam 4] is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte de tenlastegelegde vernielingen in de [Naam 6] heeft gepleegd zoals hieronder onder 4.4. nader opgenomen. 4.4 De bewezenverklaring De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte 1. op 24 augustus 2019 te Waalwijk opzettelijk en wederrechtelijk de ruit en de band van een auto, die aan [Naam 14] , toebehoorde, heeft vernield en/of onbruikbaar heeft gemaakt; 2. subsidiair op 24 augustus 2019 te Waalwijk [Naam 2] heeft bedreigd met zware mishandeling, door een telefoon in de richting van die [Naam 2] te gooien; 3. op 24 augustus 2019 te Waalwijk [Naam 7] brigadier werkzaam bij politie Zeeland West Brabant heeft mishandeld door die [Naam 7] voornoemd meerdere malen met kracht met een stok in de nek en/of op het lichaam te slaan; 4. subsidiair op 24 augustus 2019 te Waalwijk, [Naam 3] heeft bedreigd met zware mishandeling, door met kracht een mes in de richting van die [Naam 3] te gooien; 5. op 24 augustus 2019 te Waalwijk [Naam 5] en [Naam 11] en [Naam 10] en [Naam 9] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door: - een mes op korte afstand van de keel van die [Naam 5] te houden en/of - de [Naam 6] , gelegen aan het [Straatnaam 1] binnen te gaan, alwaar die [Naam 11] en [Naam 10] en [Naam 9] werkzaam/aanwezig waren en/of - vervolgens met een mes stekende en/of zwaaiende bewegingen te maken en/of - met een bezemsteel een zwaaiende beweging te maken in de richting van die [Naam 11] en/of - een pak wasmiddel, met kracht in de richting van die [Naam 10] te gooien en/of - die [Naam 9] -terwijl hij, verdachte, in zijn ene hand een mes vast had- met zijn verdachtes andere hand een harde duw te geven, ten gevolge waarvan die [Naam 9] ten val kwam; 7. op 24 augustus 2019 te Waalwijk opzettelijk en wederrechtelijk koelingen en vier schermen en twee pilaren en een plafond en een muur en een telefoon en meerdere winkelgoederen, die aan [Naam 6] toebehoorden, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt. Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad. De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. 5De strafbaarheid van verdachte. De officier van justitie en de verdediging hebben zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging op grond van het psychiatrisch onderzoek van 14 mei 2020 door psychiater dr. D.J. Vinkers en het psychologisch onderzoek van 22 mei 2020 door GZ-psycholoog prof. dr. F. Koenraadt. De rechtbank sluit zich daarbij aan en overweegt daartoe als volgt. In de hierboven genoemde Pro Justitia rapporten komt zowel de psychiater als de psycholoog tot de conclusie dat verdachte ten tijde van het bewezenverklaarde leed aan een ziekelijke stoornis en/of gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens. Ten tijde van de strafbare feiten was er sprake van schizofrenie van het paranoïde type en misbruik van cannabis in vroege volledige remissie. Hierdoor verkeerde hij ten tijde van de tenlastegelegde feiten in een psychose waardoor hij niet meer in staat was om zijn gedrag op een redelijke manier te reguleren. De tenlastegelegde (thans bewezenverklaarde) feiten kunnen hem dan ook volgens de deskundigen niet worden toegerekend. De rechtbank neemt deze (gemotiveerde) conclusies over en maakt deze tot de hare. Dit betekent dat de verdachte niet strafbaar zal worden verklaard voor de bewezenverklaarde feiten en zal worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Overwegingen ten aanzien van oplegging van een maatregel De officier van justitie en de verdediging hebben zich hierover op het standpunt gesteld dat er aan verdachte geen verdere maatregel moet worden opgelegd nu er op 29 april 2020 reeds een zorgmachtiging is afgegeven. De rechtbank sluit zich hierbij aan en overweegt daartoe als volgt. De deskundigen bevelen in hun rapporten aan om verdachte klinisch te behandelen binnen het kader van een zorgmachtiging overeenkomstig de Wet verplichte GGZ. Behandeling in de residentiële forensische GGZ is noodzakelijk om een voldoende duurzaam effect te kunnen bewerkstelligen. Een advies tot oplegging van de maatregel terbeschikkingstelling is overwogen maar van afgezien wegens het beperkte strafblad, de jonge leeftijd van verdachte en omdat er nog onvoldoende andere behandelmodaliteiten zijn geprobeerd. Gelet op deze conclusies van de deskundigen en het gegeven dat de zorgmachtiging als bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, Wet forensische zorg (Wfz) en artikel 6:4 Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz) reeds op 29 april 2020 is afgegeven, is de rechtbank van oordeel dat er geen verdere maatregel aan verdachte dient te worden opgelegd. Zij zal daarom volstaan met de beslissing dat verdachte wordt ontslagen van alle rechtsvervolging. 