RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Strafrecht Zittingsplaats: Middelburg parketnummer: 02/821303-18 vonnis van de meervoudige kamer van 30 juli 2020 in de strafzaak tegen de ten tijde van de feiten minderjarige [verdachte] , geboren op [geboortedag] 2000 te [geboorteplaats] , wonende te [adres 1] , raadsvrouw mr. S. van Steenberge, advocaat te Terneuzen. 1Onderzoek van de zaak De zaak is inhoudelijk behandeld met gesloten deuren op de zitting van 16 juli 2020, waarbij de officier van justitie mr. Rammeloo en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. 2De tenlastelegging Aan verdachte is ten laste gelegd dat hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 13 september 2017 tot en met 1 november 2018 te Hengstdijk, Kloosterzande, Walsoorden, Vogelwaarde, gemeente Hulst, en/of Overslag, gemeente Terneuzen, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, telkens opzettelijk brand heeft/hebben gesticht, door - op of omstreeks 13 september 2017 te Walsoorden, gemeente Hulst, open vuur in aanraking te brengen met spiritus/benzine en/of een aanmaakblokje, althans met een brandbare stof, ten gevolge waarvan een autobus (Bova kenteken [kenteken 1] ) geheel of gedeeltelijk is verbrand (zaak 7), en/of - op of omstreeks 20 november 2017 te Walsoorden, gemeente Hulst, open vuur in aanraking te brengen met benzine en/of spiritus, althans met een brandbare stof, ten gevolge waarvan een touringcar (VDL kenteken [kenteken 5] ) geheel of gedeeltekijk is verbrand (zaak 8), en/of - op of omstreeks 7 januari 2018 te Kloosterzande, gemeente Hulst, openvuur in aanraking te brengen met spiritus, althans een brandbare stof, ten gevolge waarvan een schuurtje gelegen aan de [adres 2] geheel of gedeeltelijk is verbrand ( zaak 9), en/of - op of omstreeks 3 /4 februari 2018 te Kloosterzande, gemeente Hulst, open vuur in aanraking te brengen met het rechterachterwiel van een personenauto (Renault kenteken [kenteken 2] ), althans met een brandbare stof, ten gevolge waarvan dat wiel en/of de band van die personenauto geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand (zaak 13), en/of - op of omstreeks 4 februari 2018 te Kloosterzande, gemeente Hulst, open vuur in aanraking te brengen met de grill/voorbumper van een personenauto (Renault kenteken [kenteken 2] ), althans met een brandbare stof, ten gevolge waarvan die personenauto geheel of gedeeltelijk is verbrand (zaak 14), en/of - op of omstreeks 14/15 februari 2018 te Kloosterzande, gemeente Hulst, open vuur in aanraking te brengen met spiritus en/of een aanmaakblokje, althans een brandbare stof, ten gevolge waarvan een bestelbus (Opel kenteken [kenteken 3] ) geparkeerd aan de Leliestraat geheel of gedeeltelijk is verbrand (zaak 18), en/of - op of omstreeks 23 maart 2018 te Kloosterzande, gemeente Hulst, open vuur in aanraking te brengen met spiritus, althans een brandbare stof, ten gevolge waarvan een container gelegen in de Hyacintstraat en/of de goederen in die container geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand (zaak 22), en/of - op of omstreeks 22 mei 2018 te Overslag, gemeente Terneuzen, open vuur in aanraking te brengen met benzine, althans een brandbare stof, ten gevolge waarvan een vrachtwagen (Mercedes kenteken [kenteken 4] ) geheel of gedeeltelijk is verbrand (zaak 30), en/of - op of omstreeks 28 september 2018 te Vogelwaarde, gemeente Hulst, open vuur in aanraking te brengen met hooi, althans een brandbare stof, ten gevolge waarvan een schuur gelegen aan de [adres 3] geheel of gedeeltelijk is verbrand (zaak 36), en/of - op of omstreeks 1 november 2018 te Vogelwaarde, gemeente Hulst, open vuur in aanraking te brengen met benzine en/of kranten gelegen op houten planken/pallets in een tuin aan de Wilgenstraat, althans met een brandbare stof, ten gevolge waarvan die planken/pallets zijn verbrand (zaak 37), en/of in elk geval telkens brand is ontstaan en daarvan gemeen