RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Strafrecht Zittingsplaats: Breda parketnummer: 02/821168-17 vonnis van de meervoudige kamer van 7 september 2020 in de strafzaak tegen [Verdachte] geboren op [Geboortedag] 1990 te [Geboorteplaats] wonende te [Adres] raadsman: J.H.E.M. Kersemaekers, advocaat te Breda 1Onderzoek van de zaak De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 24 augustus 2020, waarbij de officier van justitie, mr. Weijers, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. 2De tenlastelegging De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte heeft geprobeerd een aantal personen van het leven te beroven of hen zwaar lichamelijk letsel toe te brengen door met een vuurwapen op die personen te schieten dan wel dat verdachte deze personen heeft bedreigd. 3De voorvragen De dagvaarding is geldig. De rechtbank is bevoegd. De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging. Er is geen reden voor schorsing van de vervolging. 4De beoordeling van het bewijs 4.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht de primair ten laste gelegde poging doodslag op de in de tenlastelegging genoemde personen wettig en overtuigend bewezen, waarbij zij uitgaat van voorwaardelijk opzet aan de zijde van verdachte. Op basis van het dossier kan worden vastgesteld, dat verdachte op 8 oktober 2017 heeft geschoten met een vuurwapen in een ruimte op zijn eigen binnenvaartschip en naar de motorboot van [Naam 1] . Op zijn eigen binnenvaartschip heeft verdachte op ongeveer vijf meter afstand één keer geschoten in de richting van [Naam 1] , die zich lager dan verdachte bevond in een ruimte van het schip. Door op die wijze een schot te lossen in een kleine donkere ruimte bestaat de aanmerkelijke kans op een dodelijk gevolg, welke kans door verdachte is aanvaard. Naar de uiterlijke verschijningsvorm was het handelen van verdachte gericht op het ombrengen van [Naam 1] . Verdachte heeft verder twee keer geschoten op de ruit van de kajuit van de motorboot, terwijl hij wist of in ieder geval had moeten vermoeden dat er personen aanwezig waren op die motorboot. Hij heeft daarmee bewust het risico genomen dat hij personen zou raken die zich bevonden in de ruimte achter die ruit en dat die personen daardoor het leven zouden laten. De verklaring van verdachte over die bewuste nacht is ongeloofwaardig, nu hij wisselend en tegenstrijdig heeft verklaard en zijn verklaring niet past bij de overige onderzoeksbevindingen. 4.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft vrijspraak bepleit van de primair ten laste gelegde poging doodslag. Verdachte ontkent dat hij op de plaats delict was ten tijde van de schietpartij en daarvoor bestaat ook geen overtuigend bewijs. De verklaringen van de zeven leden van de vriendengroep van [Naam 1] kunnen namelijk niet als betrouwbaar worden aangemerkt. Wanneer de rechtbank wel bewezen acht dat verdachte ter plaatse was, geldt dat op basis van het forensisch onderzoek niet met zekerheid kan worden vastgesteld, dat hij met scherp heeft geschoten. Ook kan niet kan worden uitgesloten dat het sporenbeeld is aangetast. Verder kan niet worden bewezen dat sprake was van voorwaardelijk opzet aan de zijde van verdachte, nu het dossier daarvoor contra-indicaties bevat. Ten slotte is het zeer wel mogelijk dat een onbekende derde heeft geschoten. Verschillende personen hebben schimmen gezien op de dijk en hoorden een oudere man, niet zijnde verdachte, roepen dat “ze” van de boot af moesten. 4.3 Het oordeel van de rechtbank 4.3.1 De bewijsmiddelen De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht. 4.3.2 De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs De rechtbank acht de primair ten laste gelegde poging doodslag op alle in de tenlastelegging genoemde personen bewezen en overweegt daartoe het volgende. Betrouwbaarheid aangevers en getuigen De verdediging heeft ter adstructie van haar betrouwbaarheidsverweer aangevoerd dat [Naam 1] , [Naam 2] , [Naam 3] , [Naam 4] , [Naam 5] , [Naam 6] en [Naam 7] in de nacht van 7 op 8 oktober 2017 onder invloed waren van drugs en dat dit hun waarnemingsvermogen ernstig moet hebben vertroebeld. Daarnaast kan volgens de verdediging niet worden uitgesloten dat deze personen hun verklaringen op elkaar hebben afgestemd, nu zij vóór het doen van aangifte contact met elkaar hebben gehad. Anders dan de verdediging acht de rechtbank de verklaringen van genoemde zeven personen wel betrouwbaar. Hun verklaringen zijn immers zó gedetailleerd en zowel op zichzelf als ten opzichte van elkaar dermate consistent, dat niet aannemelijk is dat dat deze personen dusdanig onder invloed waren dat zij geen betrouwbare waarnemingen meer konden doen. Er bestaan voorts geen aanwijzingen dat sprake is geweest van