RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Strafrecht Zittingsplaats: Middelburg parketnummer: 02/226670-19 tussenvonnis van de meervoudige kamer van 21 augustus 2020 in de strafzaak tegen [verdachte] geboren op [geboortedag] 1980 te [geboorteplaats] wonende te [adres] thans gedetineerd te PI Haaglanden, afdeling PPC, 2597 JW Den Haag, Pompstationsweg 32 1Onderzoek van de zaak De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 7 augustus 2020, waarbij de officier van justitie, mr. W.J.W.K. Suijkerbuijk, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. Verder is als deskundige ter zitting gehoord J. Neeleman, psychiater. 2De tenlastelegging De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering en als bijlage I aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte op 19 september 2019 in Middelburg [aangever] meerdere malen met een mes heeft gestoken, wat aan verdachte wordt verweten als een poging doodslag, althans zware mishandeling, althans poging zware mishandeling. 3De voorvragen De dagvaarding is geldig. De rechtbank is bevoegd. De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging. Er is geen reden voor schorsing van de vervolging. 4De beoordeling van het bewijs 4.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het feit zoals primair ten laste gelegd heeft begaan. 4.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft zich ten aanzien van de bewezenverklaring gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. 4.3 Het oordeel van de rechtbank 4.3.1 De bewijsmiddelen De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht. 4.3.2 De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs Op grond van de bewijsmiddelen in het dossier gaat de rechtbank uit van de volgende feiten. Op 19 september 2019 werd aangever [aangever] , werkzaam als ambulant verpleegkundige bij GGZ Emergis, gebeld door zijn collega [naam 1] , met het verzoek om naar de woning van verdachte, een cliënt van GGZ Emergis, te komen omdat het niet goed ging met hem. Ter plaatse gekomen weigerde verdachte de voordeur te openen, waarop [aangever] en [naam 1] de woning via de achterdeur konden betreden. Eenmaal in de woning stelden zij vast dat verdachte hulp nodig had en met spoed moest worden opgenomen, waartoe telefonisch contact werd gelegd met een psychiater. In afwachting van verdere hulpverlening liep verdachte op enig moment naar zijn slaapkamer, pakte daar een mes en stak [aangever] met dat mes meerdere keren in de buik. Het betroffen twee samengebonden steakmessen, die met het heft aan elkaar vast waren gebonden. Beide lemmets bevonden zich parallel aan elkaar. Uit de letselrapportage in het dossier blijkt dat [aangever] daarbij zes steekwonden heeft opgelopen in de buik en laag in de borststreek. De linker leverkwab was geraakt en er was een bloeding aan de gang. Aangever moest direct na aankomst in het ziekenhuis worden geopereerd, waarbij onder meer de steekwonden in de lever werden behandeld. Op basis van deze feiten is de rechtbank van oordeel dat het primair tenlastegelegde, de poging doodslag, wettig en overtuigend kan worden bewezen. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat verdachte op zijn minst met voorwaardelijk opzet op de dood van aangever heeft gehandeld. Het met twee samengebonden steakmessen toebrengen van meerdere messteken in de buik en in de borst, waar zich vitale organen bevinden, betekent dat er een aanmerkelijke kans is dat iemand daar aan overlijdt. Het handelen van verdachte is naar het oordeel van de rechtbank naar zijn uiterlijke verschijningsvorm zozeer op de dood van aangever gericht, dat het niet anders kan dan dat verdachte daarmee bewust die aanmerkelijke kans heeft aanvaard.. 4.4 De bewezenverklaring De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 19 september 2019 te Middelburg ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [aangever] opzettelijk van het leven te beroven, die [aangever] meermalen met twee samengebonden messen in de buik en borstkas heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. 5De strafbaarheid 5.1 De strafbaarheid van de feiten Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op. 5.2 De strafbaarheid van verdachte 5.2.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht verdachte volledig ontoerekeningsvatbaar en verwijst daarbij naar de over verdachte uitgebrachte deskundigenrapporten. Hij stelt dat verdachte ontslagen moet worden van alle rechtsvervolging. 5.2.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging acht verdachte ook volledig ontoerekeningsvatbaar onder verwijzing naar de deskundigenrapporten en bepleit dat verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging. 5.2.3 Het oordeel van de rechtbank Over verdachte zijn op 4 juli 2020 door psychiater J. Neeleman en op 8 juli 2020 door GZ-psychloog J. Yntema rapportages uitgebracht. Volgens beide deskundigen is bij verdachte sprake van schizofrenie en verkeerde verdachte ten tijde van het tenlastegelegde in een psychose. Zij adviseren het tenlastegelegde, indien bewezen, niet aan verdachte toe te rekenen. De rechtbank kan zich vinden in de conclusie van de deskundigen ten aanzien van de volledige ontoerekeningsvatbaarheid van verdachte met betrekking tot het aan hem tenlastegelegde feit en neemt deze over. Zij acht verdachte daarom niet strafbaar. Dit betekent dat verdachte van alle rechtsvervolging zal worden ontslagen. 