gevaar voor de bovengenoemde goederen, in elk geval gemeen gevaar voor goederen, te duchten was; en/of hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 9 februari 2018 tot en met 19 februari 2018 Kloosterzande, gemeente Hulst, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, telkens opzettelijk brand heeft/hebben gesticht, door - op of omstreeks 9 februari 2018 te Kloosterzande, gemeente Hulst, open vuur in aanraking te brengen met een doek en/of spiritus, althans net een brandbare stof, ten gevolge waarvan een schuur gelegen aan de [adres 2] en/of een overkapping aan die schuur en/of goederen in/om die schuur en/of de ramen van de woning en/of de schuur gelegen aan de [Straatnaam] geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand (zaak 15 en 16), en/of - op of omstreeks 19 februari 2018 te Kloosterzande, gemeente Hulst, open vuur in aanraking te brengen met een doek en/of spiritus en/of kranten, althans met een brandbare stof, ten gevolge waarvan die kranten en/of de woning gelegen aan de [adres 2] en/of de goederen in die woning geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, waarvan gemeen gevaar voor personen te duchten was (zaak 21), in elk geval brand is ontstaan, en daarvan gemeen gevaar voor bovengenoemde goederen, in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar voor personen in de belendende woningen, in elk geval levensgevaar voor een ander of anderen en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor die personen, in elk geval gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen te duchten was. 3De voorvragen De dagvaarding is geldig. De rechtbank is bevoegd. De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging. Er is geen reden voor schorsing van de vervolging. 4De beoordeling van het bewijs 4.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte alle aan hem ten laste gelegde brandstichtingen heeft begaan, waarbij gemeen gevaar voor goederen te duchten was (eerste cumulatief) en gemeen gevaar voor goederen en/of personen (tweede cumulatief). Hij baseert zich daarbij op de bewijsmiddelen in het dossier en de bekennende verklaringen van verdachte. 4.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging is van mening dat de rechtbank tot een bewezenverklaring kan komen van de aan verdachte ten laste gelegde brandstichtingen, gelet op zijn verklaringen. Voor wat betreft de kwalificatie van het handelen van verdachte refereert zij zich aan het oordeel van de rechtbank. Met betrekking tot het onder het eerste cumulatief ten laste gelegde zevende gedachtestreepje (zaak 22) betwijfelt zij of er gemeen gevaar voor goederen te duchten was. Zij wijst daarbij op het proces-verbaal brandonderzoek waarin staat dat dit gevaar er niet was. 4.3 Het oordeel van de rechtbank Vrijspraak [naam 1] heeft aangifte gedaan van brandstichting. Op 23 maart 2018 stond de container waar de inboedel van zijn woning in lag, in brand. Verdachte heeft bekend dat hij deze brand heeft gesticht. [naam 2] heeft tegen hem gezegd dat de spullen van [naam 1] in deze container zaten en gaf hem een doek en spiritus. Verdachte heeft vervolgens een brandende doek en een fles spiritus in de container gedaan. De goederen in de container zijn als gevolg van de brand aangetast. De rechtbank stelt op grond van het voorgaande vast dat verdachte - samen met [naam 2] -de brand in de container heeft veroorzaakt. Voor een bewezenverklaring van brandstichting is echter vereist dat door de brand gemeen gevaar voor goederen is ontstaan. De forensisch onderzoeker heeft opgeschreven dat dit niet het geval is geweest. De container stond in een parkeervak in een straat met aan beide zijden woningen, zo blijkt uit het dossier. De rechtbank heeft echter noch op basis van het dossier noch anderszins kunnen vaststellen wat de exacte afstand tussen de in brand gestoken container en de woningen dan wel andere goederen is geweest. Zij is daarom van