afstemming. De rechtbank is zich ervan bewust dat de zeven vrienden na het schietincident contact met elkaar hebben gehad. Dit duidt echter niet zonder meer op afstemming, maar op normaal menselijk handelen. Het is immers niet opmerkelijk of vreemd dat vrienden met elkaar willen spreken als zij samen zoiets heftigs als een schietincident hebben meegemaakt. Daar komt bij dat hun verklaringen steun vinden in objectieve onderzoeksbevindingen, zoals de 112-melding. Zo wordt door de centralist van de meldkamer gehoord dat een man zegt “wie zit je te bellen” waarop een andere man zegt “wij bellen de politie natuurlijk”, wat volledig overeenkomt met de verklaringen van [Naam 1] , [Naam 2] , [Naam 6] en [Naam 4] die allen verklaren dat [Naam 2] aan het bellen was, dat verdachte haar vroeg wie zij aan het bellen was en dat [Naam 1] daarop zei dat ze de politie aan het bellen waren. Ook passen de verklaringen bij de bevindingen van de politie die diezelfde nacht kort na de melding zijn gedaan. Zo heeft de politie op het dek van de motorboot van [Naam 1] twee hulzen aangetroffen en ook op het dek van een ponton naast het binnenvaartschip van verdachte een huls. Daarnaast nam de politie vermoedelijke kogelgaten in de voorruit van de motorboot waar. Gezien het voorgaande hecht de rechtbank geloof aan de verklaringen van de zeven aangevers/getuigen en worden deze voor het bewijs gebruikt. Betrokkenheid verdachte De rechtbank stelt op basis van de bewijsmiddelen vast dat [Naam 1] , [Naam 2] , [Naam 4] en [Naam 6] op 7 oktober 2017 omstreeks 22:00 uur zijn gaan varen met de motorboot van [Naam 1] en dat zij kort daarna hebben aangemeerd bij [Naam 8] in Werkendam. Omstreeks 23:00 uur voegt [Naam 3] zich bij het gezelschap en niet veel later, ná 0:00 uur, kwamen ook [Naam 5] en [Naam 7] naar de jachthaven. Een aantal van deze in totaal zeven personen bezocht, in wisselende samenstellingen, niet alleen de boot van [Naam 1] maar ook het binnenvaartschip van verdachte. Tussen 23:00 uur en 0:00 uur is ook verdachte even in de jachthaven geweest, waar hij kort heeft gesproken met [Naam 1] . [Naam 1] bevond zich tijdens dit gesprek op zijn eigen boot. Ook sprak verdachte met [Naam 2] , [Naam 4] en met [Naam 3] die op het binnenvaartschip van verdachte waren. Verdachte en [Naam 2] zijn samen van het binnenvaartschip af gelopen, waarna verdachte is weggegaan. Op 8 oktober 2017 omstreeks 01:30 uur waren [Naam 2] [Naam 3] , [Naam 5] en [Naam 6] aan het kaarten in de kajuit van de motorboot. Er brandde op dat moment licht op deze boot. Omstreeks datzelfde tijdstip bevonden [Naam 1] , [Naam 4] en [Naam 7] zich op het binnenvaartschip van verdachte. De rechtbank is van oordeel dat op grond van de bewijsmiddelen met zekerheid kan worden vastgesteld, dat verdachte op dat moment voor de tweede keer naar de jachthaven is gekomen, vergezeld door twee personen, en dat hij ditmaal een vuurwapen bij zich droeg waarmee hij diverse schoten heeft gelost. Verdachte heeft eerst twee keer geschoten op de ruit van de kajuit van de motorboot van [Naam 1] . Vervolgens is hij zijn eigen binnenvaartschip binnengegaan. Daar heeft verdachte met zijn vuurwapen geschoten in de richting van [Naam 1] op een afstand van ongeveer vijf tot zeven meter. [Naam 1] bevond zich op dat moment in een bijna donkere ruimte waar een aggregaat stond, welke via een gang te bereiken was. Forensische bevindingen Wanneer de hiervoor omschreven gang van zaken in het licht wordt bezien van de resultaten van het verrichte (forensisch) sporenonderzoek, staat voor de rechtbank voldoende vast dat de beschadigingen in de ruit van de kajuit zijn veroorzaakt door kogelprojectielen en dat de drie gevonden hulzen verband houden met het schietincident. Daarmee staat voor de rechtbank vast dat verdachte met scherp heeft geschoten en dat hij heeft geschoten met een semiautomatisch vuurwapen. Het ter zake door de verdediging gevoerde verweer dat het forensisch onderzoek geen 100% zekerheid geeft, doet daar niet aan af. Dat het sporenbeeld – met name het ter zake relevante sporenbeeld van hulzen en projectielinslagen – mogelijk is aangetast, is niet met redengevende feiten en omstandigheden onderbouwd door de verdediging. Het dossier bevat daar ook geen aanwijzingen voor. Gelet hierop en op de deskundigheid van de forensisch onderzoekers gaat de rechtbank uit van de juistheid van het door hen op ambtseed en ambtsbelofte opgemaakte proces-verbaal. Voorwaardelijk opzet Op het moment dat verdachte de twee schoten loste op de ruit van de kajuit van de motorboot, brandde er licht op die boot. Gelet hierop en op het gegeven dat verdachte nog geen twee uur eerder met eigen ogen had waargenomen dat [Naam 1] en zijn vrienden aanwezig waren op de motorboot en het binnenvaartschip, had