RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Strafrecht Zittingsplaats: Breda parketnummer: 02/127096-20 en 96/231242-19 (tul) vonnis van de meervoudige kamer van 1 september 2020 in de strafzaak tegen [verdachte] geboren op [geboortedag] 1997 te [geboorteplaats] wonende te [adres 1] gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting te Grave raadsman mr. M. Broere, advocaat te Roosendaal 1Onderzoek van de zaak De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 18 augustus 2020, waarbij de officier van justitie, mr. Wiegant, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. Ter zitting is ook de vordering tot tenuitvoerlegging behandeld met bovenvermeld parketnummer. 2De tenlastelegging De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte samen met anderen de heer [slachtoffer] heeft geprobeerd te doden, althans hem zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht, of in elk geval heeft geprobeerd hem zwaar te mishandelen door hem te slaan met een metalen voorwerp. 3De voorvragen De dagvaarding is geldig. De rechtbank is bevoegd. De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging. Er is geen reden voor schorsing van de vervolging. 4De beoordeling van het bewijs 4.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van een poging tot doodslag. Verdachte is samen met zijn (half-)broers verhaal gaan halen en de officier van justitie gaat er vanuit dat het verdachte is geweest die met een ijzeren staaf op aangevers schouder en op zijn hoofd heeft geslagen. 4.2 Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft vrijspraak bepleit. Hij vindt dat niet vastgesteld kan worden dat verdachte daadwerkelijk heeft geslagen. En ook al zou één klap op de schouder bewezen kunnen worden, dan is dit niet voldoende om te kunnen spreken van een poging tot doodslag, dan wel zware mishandeling. Mocht de rechtbank er wel vanuit gaan dat verdachte [slachtoffer] (ook) een klap op het hoofd heeft gegeven, dan meent de raadsman dat dit niet gezien kan worden als een poging doodslag en ook niet als (poging) zware mishandeling. 4.3 Het oordeel van de rechtbank 4.3.1 De bewijsmiddelen De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht. 4.3.2 De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs Uit de bewijsmiddelen leidt de rechtbank af dat verdachte samen met anderen opzettelijk heeft geprobeerd [slachtoffer] te doden. Het geweld Uit de aangifte en de verklaring van getuige [getuige 1] blijkt dat verdachte en [medeverdachte] aangever, slaand met een metalen strip en een ijzeren staaf, op het hoofd, op zijn schouder en op zijn arm hebben geraakt. De verklaring van aangever wordt ondersteund door zowel het letsel als de getuigenverklaringen. De stelling dat er geen aanmerkelijke kans was op de dood, wordt verworpen. Uit de bewijsmiddelen, waaronder ook de bij de schadevergoedingsvordering overgelegde medische informatie en uit de foto’s in het dossier blijkt zowel het hevige geweld als de ernst van het letsel. Aangever had na het voorval een impressiefractuur aan zijn schedel en daarnaast een kneuzing aan zijn linkerarm en rechterschouder. Het hoofd is een kwetsbaar lichaamsdeel. Met name de open schedelbreuk geeft aan dat er met kracht en met een gevaarlijk voorwerp op het hoofd van aangever is geslagen en dat dit wel degelijk de dood tot gevolg had kunnen hebben. Opzet De door verdachte met [medeverdachte] uitgevoerde geweldshandelingen, onder meer bestaande uit het met kracht met een metalen voorwerp op het hoofd van aangever slaan, zodanig hard dat een schedelbreuk ontstond, kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo gericht op het toebrengen van dodelijk letsel, dat het naar het oordeel van de rechtbank niet anders kan zijn dan dat verdachte de aanmerkelijk kans heeft aanvaard dat [slachtoffer] het leven zou laten. De rechtbank is daarom van oordeel dat er bij verdachte sprake is geweest van voorwaardelijk opzet op de dood van aangever. Medeplegen Bij de rechter-commissaris heeft verdachte verklaard dat hij thuis was toen zijn broer [medeverdachte] binnenkwam en zei dat hij een klap had gekregen. Vervolgens zijn zij naar buiten gegaan en hebben beiden een ijzeren of metalen voorwerp gepakt waarmee ze [slachtoffer] te lijf zijn gegaan. Uit deze bewijsmiddelen volgt dat verdachte en zijn medeverdachten gelijktijdig, gedurende enige tijd, excessief geweld hebben uitgeoefend tegen aangever. Dit kan niet anders worden aangemerkt dan als een gezamenlijk optreden, waaraan de verdachte bewust heeft deelgenomen en een wezenlijke bijdrage heeft geleverd. De rechtbank is daarom van oordeel dat er sprake is van medeplegen. 