oordeel dat er, mede gezien de conclusies van het forensisch onderzoek, onvoldoende bewijs is dat er als gevolg van deze brandstichting gemeen gevaar voor goederen is geweest. Verdachte zal ten aanzien van dit onderdeel van de tenlastelegging worden vrijgesproken. Bewezenverklaring Eerste cumulatief ten laste gelegde Aangezien verdachte ten aanzien van de onder het eerste cumulatief ten laste gelegde feiten een bekennende verklaring heeft afgelegd en ter zake daarvan (voor het overige) geen vrijspraak is bepleit, zal worden volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering en acht de rechtbank die feiten wettig en overtuigend bewezen, gelet op: - de bekennende verklaring van verdachte afgelegd tijdens de zitting van 16 juli 2020, en ten aanzien van zaak 7 - de aangifte van [naam 3]; - de verklaring van verdachte afgelegd bij de politie; ten aanzien van zaak 8 - de aangifte van [naam 3]; - het proces-verbaal waaruit onder andere blijkt dat door de brand sprake was van gemeen gevaar voor goederen; - de verklaring van verdachte afgelegd bij de politie; ten aanzien van zaak 9 - de aangifte van [naam 1]; - de verklaring van verdachte afgelegd bij de politie; ten aanzien van zaak 13 - de aangifte van [naam 4]; - het proces-verbaal waaruit onder andere blijkt dat door de brand sprake was van gemeen gevaar voor goederen; - de verklaring van verdachte afgelegd bij de politie; ten aanzien van zaak 14 - de aangifte van [naam 4]; - het proces-verbaal waaruit onder andere blijkt dat door de brand sprake was van gemeen gevaar voor goederen; - de verklaring van verdachte afgelegd bij de politie; ten aanzien van zaak 18 - de aangifte van [naam 5]; - het proces-verbaal waaruit onder andere blijkt dat door de brand sprake was van gemeen gevaar voor goederen; - de verklaring van verdachte afgelegd bij de politie; ten aanzien van zaak 30 - de aangifte van [naam 6]; - het proces-verbaal waaruit onder andere blijkt dat door de brand sprake was van gemeen gevaar voor goederen; - de verklaring van verdachte afgelegd bij de politie; ten aanzien van zaak 36 - de aangifte van [naam 8]; - de verklaring van verdachte afgelegd bij de politie; ten aanzien van zaak 37 - de aangifte van [naam 1]; - de verklaring van verdachte afgelegd bij de politie. Bewijsoverweging gemeen gevaar voor goederen ten aanzien van zaak 7, 9, 36 en 37 De rechtbank stelt vast dat verdachte en [naam 2] brand hebben gesticht in een touringcar, terwijl daarnaast twee vrachtwagens stonden geparkeerd, en in schuren die vlakbij een woning waren gelegen en dat zij planken/pallets in een tuin van een woning in brand hebben gestoken. Zij is van oordeel dat aldus door deze brandstichtingen gemeen gevaar voor goederen te duchten was. Tweede cumulatief ten laste gelegde Aangezien verdachte ten aanzien van de onder het tweede cumulatief ten laste gelegde feiten een bekennende verklaring heeft afgelegd en ter zake daarvan geen vrijspraak is bepleit, zal worden volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering en acht de rechtbank dat feit wettig en overtuigend bewezen, gelet op: - de bekennende verklaring van verdachte afgelegd tijdens de zitting van 16 juli 2020, en ten aanzien van zaak 15 en 16 - de aangifte van [naam 1]; - de aangifte van [naam 9] - het proces-verbaal waaruit onder andere blijkt dat door de brand sprake was van gemeen gevaar voor goederen en/of personen; - de verklaring van verdachte afgelegd bij de politie; ten aanzien van zaak 21 - de aangifte van [naam 1]; - het proces-verbaal waaruit onder andere blijkt dat door de brand sprake was van gemeen gevaar voor goederen en/of personen is ontstaan; - de verklaring van verdachte afgelegd bij de politie. 