6De benadeelde partijen 6.1 Ontvankelijkheid Artikel 361, tweede lid, Wetboek van Strafvordering bepaalt onder andere dat de benadeelde partij alleen ontvankelijk is in haar vordering indien de verdachte enige straf of maatregel wordt opgelegd, dan wel in geval van toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht, de zogenaamde schuldig verklaring zonder straf. Een ontslag van alle rechtsvervolging behoort daar niet toe. Toch oordeelt de rechtbank dat de benadeelde partijen ontvankelijk zijn in hun vorderingen en overweegt daartoe als volgt. Op 1 januari 2020 is artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht -de maatregel van plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis bij volledige ontoerekeningsvatbaarheid- komen te vervallen. Met ingang van diezelfde datum is de Wet Forensische Zorg in werking getreden. Met het afgeven van een zorgmachtiging door de strafrechter wordt hetzelfde doel nagestreefd als met de maatregel van een opname in een psychiatrisch ziekenhuis als bedoeld in het vervallen artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht, namelijk ervoor zorgen dat verdachte verplichte zorg krijgt, waardoor kort gezegd het risico van gevaar voor de (algemene) veiligheid van personen of goederen wordt afgewend. Omdat de rechtbank met het afgeven van de zorgmachtiging op 29 april 2020 een equivalent van de vervallen maatregel op basis van artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht heeft verstrekt, is zij van oordeel dat de benadeelde partijen ontvankelijk zijn in hun vorderingen en de rechtbank ook een schadevergoedingsmaatregel kan opleggen, indien aan de overige voorwaarden is voldaan. De rechtbank gaat ervan uit dat de wetgever door de invoering van de zorgmachtiging niet heeft bedoeld een wijziging aan te brengen in de positie van de benadeelde partij. 6.2 De vorderingen [Naam 5] De benadeelde partij [Naam 5] vordert een schadevergoeding van € 3.442,07 voor feit 1 en 5, bestaande uit een bedrag van € 2.442,07 voor materiële schade en een bedrag van € 1.000,- voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente. Daarnaast vordert hij oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Materiële schade De gevorderde materiële schade bestaat uit de volgende posten: - reparatie auto € 1.576,71 - herstelkosten autoruit € 409,02 - taxatiekosten schaderapport € 150,- - medicatie € 33,94 - tegemoetkoming opname verlofuren € 272,40 De eerste drie posten zien op de schade die aan de auto is toegebracht. Uit het dossier blijkt dat deze auto toebehoorde aan [Naam 14] , de vader van [Naam 5] . Daarmee is [Naam 14] als degene aan te merken die rechtstreekse schade heeft geleden van dit feit en die op grond van artikel 51f van het Wetboek van Strafvordering hiervoor een vordering in het strafproces kan indienen. [Naam 5] kan daarom niet voor deze schade als benadeelde partij worden aangemerkt. De rechtbank verklaart hem dan ook voor deze posten niet-ontvankelijk in zijn vordering. Voor de posten medicatie en tegemoetkoming opname verlofuren kan [Naam 5] wel als benadeelde partij worden aangemerkt. De rechtbank is daarover van oordeel dat de schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 5 bewezen verklaarde feit en acht verdachte aansprakelijk voor die schade. Het gevorderde is ook voldoende aannemelijk gemaakt, zodat deze posten kunnen worden toegewezen. Immateriële schade De rechtbank is van oordeel dat de gevorderde immateriële schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 1 bewezen verklaarde feit. Zij acht het gevorderde bedrag ook voldoende aannemelijk gemaakt. Naar haar oordeel is verdachte aansprakelijk voor deze schade waardoor zij het gevorderde zal toewijzen. Met betrekking tot de toegekende vordering benadeelde partij zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen. Tevens zal de gevorderde wettelijke rente worden toegewezen vanaf het tijdstip waarop het feit werd gepleegd. [Naam 2] De benadeelde partij [Naam 2] vordert een schadevergoeding van € 996,94 voor feit 2, bestaande uit een bedrag van € 146,94 wegens materiële schade en een bedrag van € 850,- wegens immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente. Daarnaast vordert zij oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De rechtbank is van oordeel dat de schade een rechtstreeks gevolg is van dit bewezen verklaarde feit en acht verdachte aansprakelijk voor die schade. Het gevorderde is ook voldoende aannemelijk gemaakt, zodat de vordering zal worden toegewezen. Met betrekking tot de toegekende vordering benadeelde partij zal de rechtbank tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen. Tevens zal de gevorderde wettelijke rente worden toegewezen vanaf het