RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Strafrecht Zittingsplaats: Breda Parketnummer: 02/105278-19 Vonnis van de meervoudige kamer van 26 augustus 2020 in de strafzaak tegen [verdachte] geboren op [geboortedag] 1992 te [geboorteplaats] wonende te [adres] raadsman: mr. T.M. ten Velde, advocaat te Tilburg 1Onderzoek van de zaak De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 12 augustus 2020, waarbij de officier van justitie, mr. De Graaf, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. 2De tenlastelegging De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte een verkeersongeval heeft veroorzaakt waardoor een ander ernstig gewond is geraakt dan wel dat verdachte gevaar op de weg heeft veroorzaakt. 3De voorvragen De dagvaarding is geldig. De rechtbank is bevoegd. De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging. Er is geen reden voor schorsing van de vervolging. 4De beoordeling van het bewijs 4.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan. Verdachte heeft aanmerkelijk onvoorzichtig gereden door niet de door haar gekozen rijrichting te volgen en de kruising op te rijden met een snelheid van minimaal 51 kilometer per uur. Zij heeft niet goed rondgekeken en heeft haar voertuig niet tijdig tot stilstand kunnen brengen. Het slachtoffer [slachtoffer] heeft ten gevolge van dit ongeval zwaar lichamelijk letsel opgelopen. Zij heeft minimaal twee maanden een brace om haar nek moeten houden. 4.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft vrijspraak bepleit van het primair ten laste gelegde. Dat verdachte met een snelheid van minimaal 51 kilometer per uur en maximaal 89 kilometer per uur de kruising is opgereden, kan niet worden bewezen. In de gemaakte verkeersongevalanalyse worden namelijk onjuiste aannames gedaan en conclusies getrokken, met als gevolg dat de daarin berekende snelheden niet kloppen. Dan resteert slechts een enkele verkeersfout, te weten het niet volgen van de gekozen rijrichting. Deze enkele fout kan niet worden gekwalificeerd als onnadenkend of onachtzaam handelen. Dat het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen, kan evenmin worden bewezen nu het dossier op dat punt te summier is en onvoldoende informatie geeft. 4.3 Het oordeel van de rechtbank 4.3.1 De bewijsmiddelen De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht. 4.3.2 De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs Op grond van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat op 26 juni 2018 omstreeks 15:48 uur in Tilburg op de kruising tussen de Heikantlaan en de Mozartlaan een verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waarbij sprake was van een aanrijding tussen een personenauto en een fietser. Verdachte was de bestuurster van de auto en [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ) was de bestuurster van de fiets. [slachtoffer] heeft door het ongeval letsel opgelopen. De vraag waarvoor de rechtbank zich allereerst gesteld ziet, is of verdachte schuld had aan dit verkeersongeval en zo ja, in welke mate. De rechtbank overweegt daartoe het navolgende. Voor een bewezenverklaring van een overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW) moet worden vastgesteld dat verdachte zich in het verkeer zodanig heeft gedragen dat het aan zijn schuld te wijten is dat een verkeersongeval heeft plaatsgevonden. Ook dient te worden vastgesteld dat door dat ongeval een ander zwaar lichamelijk letsel is toegebracht of zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden ontstaat. Van schuld in de zin van artikel 6 WVW is pas sprake in geval van een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid. Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad is niet in zijn algemeenheid aan te geven of één verkeersovertreding voldoende kan zijn voor bewezenverklaring van schuld in de zin van artikel 6 WVW, maar komt het daarbij aan op het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de concrete ernst van de verkeersovertreding en de overige omstandigheden van het geval. Het gedrag van de verdachte dient daarvoor te worden afgemeten aan dat wat van een automobilist in het algemeen en gemiddeld genomen mag worden verwacht. Daarnaast dient een causaal verband te worden vastgesteld tussen het gedrag van de verdachte en het verkeersongeval. Voorts kan niet reeds uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer worden afgeleid dat er sprake is van schuld in vorenbedoelde zin (HR 1 juni 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO5822). Op grond van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat verdachte met haar auto bewust een verboden verkeersmanoeuvre heeft verricht door niet de door haar gekozen rijrichting linksaf te volgen, maar alsnog rechtdoor te rijden op de kruising. Zij moet daarbij hebben geweten dat het verkeerslicht voor die rijrichting, rechtdoor, rood licht uitstraalde. Uit de verkeersongevalanalyse volgt dat verdachte daarbij een snelheid van minimaal 51 kilometer per uur heeft bereikt. Het gevoerde verweer waarin de vastgestelde snelheid van het voertuig van verdachte wordt bestreden, wordt door de