4.4 De bewezenverklaring De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op tijdstippen in de periode van 13 september 2017 tot en met 1 november 2018 te Hengstdijk, Kloosterzande, Walsoorden, Vogelwaarde, gemeente Hulst, en Overslag, gemeente Terneuzen, tezamen en in vereniging met een ander telkens opzettelijk brand heeft gesticht, door - op 13 september 2017 te Walsoorden, gemeente Hulst, open vuur in aanraking te brengen met benzine en een aanmaakblokje, ten gevolge waarvan een autobus (Bova kenteken [kenteken 1] ) geheel is verbrand, en - op 20 november 2017 te Walsoorden, gemeente Hulst, open vuur in aanraking te brengen met benzine, ten gevolge waarvan een touringcar (VDL kenteken [kenteken 5] ) gedeeltelijk is verbrand, en - op 7 januari 2018 te Kloosterzande, gemeente Hulst, open vuur in aanraking te brengen met spiritus, ten gevolge waarvan een schuurtje gelegen aan de [adres 2] gedeeltelijk is verbrand, en - omstreeks 3 /4 februari 2018 te Kloosterzande, gemeente Hulst, open vuur in aanraking te brengen met het rechterachterwiel van een personenauto (Renault kenteken [kenteken 2] ), ten gevolge waarvan dat wiel van die personenauto gedeeltelijk is verbrand, en - op 4 februari 2018 te Kloosterzande, gemeente Hulst, open vuur in aanraking te brengen met de grill/voorbumper van een personenauto (Renault kenteken [kenteken 2] ), ten gevolge waarvan die personenauto gedeeltelijk is verbrand, en - omstreeks 14/15 februari 2018 te Kloosterzande, gemeente Hulst, open vuur in aanraking te brengen met spiritus en een aanmaakblokje, ten gevolge waarvan een bestelbus (Opel kenteken [kenteken 3] ) geparkeerd aan de Leliestraat gedeeltelijk is verbrand, en - op 22 mei 2018 te Overslag, gemeente Terneuzen, open vuur in aanraking te brengen met benzine, ten gevolge waarvan een vrachtwagen (Mercedes kenteken [kenteken 4] ) gedeeltelijk is verbrand, en - op 28 september 2018 te Vogelwaarde, gemeente Hulst, open vuur in aanraking te brengen met hooi, ten gevolge waarvan een schuur gelegen aan de [adres 3] geheel is verbrand, en - op 1 november 2018 te Vogelwaarde, gemeente Hulst, open vuur in aanraking te brengen met benzine en kranten gelegen op houten planken/pallets in een tuin aan de Wilgenstraat, ten gevolge waarvan die planken/pallets zijn verbrand en daarvan gemeen gevaar voor goederen, te duchten was; en op tijdstippen in de periode van 9 februari 2018 tot en met 19 februari 2018 Kloosterzande, gemeente Hulst, tezamen en in vereniging met een ander, telkens opzettelijk brand heeft gesticht, door - op 9 februari 2018 te Kloosterzande, gemeente Hulst, open vuur in aanraking te brengen met een doek en spiritus, ten gevolge waarvan een schuur gelegen aan de [adres 2] en een overkapping aan die schuur en goederen in/om die schuur en de ramen van de woning en de schuur gelegen aan de [Straatnaam] geheel of gedeeltelijk zijn verbrand, en - op 19 februari 2018 te Kloosterzande, gemeente Hulst, open vuur in aanraking te brengen met een doek en spiritus en kranten, ten gevolge waarvan die kranten en de woning gelegen aan de [adres 2] en de goederen in die woning geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand en daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar voor personen in de belendende woningen, of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor die personen, te duchten was. Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad. De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. 5De strafbaarheid Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op. Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit. 6De strafoplegging 6.1 De vordering van de officier van justitie De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een jeugddetentie van 90 dagen met aftrek van voorarrest waarvan 73 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van één jaar, zodat het onvoorwaardelijk deel gelijk is aan het voorarrest, met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarde van toezicht door de jeugdreclassering en het voortzetten van de behandeling bij de Forensische Zorg Zeeland (FZZ). Daarmee wijkt hij af van het advies van de Raad voor de Kinderbescherming, maar