tijdstip waarop het feit werd gepleegd. [Naam 7] De benadeelde partij [Naam 7] vordert een schadevergoeding van € 450,- voor feit 3 wegens immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente. Daarnaast vordert hij oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De rechtbank is van oordeel dat de schade een rechtstreeks gevolg is van dit bewezen verklaarde feit en acht verdachte aansprakelijk voor die schade. Het gevorderde is ook voldoende aannemelijk gemaakt, waardoor de rechtbank in hetgeen de verdediging heeft aangevoerd geen reden ziet om dit te matigen. De rechtbank ziet evenmin aanleiding om de vordering te matigen omdat [Naam 7] een getrainde politieagent is. Van een politieagent kan een bepaalde mate van hardheid worden verwacht om zijn taak te kunnen vervullen, maar dat staat er niet aan in de weg dat zij schade kunnen lijden en deze schade als benadeelde partij bij verdachte, als veroorzaker van die schade, kunnen verhalen. De rechtbank wijst de vordering toe. Met betrekking tot de toegekende vordering benadeelde partij zal de rechtbank tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen. Tevens zal de gevorderde wettelijke rente worden toegewezen vanaf het tijdstip waarop het feit werd gepleegd. [Naam 9] De benadeelde partij [Naam 9] vordert een schadevergoeding van € 1.077,- voor feit 5, bestaande uit een bedrag van € 577,- wegens materiële schade en een bedrag van € 500,- wegens immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente. Daarnaast vordert zij oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Materiële schade De gevorderde materiële schade bestaat uit de volgende schadeposten: - Eigen risico 2019 röntgenfoto’s € 88,- - Eigen risico 2020 [Naam 15] € 385,- - Reiskosten € 104,- Uit de bij de vordering bijgesloten onderbouwing en bijlagen blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat voornoemde schadeposten een rechtstreeks gevolg zijn van dit bewezen verklaarde feit en zij acht verdachte aansprakelijk voor die schade. Deze posten zijn ook voldoende aannemelijk gemaakt. Alle drie de posten zijn immers met bijlagen onderbouwd. Specifiek voor het eigen risico van 2020 blijkt hier ook uit wat de kosten van het [Naam 15] zijn en dat deze ten koste van het eigen risico zullen gaan en het eigen risico ook zullen overschrijden. Op grond hiervan is de rechtbank van oordeel dat de gevorderde materiële schade geheel toewijsbaar is. Immateriële schade De rechtbank is van oordeel dat de gevorderde immateriële schade een rechtstreeks gevolg is van dit bewezenverklaarde feit en acht verdachte aansprakelijk voor die schade. Het gevorderde is voldoende aannemelijk gemaakt, zodat de gevorderde immateriële schade zal worden toegewezen. Met betrekking tot de toegekende vordering benadeelde partij zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen. Tevens zal de gevorderde wettelijke rente worden toegewezen vanaf het tijdstip waarop het feit werd gepleegd. [Naam 12] De benadeelde partij [Naam 12] vordert een schadevergoeding van € 590,95 voor feit 5 wegens materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente. Daarnaast vordert zij oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De verdachte is echter vrijgesproken van de bedreiging jegens [Naam 12] De rechtbank zal daarom de vordering van de benadeelde partij afwijzen. [Naam 1] De benadeelde partij [Naam 1] vordert een schadevergoeding van € 5.000,- voor feit 6 wegens immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Verdachte is echter vrijgesproken van het feit waaruit de schade zou zijn ontstaan. De rechtbank zal daarom de vordering van de benadeelde partij afwijzen. [Naam 6] De benadeelde partij [Naam 6] , vertegenwoordigt door [Naam 13] , vordert een schadevergoeding van € 6.858,34 voor feit 7 wegens materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente. Daarnaast vordert hij oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Vertegenwoordigingsbevoegdheid Op grond van artikel 51f, eerste lid, Sv kan degene die rechtstreekse schade heeft geleden door een strafbaar feit zich voor zijn vordering tot schadevergoeding als benadeelde partij voegen in het strafproces. In dit geval is dat de rechtspersoon [Naam 6] . Bij het invullen van het voegingsformulier en ter terechtzitting is voor deze rechtspersoon [Naam 13] als gemachtigde dan wel vertegenwoordiger opgetreden. Dat hij volgens de wet of statuten daartoe bevoegd zou zijn, is niet met stukken zoals een uittreksel uit het register van de [Naam 16] onderbouwd. De verdediging heeft op grond daarvan betwist dat [Naam 13] daartoe gerechtigd zou zijn. Van een gemotiveerde betwisting is naar het oordeel van de rechtbank echter geen sprake. Ook is niet aangevoerd welk concreet bezwaar er