rechtbank verworpen, nu dat verweer is gebaseerd op de onjuiste aanname dat verdachte stil stond met haar voertuig bij de koplus. Uit de verkeersongevalanalyse en getuigenverklaringen komt voldoende duidelijk naar voren dat verdachte een aantal meters vóór de koplus heeft stilgestaan en dat het verkeerslicht al bijna negen seconden op groen stond toen verdachte de stopstreep, vlak na de koplus, passeerde. Verdachte heeft dus al vóór het passeren van de koplus vaart gemaakt met haar voertuig. Dat verdachte de verboden manoeuvre met deze relatief hoge snelheid heeft verricht blijkt ook uit het feit dat verdachte niet in staat is gebleken om haar auto tijdig tot stilstand te brengen voor de overstekende fietser [slachtoffer] . Verdachte heeft kennelijk gedurende de manoeuvre niet voldoende opgelet en niet geanticipeerd op dat wat zich afspeelde op de rijbaan waarover zij haar weg koos. Immers, in dat geval had verdachte de fietser eerder waargenomen en tijdig haar snelheid kunnen verminderen, om de fietser haar weg op de oversteekplaats te laten vervolgen. De rechtbank is van oordeel dat verdachte heeft gehandeld in strijd met de zorgvuldigheid die van haar als bestuurder van een auto mocht worden verwacht. Zij heeft immers meerdere verkeersovertredingen begaan (niet de verplichte rijrichting volgen, de auto niet tijdig tot stilstand brengen binnen de afstand waarover de weg vrij en te overzien was). Niet alleen het feit dat meerdere verkeersovertredingen zijn begaan, maar met name de combinatie hiervan, op relatief hoge snelheid op een grote kruising, met verschillende kruisende verkeersstromen waaronder kwetsbare verkeersdeelnemers, moet worden aangemerkt als zeer onvoorzichtig en onoplettend rijgedrag. Het voorgaande leidt tot het oordeel dat sprake is van schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet. Vervolgens is de vraag aan de orde hoe het door [slachtoffer] opgelopen letsel in juridische zin gekwalificeerd moet worden. De rechtbank overweegt dat de bewijsmiddelen geen blijk geven van een operatie, blijvend letsel of een lange herstelperiode. Anders dan de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat enkel het dragen van een brace om de nek gedurende twee maanden nog niet maakt dat moet worden gesproken van zwaar lichamelijk letsel in juridische zin. Wel kan op basis daarvan worden bewezen dat [slachtoffer] zodanig lichamelijk letsel heeft bekomen, dat daaruit voor haar tijdelijke verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan in de zin van artikel 6 WVW. De rechtbank heeft hierbij tevens de aard van de verwondingen in ogenschouw genomen, alsmede de mededeling van [slachtoffer] op 8 juli 2018 dat zij haar rechterarm slecht kan gebruiken. Gelet op het voorgaande acht de rechtbank het primair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna onder 4.4 weergegeven. 4.4 De bewezenverklaring De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 26 juni 2018 te Tilburg als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmede rijdende over de weg, de Heikantlaan zich zodanig heeft gedragen dat een aan haar schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door zeer onvoorzichtig en onoplettend, niet de door haar gekozen rijrichting linksaf te volgen maar rechtdoor te rijden en het kruisingsvlak met de Mozartlaan op te rijden met een snelheid van minimaal 51 kilometer per uur en het door haar bestuurde motorrijtuig niet tijdig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover die weg vrij en te overzien was, waardoor het door haar, verdachte, bestuurde motorrijtuig in aanrijding is gekomen met een bestuurder van een fiets, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer] ) zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan; Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad. De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. 5De strafbaarheid Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op. Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die haar strafbaarheid uitsluit. 6De strafoplegging 6.1 De vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd aan verdachte op te leggen een taakstraf van 90 uur en een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen voor de duur van 6 maanden. 6.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft vrijspraak bepleit van het primair ten laste gelegde. Voor het subsidiair ten laste gelegde kan volgens haar worden volstaan met oplegging van een geheel voorwaardelijke straf. 