de behandeling bij FFZ is nog niet afgerond en verdachte heeft ter zitting gezegd dat hij een steun in de rug wel kan gebruiken. Daarnaast vordert hij aan verdachte op te leggen een werkstraf voor de duur van 100 uur, subsidiair te vervangen door 50 dagen jeugddetentie. Bij zijn vordering heeft hij rekening gehouden met enerzijds de ernst, impact en hoeveelheid van de feiten en anderzijds de verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte en het feit dat tussen het plegen van de feiten en de zitting geruime tijd is verstreken. Bovendien heeft verdachte de afgelopen periode aan zichzelf gewerkt. 6.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging stelt zich op het standpunt dat de vordering van de officier van justitie fors is. Zij verzoekt bij de op te leggen straf rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte, de omstandigheden waaronder de feiten zijn gepleegd en de verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte. Zij verwijst naar de rapportages die over verdachte zijn uitgebracht door de psycholoog, de Raad voor de Kinderbescherming en de jeugdreclassering. Verdachte heeft nadat hij de feiten heeft gepleegd een positieve ontwikkeling doorgemaakt en het gaat nu goed met hem. Meegewogen moet ook worden dat hij lang in een schorsing van de voorlopige hechtenis heeft gelopen en zich daarbij aan strenge voorwaarden heeft moeten houden. Zij verzoekt de rechtbank een geheel voorwaardelijke straf op te leggen met een proeftijd van één jaar en met de bijzondere voorwaarden zoals door de jeugdreclassering en de Raad geadviseerd. 6.3 Het oordeel van de rechtbank Verdachte heeft zich in een periode van ruim een jaar samen met een ander meerdere malen schuldig gemaakt aan brandstichting, waarbij telkens goederen geheel of gedeeltelijk zijn verbrand en waarbij een aantal keren ook levensgevaar voor personen te duchten was. Hij heeft met de gepleegde brandstichtingen geen enkel respect getoond voor andermans bezittingen of gezondheid. De rechtbank rekent verdachte deze feiten zwaar aan. Verdachte en zijn mededader hebben de branden deels gesticht binnen de bebouwde kom. Door aldus te handelen hebben zij personen ernstig in gevaar gebracht, nu vuur onvoorspelbaar is en zich snel en onbeheerst kan ontwikkelen en de rookontwikkeling alleen al levensbedreigend kan zijn. Dat de gevolgen van deze branden niet ernstiger zijn dan nu het geval is en er geen mensen gewond zijn geraakt is een zeer gelukkige omstandigheid, die niet aan verdachte en/of zijn mededader te danken is. Door de brandstichtingen is aanzienlijke materiële schade ontstaan. Verdachte en zijn mededader hebben zich in het geheel geen rekenschap gegeven van de gevaren voor goederen en/of personen, nu zij na het plegen van de feiten zijn weggegaan en geen enkele maatregel hebben genomen om de gevolgen van hun daden te beperken. De branden hebben voor veel onrust en gevoelens van onveiligheid gezorgd bij de direct betrokkenen als ook in de gemeentes waar de branden hebben plaatsgevonden. Een van de benadeelde partijen is zelfs zonder duidelijke reden meerdere keren slachtoffer geworden van brandstichting. Dit was voor hem en zijn naasten zeer beangstigend. De rechtbank houdt bij het bepalen van de strafmaat rekening met de omstandigheid dat verdachte blijkens het hem betreffende Uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister nog niet eerder is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten. Voorts heeft de rechtbank voor wat betreft de persoon van de verdachte en het bepalen van de strafmaat acht geslagen op de conclusies en adviezen in de over verdachte uitgebrachte rapportage van H.E.W. Koornstra, psycholoog, van 7 mei 2019. Uit dit rapport blijkt dat bij verdachte sprake is van een hechtingsstoornis die geleid heeft tot een verstoorde persoonlijkheidsontwikkeling en antisociaal gedrag. Deze verstoorde ontwikkeling heeft een rol gespeeld ten