tegen de vertegenwoordigingsbevoegdheid van [Naam 13] bestaat. Nu [Naam 13] ter zitting tevens uitleg heeft gegeven dat hij vertegenwoordigingsbevoegd is en dit eveneens valt af te leiden uit de aangifte, is de rechtbank van oordeel dat het verweer van de verdediging moet worden verworpen en [Naam 13] aangemerkt kan worden als vertegenwoordigingsbevoegd van [Naam 6] . De gevorderde schade Over de gevorderde schade is de rechtbank van oordeel dat dit een rechtstreeks gevolg is van dit bewezenverklaarde feit. Dat geldt ook voor de schade aan het plafond en de muur. Zij acht verdachte aansprakelijk voor die schade. Het gevorderde is ook voldoende aannemelijk gemaakt, waarbij voor het plafond en muur geldt dat er schadebeperkend is gehandeld door de reparatie zelf uit te voeren en door platen te gebruiken die al eerder waren aangeschaft. Dat de reparatie zelf is uitgevoerd en de platen eerder waren aangeschaft, maakt niet dat er geen kosten zijn gemaakt. De vordering kan dan ook worden toegewezen. Met betrekking tot de toegekende vordering benadeelde partij zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen. Tevens zal de gevorderde wettelijke rente worden toegewezen vanaf het tijdstip waarop het feit werd gepleegd. 7De vordering tot tenuitvoerlegging De officier van justitie heeft gevorderd dat de voorwaardelijke straf van 12 dagen jeugddetentie die aan verdachte is opgelegd bij vonnis van 26 juni 2018 ten uitvoer zal worden gelegd. Ter zitting heeft zij haar vordering aangepast in die zin dat zij heeft gevorderd de vordering af te wijzen maar wel de proeftijd te verlengen en de bijzondere voorwaarden te wijzigen zoals geadviseerd in het reclasseringsrapport van 19 november 2019. De verdediging heeft geen bezwaar tegen een verlenging, maar wel tegen de wijziging van de bijzondere voorwaarden nu deze, met uitzondering van de meldplicht, ook reeds in het kader van de zorgmachtiging kunnen worden meegenomen. Bepleit wordt dan ook om de voorgestelde voorwaarden met uitzondering van de meldplicht niet mee te nemen. De rechtbank stelt vast dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig heeft gemaakt aan nieuwe strafbare feiten. Daarmee heeft hij de algemene voorwaarde overtreden die is verbonden aan de voorwaardelijke straf die aan hem op 26 juni 2018 is opgelegd. Gelet hierop is de vordering tot tenuitvoerlegging voor toewijzing vatbaar. De rechtbank zal hiertoe echter niet besluiten en de vordering afwijzen omdat zij dit gelet op de reeds afgegeven zorgmachtiging niet opportuun acht. Wel is zij van oordeel dat een verlenging van de proeftijd met een jaar op zijn plaats is waarbij het noodzakelijk is om de op 26 juni 2018 aan verdachte opgelegde bijzondere voorwaarden te wijzigen, zoals door de officier van justitie gevorderd en zoals hierna opgenomen. Zij overweegt daartoe dat het verloop van de behandeling in het kader van de zorgmachtiging aan de GGZ is en niet aan de rechtbank of het Openbaar Ministerie. Daarom acht zij het van belang dat deze voorwaarden in ieder geval via de voorwaardelijke straf van kracht zijn. 8De wettelijke voorschriften De beslissing berust op de artikelen 36f, 285, 300, 350 van het Wetboek van Strafrecht. 9De beslissing De rechtbank: Vrijspraak - spreekt verdachte vrij van de onder 2 primair, 4 primair en 6 tenlastegelegde feiten; Bewezenverklaring - verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven; - spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd; - verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert: Feit 1: Opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen en/of onbruikbaar maken; Feit 2: Bedreiging met zware mishandeling; Feit 3: Mishandeling; Feit 4: Bedreiging met zware mishandeling; Feit 5: Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, meermalen gepleegd; Feit 7: Opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen en/of beschadigen en/of onbruikbaar maken; - verklaart verdachte niet strafbaar voor het bewezen verklaarde en ontslaat verdachte van alle rechtsvervolging; Benadeelde partijen [Naam 5] - veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [Naam 5] van € 1.306,34, waarvan € 306,34 ter zake van materiële schade en € 1.000,- ter zake van immateriële schade; - veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil; - verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat de vordering voor dat gedeelte bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht; - legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [Naam 5] (feit 1), € 1.306,34 te betalen; - bepaalt dat bij niet betaling 26 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft; - bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd; en vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 