4.4 De bewezenverklaring De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 4 mei 2020 te Roosendaal tezamen en in vereniging met anderen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, met dat opzet die [slachtoffer] met een metalen/stalen strip en een ijzeren staaf/buis/pijp, tegen het hoofd en zijn armen en lichaam, heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad. 5De strafbaarheid Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op. Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit. 6De strafoplegging 6.1 De vordering van de officier van justitie De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden met aftrek van de tijd die hij in voorarrest heeft gezeten. 6.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging is van mening dat als de rechtbank wel tot een bewezenverklaring komt, er een taakstraf en een voorwaardelijke gevangenisstraf kan volgen gelet op de persoonlijke omstandigheden van verdachte. 6.3 Het oordeel van de rechtbank Verdachte heeft naar aanleiding van een ruzie op straat samen met zijn halfbroer geprobeerd om aangever [slachtoffer] te doden door met een ijzeren voorwerp op zijn hoofd en tegen zijn lichaam te slaan. Uit de medische verklaring en de overgelegde foto’s blijkt dat aangever ernstig letsel heeft opgelopen en dat hij zich gelukkig mag prijzen met de huidige afloop. De rechtbank tilt zwaar aan dergelijke geweldsdelicten. De reclassering heeft gesteld dat zij weinig probleemgebieden zien bij verdachte. De rechtbank ziet echter een strafblad van 15 pagina’s, met weliswaar geen recidive of overigens zeer ernstige delicten, maar gelet op de nog jonge leeftijd van verdachte acht zij deze omvang wel zorgwekkend. De rechtbank hoopt dat nu verdachte tijdens zijn detentie vader is geworden, hij deze gebeurtenis aangrijpt om zijn leven op de rails te zetten. Er is geen aanleiding voor het opleggen van een voorwaardelijke straf. De rechtbank acht de geëiste straf van 24 maanden met aftrek van voorarrest passend en geboden en zal deze daarom aan verdachte opleggen. 7De benadeelde partij De benadeelde partij [slachtoffer] vordert een schadevergoeding van € 22.174,98 voor het feit, in verband met zowel materiële als immateriële schade. De rechtbank wijst het verzoek toe voor zover dit ziet op de schade aan de kleding, het ziekenhuisverblijf en het eigen risico van de zorgverzekering, tot een bedrag van €571,33. De rechtbank stelt de immateriële schade naar billijkheid vast op een bedrag van € 3.000,-. De rechtbank is van oordeel dat de schade tot een bedrag van € 3.571,33 een rechtstreeks gevolg is van dit bewezen verklaarde feit, waarvan € 571,33 ter zake van materiële schade en € 3000,= ter zake van immateriële schade, en acht verdachte aansprakelijk voor die schade. Het gevorderde is tot dat bedrag voldoende aannemelijk gemaakt en zij zal de vordering tot dat bedrag toewijzen en voor het overige afwijzen. Voor de berekening van het verlies van arbeidsvermogen is de rechtbank van oordeel dat de behandeling van dat deel van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. De benadeelde partij zal daarom voor dat deel niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering. Deze vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht. Voor wat betreft de schade die [slachtoffer] stelt te hebben geleden aan zijn horloge en telefoon en door zijn Audi voortijdig te verkopen, acht de rechtbank deze vordering onvoldoende onderbouwd zodat het gevorderde bedrag onvoldoende aannemelijk gemaakt en zij zal de benadeelde partij daarom voor dat deel niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. Met betrekking tot de toegekende vordering benadeelde partij zal de rechtbank tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen en de wettelijke rente toekennen. De benadeelde partij heeft gevorderd dat proceskosten worden toegewezen en daarbij p.m. vermeld. Op basis van artikel 592a Wetboek van Strafvordering is de rechtbank gehouden een beslissing te nemen over de proceskosten. Voor de rechtsgang in eerste aanleg is gebruikelijk dat aansluiting wordt gezocht bij het liquidatietarief