tijde van het plegen van de brandstichtingen. Verdachte zou de feiten hebben gepleegd onder druk van de mededader. Dit is passend bij de conflict-vermijdende en verlatingsangstige basisattitude van verdachte. Hij was bang de steun van een voor hem belangrijke persoon te verliezen. Daarnaast kon hij door de brandstichtingen ook zijn innerlijke spanningen kwijt. Deze spanningen bouwde hij op door het onderdrukken van zijn emoties. De dynamiek tussen verdachte en de medeverdachte verklaart de rol van verdachte bij de brandstichtingen. Hij was niet krachtig genoeg om hieraan weerstand bieden en heeft vooralsnog ook te weinig zicht op zijn eigen functioneren hierin. Dit alles maakt dat de deskundige adviseert de feiten in verminderde mate aan verdachte toe te rekenen. Om het recidiverisico te beperken zal verdachte handvatten moeten krijgen om zijn spanningen en emoties adequaat te reguleren. De deskundige adviseert om verdachte als bijzondere voorwaarde bij een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen dat hij zich onder behandeling stelt van een forensische polikliniek voor individuele therapie, waarbij middels toezicht door de jeugdreclassering vinger aan de pols van de ontwikkeling van verdachte wordt gehouden. De rechtbank kan zich verenigen met de conclusie van de deskundige met betrekking tot de strafbaarheid van verdachte en zal het advies om verdachte het bewezenverklaarde in verminderde mate toe te rekenen, volgen. Voorts heeft de rechtbank gelet op het adviesrapport van de Raad voor de Kinderbescherming van 30 april 2020. Hieruit blijkt dat de ontwikkeling van verdachte de afgelopen periode positief is verlopen. Hij volgt al bijna een jaar een behandeltraject bij Emergis. Hij is weerbaarder en laat minder impulsief gedrag zien. Ook neemt hij een meer open houding aan richting zijn vader. Deze weet waar verdachte is, met wie hij is en wat hij doet. Het is belangrijk dat hij het behandeltraject positief afrondt. De Raad adviseert daarom in zijn rapport aan verdachte een geheel voorwaardelijke werkstraf op te leggen met als bijzondere voorwaarde dat hij het behandeltraject bij Forensische Zorg Zeeland positief afrondt en toezicht door de jeugdreclassering, met een proeftijd van één jaar. Ter zitting heeft een vertegenwoordigster van de Raad naar voren gebracht dat het goed gaat met verdachte. Hij is onder behandeling bij een psycholoog en volgt dit goed op, houdt zich aan de afspraken met de jeugdreclassering en hij heeft de steun van zijn vader. De jeugd-reclasseerder vraagt zich in het laatste rapport af wat de meerwaarde nog is van toezicht door de jeugdreclassering. Om die reden wijzigt de Raad ter zitting zijn advies, in die zin dat hij adviseert aan verdachte een onvoorwaardelijke werkstraf op te leggen. De vertegenwoordigster van de jeugdreclassering heeft ter zitting onderschreven dat toezicht door de jeugdreclassering geen meerwaarde meer heeft. Zij twijfelt er niet aan dat verdachte het traject bij de psycholoog zal voortzetten. De rechtbank komt tot de volgende strafoplegging. De ernst en aard van de feiten rechtvaardigen in beginsel een forse onvoorwaardelijke jeugddetentie. In deze zaak is echter, zonder dat hiervoor een verwijt kan worden gemaakt aan verdachte, sprake van een behoorlijk tijdsverloop tussen de aanvang van de redelijke termijn op 13 december 2018, zijnde de datum waarop verdachte voor de eerste keer is aangehouden, en de berechting. De redelijke termijn in jeugdzaken van 16 maanden is daarmee met 3 maanden overschreden. Dit staat haaks op het uitgangspunt om in jeugdzaken snel op te treden teneinde een pedagogisch doel te bereiken. Een periode van 19 maanden is in de onderhavige zaken voor een jeugdige zoals verdachte een dusdanig lange termijn dat het pedagogisch effect van een straf nog gering moet worden geacht. Bovendien is dit, zeker voor een jeugdige, een (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.