6.3 Het oordeel van de rechtbank Verdachte heeft zich bijzonder onverantwoordelijk gedragen in het verkeer. Zij heeft bewust met haar auto, terwijl haar zoontje achterin zat, een verboden en gevaarlijke verkeersmanoeuvre uitgevoerd door niet de door haar gekozen rijrichting te volgen. Ze is vervolgens met een te hoge snelheid een kruispunt opgereden en heeft niet op tijd geremd voor een overstekende fietser, bij wie een kind achterop zat. Verdachte heeft zich met haar rijgedrag onverschillig getoond tegenover de geldende verkeersregels en de veiligheid van andere weggebruikers. De fietser is gewond geraakt door toedoen van verdachte. Verdachte mag van geluk spreken dat de verwondingen niet – ook in juridische zin – nog zwaarder zijn geweest en ook dat het kind achterop de fiets zonder verwondingen is gebleven. In een situatie als deze hadden de gevolgen fataal kunnen zijn. Het spreekt voor zich dat het slachtoffer en de andere weggebruikers enorm zijn geschrokken. De rechtbank sluit bij het bepalen van de hoogte van de straf aan bij de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting. Alles afwegende, acht de rechtbank een taakstraf voor de duur van 120 uur passend en geboden. Zij komt tot een hogere taakstraf dan door de officier van justitie is geëist, nu de rechtbank tot bewezenverklaring van een zwaardere mate van schuld komt. Daarnaast zal de rechtbank aan verdachte een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen opleggen voor de duur van zes maanden. 7De wettelijke voorschriften De beslissing berust op de artikelen 9, 22c, 22d en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde. 8De beslissing De rechtbank: Bewezenverklaring - verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven; - spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd; Strafbaarheid verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht; verklaart verdachte strafbaar; Strafoplegging - veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 120 uren; - beveelt dat indien verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 60 dagen; - veroordeelt verdachte tot een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen voor de duur van zes maanden. Dit vonnis is gewezen door mr. Diepenhorst, voorzitter, mr. Van der Weide en mr. Broeders, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Hoezen, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 26 augustus 2020. 9Bijlage I De tenlastelegging zij op of omstreeks 26 juni 2018 te Tilburg als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmede rijdende over de weg, de Heikantlaan zich zodanig heeft gedragen dat een aan haar schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, niet de door haar gekozen rijrichting linksaf heeft gevolgd maar rechtdoor is gereden en/of het kruisingsvlak met de Mozartlaan is opgereden met een snelheid van minimaal 51 kilometer per uur en/of maximaal 89 kilometer per uur, althans met een hogere snelheid dan de ter plaatse geldende toegestane maximum snelheid van 50 kilometer per uur en/of zij, verdachte, het door haar bestuurde motorrijtuig niet tijdig tot stilstand heeft gebracht binnen de afstand waarover die weg vrij en te overzien was, (mede) waardoor het door haar, verdachte, bestuurde motorrijtuig in aanrijding/botsing is gekomen met een bestuurder van een fiets, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer] ) zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken wervel en/of een breuk in de oogkas, of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;( art 6 Wegenverkeerswet 1994 ) subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: zij op of omstreeks 26 juni 2018 te Tilburg als bestuurder van een voertuig (personenauto, merk Citroën), daarmee rijdende op de weg, de Heikantlaan, niet de door haar gekozen rijrichting linksaf heeft gevolgd maar rechtdoor is gereden en/of het kruisingsvlak met de Mozartlaan is opgereden met een snelheid van minimaal 51 kilometer per uur en/of maximaal 89 kilometer per uur, althans met een hogere snelheid dan de ter plaatse geldende toegestane maximum snelheid van 50 kilometer per uur en/of zij, verdachte, het door haar bestuurde voertuig niet tijdig tot stilstand heeft gebracht binnen de afstand waarover die weg vrij en te overzien was, (mede) waardoor het door haar, verdachte, bestuurde voertuig in aanrijding/botsing is gekomen met een bestuurder van een fiets, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd; De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;( art 5 Wegenverkeerswet 1994 ) 10Bijlage II De bewijsmiddelen Wanneer in de bewijsmiddelen hierna wordt verwezen naar een paginanummer, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een pagina van het eindproces-verbaal met dossiernummer PL2000-2018147538-1 van de politie eenheid Zeeland-West-Brabant, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren en doorgenummerd van 1 tot en met 98. Het proces-verbaal Aanrijding misdrijf van 15 februari 2019, pagina 4 en verder van voornoemd eindproces-verbaal, inhoudende, zakelijk weergegeven: (004-006) locatie ongeval datum : 26 juni 2018 omstreeks : 15:48 uur adres : Heikantlaan postcode plaats : 5011 SZ Tilburg op de kruising met adres : Mozartlaan plaats : Tilburg Op dinsdag 26 juni 2018 werd op de plaats van het ongeval een uitgebreid sporenonderzoek ingesteld door [verbalisant] van de dienst Verkeersongevallenanalyse. betrokkene 1: fiets, bestuurder: [slachtoffer] betrokkene 2: personenauto met kenteken [kenteken] , bestuurster: [verdachte] Het proces-verbaal Forensisch Onderzoek Verkeersdelict van [verbalisant] van 21 januari 2019, pagina 9 en verder van voornoemd eindproces-verbaal, inhoudende, zakelijk weergegeven:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.