RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Strafrecht Zittingsplaats: Breda parketnummer: 02/083837-19 vonnis van de meervoudige kamer van 4 augustus 2020 in de strafzaak tegen [verdachte] geboren op [geboortedag] 1998 te [geboorteplaats] wonende te [adres] raadsman mr. K.R. Verkaart, advocaat te Breda. 1Onderzoek van de zaak De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 21 juli 2020, waarbij de officier van justitie, mr. Den Braber, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. 2De tenlastelegging De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte met anderen een roofoverval heeft gepleegd, dan wel daaraan medeplichtig is geweest. Daarnaast wordt hij verdacht van het voorhanden hebben van een wapen. 3De voorvragen De dagvaarding is geldig. De rechtbank is bevoegd. De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging. Er is geen reden voor schorsing van de vervolging. 4De beoordeling van het bewijs 4.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft vrijspraak gevorderd voor feit 1 primair, het medeplegen van de roofoverval. De subsidiair tenlastegelegde medeplichtigheid aan de roofoverval acht de officier van justitie op basis van het dossier wel wettig en overtuigend bewezen. Verdachte heeft de auto voor en na de roofoverval bestuurd. De officier van justitie wijst daarbij op het volgende: verdachte wist dat aangever een Rolex had, de medeverdachten kwamen na de overval terug gerend naar de auto waarin verdachte zat, er werd iets naar aangever geschreeuwd toen zij weer wegreden, er werd hard weggereden, het wapen is van de achterbank naar de kofferbak verplaatst en verdachte kreeg de telefoon van aangever in zijn schoot geworpen. Ook acht de officier van justitie het ongeloofwaardig dat er tussen verdachte en de medeverdachten niet is gesproken over de afwezigheid van aangever, aangezien zij hadden afgesproken met aangever op stap te gaan. De officier van justitie heeft vrijspraak gevorderd voor feit 2, het voorhanden hebben van een wapen. Op basis van het dossier kan niet worden vastgesteld dat verdachte op de dag van de overval wetenschap had van de aanwezigheid van het wapen in de auto die hij bestuurde. 4.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft integrale vrijspraak bepleit. Voor het medeplegen van of medeplichtigheid aan de roofoverval zit er in het dossier geen wettig bewijs waaruit volgt dat verdachte vooraf wetenschap had van het strafbare feit. Voor het voorhanden hebben van het wapen heeft de verdediging bepleit dat verdachte geen wetenschap had van de aanwezigheid van het wapen in de auto op de dag van de overval. 4.3 Het oordeel van de rechtbank Aangever [aangever] is op 7 april 2019 te Baarle-Nassau slachtoffer geworden van een straatroof. [aangever] zou door onder andere medeverdachte [naam 1] opgehaald worden om uit te gaan. Op enig moment zag hij [naam 1] lopen en is achter hem aangelopen naar de auto. Toen is [aangever] door een persoon op de rug gesprongen en hij kreeg een klap boven zijn linkeroog. Deze persoon heeft zijn tas afgepakt. Een andere persoon heeft de telefoon van aangever afgenomen en ook zijn Rolex is afgenomen. [aangever] geeft aan tijdens de overval ook in de loop van een vuurwapen te hebben gekeken. Na de overval renden deze personen richting de auto van [naam 1] . Aangever denkt dat zij vervolgens allemaal zijn ingestapt en de auto is hard weggereden. Vanuit de auto werd volgens aangever nog iets naar hem geroepen en werd er gelachen. [aangever] heeft verklaard dat verdachte niet een van de personen is geweest die hem heeft aangevallen. In de auto van medeverdachte [naam 1] zat verdachte, hij was de bestuurder van de auto. Op de snelweg werden de inzittenden van de auto aangehouden door de politie. In een schoen in een schoenendoos in de kofferbak van de auto, werd een wapen aangetroffen en op schoot bij verdachte werd de telefoon van [aangever] aangetroffen. Verdachte heeft verklaard dat zijn drie medeverdachten zijn uitgestapt om [aangever] op te halen bij zijn huis, terwijl hij als bestuurder op een parkeerplaats heeft staan wachten. Hij wist niets van de overval, heeft er niets van gezien en kon er ook niets van zien, gelet op de plaats waar hij stond met de auto ten opzichte van de plaats van de overval. Toen zijn medeverdachten zonder [aangever] terug kwamen, is er niet over gesproken dat en waarom [aangever] er niet bij was en niet mee ging stappen. Verdachte is vervolgens hard weggereden, omdat hij daar van houdt en dat eigenlijk altijd doet. Verdachte kreeg pas het idee dat er iets niet klopte toen hij, toen de politie achter hen reed, de telefoon van [aangever] vanaf de achterbank in zijn schoot geworpen kreeg. Gelet op de verklaring van [aangever] over het langsrijden van de door verdachte bestuurde auto en het stoppen van de auto op bepaalde plaatsen, zet de rechtbank vraagtekens bij de verklaring van verdachte. Ook zijn verhaal dat hij met medeverdachten zou zijn vertrokken zonder een woord te wisselen over het ontbreken van [aangever] vindt de rechtbank niet erg geloofwaardig. Los van deze vraagtekens bevat het dossier echter geen wettig bewijs op basis waarvan kan worden vastgesteld dat verdachte wetenschap had van de overval voorafgaand aan het strafbare feit. De rechtbank acht daarom niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de roofoverval, hetzij in de rol van medepleger, hetzij in de rol van medeplichtige, heeft begaan en zal hem dan ook van dit feit vrijspreken. Over het aangetroffen wapen heeft verdachte verklaard dat hij het wapen kende en het enige tijd geleden heeft vervoerd in een auto. Hij heeft echter verklaard dat hij niet wist dat het wapen zich op de dag van aanhouding in de auto bevond. Mede gelet op de plaats in de auto waar het wapen is aangetroffen, is de rechtbank met de verdediging en de officier van justitie van oordeel dat niet bewezen kan worden dat verdachte wist van de aanwezigheid van het wapen. Verdachte zal daarom ook worden vrijgesproken van het onder feit 2 tenlastegelegde wapenbezit. 5De benadeelde partij De benadeelde partij [aangever] vordert een schadevergoeding van € 584,- materiële schade en € 2.000,- immateriële schade voor feit
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.