6De strafoplegging 6.1 De vordering van de officier van justitie De officier van justitie vordert aan verdachte een maatregel ter beschikkingstelling met verpleging van overheidswege (hierna: TBS-maatregel of TBS) op te leggen. 6.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft bij een bewezenverklaring primair verzocht af te zien van het opleggen van een TBS-maatregel. Zij stelt dat niet is voldaan aan het ‘ultimum remedium’-vereiste voor het opleggen van een TBS-maatregel omdat andere, minder ingrijpende maatregelen mogelijk zijn die niet eerder zijn geprobeerd, namelijk de zorgmachtiging in het kader van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (hierna: de Wvggz). Zij heeft de rechtbank verzocht de officier van justitie op te dragen een zorgmachtiging voor te bereiden. 6.3 Het oordeel van de rechtbank Verdachte heeft aangever, die zijn vaste hulpverlener was bij GGZ Emergis, meerdere keren met een mes gestoken waardoor aangever levensgevaarlijk gewond is geraakt. Door de hulpdiensten kon aangever tijdig naar het ziekenhuis worden vervoerd en worden geopereerd, waardoor nog ernstigere gevolgen uit zijn gebleven. Zoals de rechtbank onder 5.2.3 heeft overwogen, kan dit feit niet aan verdachte worden toegerekend. Aan hem kan om die reden geen straf worden opgelegd. De rechtbank ziet zich daarom voor de vraag gesteld of oplegging van een maatregel nodig is. Volgens de psychiater is sprake van een matig tot hoog recidiverisico. Dit risico is vooral afhankelijk van in hoeverre verdachte floride psychotisch is/blijft met een overmaat aan positieve symptomen. In zijn rapport adviseert hij aan verdachte bij bewezenverklaring TBS met dwangverpleging op te leggen. Ter zitting heeft de psychiater echter uiteengezet dat hij in het concept van zijn rapport nog het advies van een zorgmachtiging in het kader van de Wvggz had opgenomen, maar dat hij daar in de definitieve versie van af heeft gezien, toen hij van het NIFP en collega’s vernam dat de uitvoerbaarheid van een dergelijke maatregel in een forensische kliniek in de praktijk heel moeilijk is. Zonder praktische belemmeringen, verdient een zorgmachtiging volgens de psychiater de voorkeur boven TBS met dwangverpleging. De psycholoog stelt dat het recidiverisico hoog is, indien verdachte onbehandeld terug zou keren in de maatschappij. Wanneer verdachte goed is ingesteld op medicatie, verwacht de psycholoog dat het risico op herhaling afneemt naar matig tot laag. Volgens de psycholoog heeft verdachte langdurige psychiatrische zorg nodig. Een dergelijke behandeling kan niet in een voorwaardelijk kader worden opgelegd, gelet op de lange hulpverleningsgeschiedenis van verdachte en zijn weigering medicatie in te nemen. Vanwege het verstrekkende karakter van een TBS met dwangverpleging, geeft de psycholoog de rechtbank in overweging de mogelijkheid van een zorgmachtiging te onderzoeken, mits deze in een forensische setting kan worden uitgevoerd en de duur daarvan bij gebleken medicatie-ontrouw door verdachte kan worden verlengd. Tijdens de beraadslaging is de rechtbank gebleken dat het onderzoek ter terechtzitting niet volledig is geweest. De rechtbank acht zich voor de te nemen beslissing onvoldoende voorgelicht. De rechtbank overweegt daartoe als volgt. Beide deskundigen die verdachte hebben onderzocht adviseren de rechtbank de mogelijkheid tot afgifte van een zorgmachtiging ten behoeve van verdachte te onderzoeken. Gelet op deze adviezen is de rechtbank van oordeel dat deze mogelijkheid moet worden onderzocht, waarbij de rechtbank in aanmerking neemt dat oplegging van de TBS-maatregel een ultimum remedium is, waarvan moet worden afgezien indien blijkt dat hetzelfde doel door middel van een, voor verdachte, minder verstrekkende maatregel kan worden bereikt. Zij zal de officier van justitie daarom op basis van de Wet forensische zorg en de Wvggz verzoeken een zorgmachtiging voor te bereiden. Daarbij gaat de rechtbank ervan uit dat de geneesheer-directeur die ten behoeve van de voorbereiding wordt benaderd, in de advisering betrekt wat het noodzakelijk geachte beveiligingsniveau is van de locatie waar de zorgmachtiging ten uitvoer zou kunnen worden gelegd en in welke GGZ-instelling dit niveau kan worden gegarandeerd. Verder gaat de rechtbank ervan uit dat daartoe ook andere GGZ-locaties dan die van Emergis in Kloetinge in de advisering worden betrokken en dat waar nodig overleg wordt gevoerd met de geneesheer-directeur van de instelling waar de zorgmachtiging ten uitvoer zou kunnen worden gelegd. De rechtbank zal hiertoe het onderzoek ter terechtzitting heropenen en schorsen tot een nadere zitting. De rechtbank is erop gericht om op zo kort mogelijke termijn een nadere zitting te bepalen. In de omstandigheid dat het vereiste onderzoek nog moet worden verricht, ziet de rechtbank een klemmende reden de maximale termijn voor hervatting van het onderzoek ter zitting niet tot een maand te beperken. Zij zal daarom het onderzoek schorsen voor onbepaalde tijd met een maximum termijn van drie maanden. 7De benadeelde partij De benadeelde partij [aangever] vordert een schadevergoeding van € 16.395,60, bestaande uit € 1.395,60 aan materiële schade en € 15.000,00 aan immateriële schade. Materiële schade De rechtbank is van oordeel dat de materiële schade door de kosten voor het verblijf in het ziekenhuis, de verzorging door de partner en de medicatie een rechtstreeks gevolg zijn van het bewezenverklaarde feit. Zij acht verdachte aansprakelijk voor die schade, te weten € 183,
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.