verdachte moeten vermoeden dat er wellicht nog steeds personen in de kajuit aanwezig waren. Verdachte heeft vervolgens op zijn binnenvaartschip geschoten op [Naam 1] op een afstand van maximaal zeven meter, terwijl [Naam 1] in een donkere en smalle ruimte stond. Volgens [Naam 1] passeerde de kogel hem op zo’n 30 centimeter. Naar het oordeel van de rechtbank had dit schietincident – ongeacht de intenties van verdachte – door, bijvoorbeeld, een afketsende kogel of een onhandige handeling met het wapen, heel anders af kunnen lopen. [Naam 1] had geraakt kunnen worden met mogelijk fatale gevolgen. Ten aanzien van beide schietincidenten is de rechtbank van oordeel dat, door onder genoemde omstandigheden met een semiautomatisch wapen te schieten, verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat de hiervoor genoemde personen zouden komen te overlijden. Verdachte heeft, blijkens de wijze van handelen, deze kans ook welbewust aanvaard en op de koop toe genomen. Dat maakt dat sprake was van voorwaardelijk opzet aan de zijde van verdachte. Het voorgaande in ogenschouw genomen, komt de rechtbank tot een bewezenverklaring zoals hierna onder 4.4 wordt weergegeven. 4.4 De bewezenverklaring De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 08 oktober 2017 te Werkendam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [Naam 1] en [Naam 3] en [Naam 2] en [Naam 5] en [Naam 6] opzettelijk van het leven te beroven, met dat opzet (meermalen) met een vuurwapen heeft geschoten in de richting van die [Naam 1] en [Naam 3] en [Naam 2] en [Naam 5] en [Naam 6] , terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid. De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. 5De strafbaarheid Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op. Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit. 6De strafoplegging 6.1 De vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaar met aftrek van voorarrest. 6.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft aangevoerd dat de redelijke termijn ex artikel 6 EVRM is geschonden, dat verdachte een blanco strafblad heeft en dat hij op zakelijk gebied al veel is kwijtgeraakt door de verdenking. 6.3 Het oordeel van de rechtbank Verdachte heeft zich op 8 oktober 2017 schuldig gemaakt aan een poging doodslag op vijf personen. Hij is naar een jachthaven gegaan en heeft daar met een semiautomatisch vuurwapen diverse schoten afgevuurd. Hij heeft twee keer geschoten op een kajuit van een motorboot waar op dat moment [Naam 2] , [Naam 3] , [Naam 5] en [Naam 6] aan het kaarten waren. Vervolgens is hij zijn eigen binnenvaartschip binnengegaan en heeft daar geschoten in de richting van [Naam 1] , die maar enkele meters bij hem vandaan stond. Verdachte was een bekende voor een paar van de slachtoffers. Het spreekt voor zich dat de daden van verdachte veel vragen bij hen hebben opgeroepen en dat het schietincident een traumatische ervaring voor hen is geweest. Misdrijven tegen het leven gericht behoren tot de ernstigste misdrijven die het wetboek van strafrecht kent. Aan een poging doodslag wordt derhalve zwaar gewicht toegekend. Bij de bepaling van de op te leggen straf zal de rechtbank rekening houden met de straffen die doorgaans voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Ook zal zij in de beoordeling meenemen dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten. Verder houdt de rechtbank er rekening mee dat er weliswaar sprake was van twee schietincidenten die hebben geresulteerd in een poging doodslag op vijf personen, maar ook dat het eerste schietincident twee schoten betrof op een ruit waarachter zich vier personen bevonden. Dat is - hoe ernstig ook - een andere situatie dan die waarbij onderscheidenlijke schietincidenten op vier afzonderlijke personen plaatsvinden. Verdachte heeft tot de dag van de zitting - bijna drie jaar later - geen openheid van zaken of uitleg willen geven. Hij heeft lang de tijd gehad om zijn daden te overdenken, maar kiest ervoor om geen verantwoordelijkheid te nemen voor zijn daden. De rechtbank vindt dit bijzonder kwalijk en zal dit bij de strafbepaling in het nadeel van verdachte meewegen. Alles afwegend komt de rechtbank tot het oordeel dat niet kan worden volstaan met oplegging van een andere straf dan één die vrijheidsbeneming met zich brengt. De rechtbank ziet geen ruimte voor een andere of lichtere sanctie. De rechtbank acht een gevangenisstraf van 40 maanden passend. Als uitgangspunt heeft echter te gelden dat de behandeling van een zaak ter terechtzitting in eerste aanleg dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar, nadat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. De rechtbank is van oordeel dat de redelijke termijn in deze is overschreden, terwijl geen sprake is geweest van bijzondere omstandigheden. Deze overschrijding moet naar het oordeel van de rechtbank leiden tot matiging van de duur van de op te leggen gevangenisstraf. Het voorgaande afwegend, zal de rechtbank verdachte veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaar, met aftrek van voorarrest. 