kantonzaken, dat gebruikelijk wordt toegekend in soortgelijke zaken (overeenkomstig de staffel buitengerechtelijke incassokosten en salarissen in rolzaken kanton), Bij een toegewezen vordering tot en met € 3.750,- wordt in de regel (op basis van de genoemde staffel) € 210,- per punt als salaris toegekend. De benadeelde partij komt in dit verband twee punten toe: één punt voor het door zijn advocaat indienen van de vordering en één voor de aanwezigheid van zijn advocaat ter terechtzitting. De rechtbank zijn geen bijzondere omstandigheden gebleken die tot een hogere vergoeding nopen. De proceskosten, die ten laste van de verdachte zullen worden gebracht, worden daarom tot op heden begroot op € 420,-. 8Het beslag 8.1 De teruggave aan verdachte De rechtbank zal de teruggave aan verdachte gelasten van de hierna in de beslissing genoemde onder verdachte in beslag genomen voorwerpen, aangezien deze voorwerpen niet vatbaar zijn voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer. 9De vordering tot tenuitvoerlegging De officier van justitie heeft ter zitting gevorderd dat de vordering tenuitvoerlegging dient te worden afgewezen nu het vonnis waarin de voorwaardelijke straf is opgelegd niet onherroepelijk is. Ook de rechtbank constateert dat het vonnis waarin verdachte veroordeeld is tot een voorwaardelijke straf nog niet onherroepelijk is. De vordering tot tenuitvoerlegging dient daarom te worden afgewezen. 10De wettelijke voorschriften De beslissing berust op de artikelen 36f, 45, 47, 63, 287 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde. 11De beslissing De rechtbank: Bewezenverklaring - verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven; - spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd; Strafbaarheid - verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert: Medeplegen van poging tot doodslag - verklaart verdachte strafbaar; Strafoplegging - veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 24 maanden; - bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf; Beslag - gelast de teruggave aan verdachte van het inbeslaggenomen voorwerp, te weten ; € 17.460,00 goednummer 2192010; Vordering tenuitvoerlegging - wijst de vordering tot tenuitvoerlegging af; Benadeelde partijen - veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] van € 571,33, ter zake van materiële schade en € 3.000,= ter zake van immateriële schade en vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 4 mei 2020 tot aan de dag der algehele voldoening; - bepaalt dat voorzover dit bedrag door één of meer mededaders is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de benadeelde partij te betalen; - veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij ter zake van rechtsbijstand en buitengerechtelijke kosten heeft gemaakt, te weten € 420,-; - veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil; - verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat de vordering voor dat gedeelte bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht; - wijst af de vordering voor het overige deel met betrekking tot de immateriële kosten; - legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer] € 3.571,33 te betalen en vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 4 mei 2020 tot aan de dag der algehele voldoening; - bepaalt dat bij niet betaling 45 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft; - bepaalt dat voorzover dit bedrag door één of meer mededaders is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de Staat te betalen; - bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd. Dit vonnis is gewezen door mr. Vliegenberg, voorzitter, mr. Van Kralingen en mr. Hoekstra, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Joosen, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 1 september 2020. Mr. Van Kralingen is niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen. Bijlage I De tenlastelegging Aan bovengenoemde gedagvaarde persoon wordt tenlastegelegd dat hij op of omstreeks 4 mei 2020 te Roosendaal tezamen en in vereniging met een of meeranderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, met dat opzet die [slachtoffer] met een metalen en/of stalen strip en/of een stalen en/of ijzeren staaf/buis/pijp, althans met een (hard) voorwerp, meermalen, althans eenmaal, tegen het hoofd en/of zijn arm(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.