24 augustus 2019 tot aan de dag der algehele voldoening. [Naam 2] - veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [Naam 2] van € 996,94 waarvan € 146,94 ter zake van materiële schade en € 850,- ter zake van immateriële schade; - veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil; - legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [Naam 2] (feit 2), € 996,94 te betalen; - bepaalt dat bij niet betaling 19 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft; - bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd; en vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 24 augustus 2019 tot aan de dag der algehele voldoening. [Naam 7] - veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [Naam 7] van € 450,- ter zake van immateriële schade; - veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil; - legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [Naam 7] (feit 3), € 450,- te betalen; - bepaalt dat bij niet betaling 9 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft; - bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd; en vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 24 augustus 2019 tot aan de dag der algehele voldoening. [Naam 9] - veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [Naam 9] van € 1.077,- waarvan € 577,- ter zake van materiële schade en € 500,- ter zake van immateriële schade; - veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil; - legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [Naam 9] (feit 5), € 1.077,- te betalen; - bepaalt dat bij niet betaling 21 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft; - bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd; en vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 24 augustus 2019 tot aan de dag der algehele voldoening. [Naam 12] - wijst de vordering van de benadeelde partij [Naam 12] af; [Naam 1] - wijst de vordering van de benadeelde partij [Naam 1] af; [Naam 6] - veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [Naam 6] van € 6.858,34 ter zake van materiële schade; - veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil; - legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [Naam 6] (feit 7), € 6.858,34 te betalen; - bepaalt dat bij niet betaling 69 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft; - bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd; en vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 24 augustus 2019 tot aan de dag der algehele voldoening. Vordering tenuitvoerlegging - wijst de vordering tot tenuitvoerlegging af; - verlengt de proeftijd met één jaar; - wijzigt de aan veroordeelde opgelegde bijzondere voorwaarden in die zin dat de bijzondere voorwaarden die op 26 juni 2018 zijn opgelegd, worden vervangen door: * dat verdachte zich binnen 48 uur na aanvang van de schorsing meldt bij Reclassering Nederland regio Zuid via 088-8041505 en zich daarna blijft melden op afspraken met de reclassering zal blijven melden, zo lang en zo frequent als de reclassering dat noodzakelijk acht (maximaal tot het einde van de proeftijd). Verdachte verleent zijn medewerking aan het reclasseringstoezicht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen; * dat verdachte zich gedurende de proeftijd onder behandeling zal stellen van GGZ Breburg of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. Verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Het innemen van medicijnen kan onderdeel zijn van de behandeling; * dat verdachte gedurende de proeftijd meewerkt aan de intakeprocedure voor begeleid wonen en verblijft in een instelling voor beschermd wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering, indien geïndiceerd. Verdachte houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering voor hem heeft opgesteld; * dat verdachte meewerkt aan controle van het gebruik van alcohol/drugs om het middelengebruik te beheersen. De reclassering kan daarvoor urineonderzoek of ademonderzoek (blaastest) gebruiken. De reclassering bepaalt hoe vaak verdachte wordt gecontroleerd. Verdachte houdt zich aan de afspraken met de reclassering met betrekking tot het druggebruik. - heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte. Dit vonnis is gewezen door mr. De Brouwer, voorzitter, mr. De Weert en mr. Voorn, rechters, in tegenwoordigheid van mr. De Jonge, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 9 juli 2020. Mr. De Weert en mr. Voorn zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen. Bijlage I De tenlastelegging Aan verdachte is tenlastegelegd dat: Feit 1 hij op of omstreeks 24 augustus 2019 te Waalwijk opzettelijk en wederrechtelijk (de ruit en/of de band van) een auto, in elk geval enig(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.