7De benadeelde partij Benadeelde partij [Naam 1] De benadeelde partij [Naam 1] vordert een schadevergoeding van € 2.023,50, waarvan € 473,50 voor materiële schade en € 1.550,00 voor immateriële schade. De rechtbank is van oordeel dat de immateriële schade een rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde feit en acht verdachte aansprakelijk voor die schade. Het gevorderde is voldoende aannemelijk gemaakt, zodat het bedrag van € 1.550,00 zal worden toegewezen. De rechtbank acht het gevorderde bedrag van € 473,50 voor de materiële schade onvoldoende aannemelijk gemaakt, terwijl een nadere onderbouwing tot een onevenredige belasting voor het strafproces zou leiden. De benadeelde partij zal daarom in dat deel van de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard. Met betrekking tot de toegekende vordering benadeelde partij zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen. Tevens zal de gevorderde wettelijke rente worden toegewezen vanaf het tijdstip waarop het feit werd gepleegd. De benadeelde partij [Naam 2] De benadeelde partij [Naam 2] vordert een schadevergoeding van € 1.550,00 voor immateriële schade. De rechtbank is van oordeel dat de immateriële schade een rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde feit en acht verdachte aansprakelijk voor die schade. Het gevorderde is voldoende aannemelijk gemaakt, zodat het bedrag van € 1.550,00 zal worden toegewezen Met betrekking tot de toegekende vordering benadeelde partij zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen. Tevens zal de gevorderde wettelijke rente worden toegewezen vanaf het tijdstip waarop het feit werd gepleegd. 8Het beslag 8.1 De onttrekking aan het verkeer De twee in beslag genomen hulzen (G1790995 en G1786550) zijn vatbaar voor onttrekking aan het verkeer. Gebleken is dat het feit is begaan met behulp van deze voorwerpen. 8.2 De teruggave aan verdachte De rechtbank zal de teruggave aan verdachte gelasten van de onder hem in beslag genomen mobiele telefoon (G1786630). 9De wettelijke voorschriften De beslissing berust op de artikelen 36c, 45 en 285 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde. 10De beslissing De rechtbank: Bewezenverklaring - verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven; - spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd; Strafbaarheid - verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert: Poging doodslag, meermalen gepleegd; - verklaart verdachte strafbaar; Strafoplegging - veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 3 jaar; - bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf; Benadeelde partij [Naam 1] veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [Naam 1] van € 1.550,00 ter zake van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen vanaf 8 oktober 2017 tot aan de dag der algehele voldoening; veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil; verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat de vordering voor dat gedeelte bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht; legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [Naam 1] € 1.550,00 te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen vanaf 8 oktober 2017 tot aan de dag der algehele voldoening; bepaalt dat bij niet betaling 25 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft; bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd; Benadeelde partij [Naam 2] veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [Naam 2] van € 1.550,00 ter zake van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen vanaf 8 oktober 2017 tot aan de dag der algehele voldoening; veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil; legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [Naam 2] € 1.550,00 te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen vanaf 8 oktober 2017 tot aan de dag der algehele voldoening; bepaalt dat bij niet betaling 25 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft; bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd; Beslag - verklaart onttrokken aan het verkeer de twee in beslag genomen hulzen (G1790995 en G1786550); - gelast de teruggave aan verdachte van onder hem in beslag genomen telefoon (G1786630). Dit vonnis is gewezen door mr. Diepenhorst, voorzitter, mr. Beudeker en mr. Los, in tegenwoordigheid van mr. Hoezen, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 7 september
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.