← Nederland

ECLI:NL:RBZWB:2020:3023

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Bestuursrecht zaaknummer: BRE 19/6148 WSFBSF proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van 6 juli van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser], te [plaatsnaam], eiser, en de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (DUO), verweerder. Procesverloop In het besluit van 31 augustus 2017 heeft de minister eiser medegedeeld dat hij over het jaar 2015 maximaal € 13.856,11 mocht bijverdienen en dat eiser € 1.227,89 te veel heeft bijverdiend. Dit bedrag moet eiser terugbetalen. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt. In het besluit van 19 november 2019 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Breda op 6 juli

  1. Eiser is hierbij aanwezig geweest. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.J.M. Naber. Na sluiting van het onderzoek ter zitting heeft de rechtbank mondeling uitspraak gedaan. Overwegingen
  2. Het gaat in dit geschil om de vraag of de minister terecht een bedrag van € 1.227,89 van eiser terugvordert.
  3. In artikel 3.17, eerste lid, van de Wsf 2000 staat het volgende: Indien een deelnemer in een kalenderjaar meerinkomen heeft, leidt dit tot een vordering van Onze Minister op de deelnemer. Meerinkomen is het toetsingsinkomen, verminderd met een vrije voet naar de maatstaf van 1 januari 2015 van € 13.856,
  4. Dat betekent in beginsel dat de minister terecht het bedrag boven die vrije voet van eiser terugvordert.
  5. Eiser voert aan dat hij in 2015 ten onrechte studiefinanciering voor een thuiswonende in plaats van een uitwonende ontving en daardoor extra heeft moeten werken om rond te kunnen komen. De rechtbank is ambtshalve bekend met de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 18 januari 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:
  6. In die uitspraak heeft eiser gelijk gekregen en hierdoor heeft hij pas in 2017 alsnog het juiste bedrag aan studiefinanciering ontvangen voor
  7. Eiser vind het onredelijk dat hij door de fout van de minister het bedrag boven de bijverdiengrens moet terugbetalen. Eiser doet hiermee een beroep op de hardheidsclausule van artikel 11.
  8. Eiser stelt terecht dat hij door een fout van de minister in de problemen is geraakt. Eiser heeft dit zelf opgelost door extra te werken. Volgens de minister had eiser niet extra hoeven te werken omdat hij om uitbetaling van de hem ook als studiefinanciering toegekende lening had kunnen vragen. Het is echter niet redelijk van eiser te verlangen dat hij door het afnemen van een lening een schuld aan de minister moet opbouwen door een fout van de minister. Bovendien is het bedrag dat eiser boven de bijverdiengrens heeft verdiend beperkt. Het beroep op de hardheidsclausule slaagt. Dit betekent dat artikel 3.17, eerste lid, van de Wsf 2000 buiten toepassing moet blijven en geen grond bestaat voor de terugvordering. Het beroep slaagt, het bestreden besluit is ondeugdelijk gemotiveerd en zal worden vernietigd.
  9. De rechtbank ziet aanleiding zelf in de zaak te voorzien. De rechtbank zal het besluit van 31 augustus 2019 herroepen, waardoor de terugvordering vervalt.
  10. Omdat het beroep gegrond is moet de minister aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoeden. Er zijn geen voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt het bestreden besluit; - herroept het besluit van 31 augustus 2019; - bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit; - draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 47,- aan eiser te vergoeden. Deze uitspraak is gedaan door mr. P.H.J.G. Römers, rechter, in aanwezigheid van R.V. van Vliet, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 juli
  11. griffier rechter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending van dit proces-verbaal hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.