RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Strafrecht Zittingsplaats: Middelburg parketnummer: 02/700128-17 vonnis van de meervoudige kamer van 17 september 2020 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren op [geboortedag] 1997 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] , raadsman mr. A.H.J. Bals, advocaat te Kloetinge. 1Onderzoek van de zaak De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 3 september 2020, waarbij de officier van justitie L. van den Oever en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. 2De tenlastelegging De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. De verdenkingen komen er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte op 28 juni 2017 in Groede, gemeente Sluis (feit 2 en 3: in elk geval in Nederland en/of Belgie) feit 1 met een motorvoertuig met hoge snelheid op [slachtoffer] (hoofdagent van de politie Zeeland-West-Brabant) is afgereden, wat aan verdachte wordt verweten als een poging tot doodslag, althans een poging tot zware mishandeling; feit 2 een motorvoertuig heeft bestuurd terwijl hij onder invloed verkeerde van alcohol (345 microgram) en terwijl hij nog geen vijf jaren over zijn rijbewijs beschikte; feit 3 als gevolg van meerdere gedragingen gevaar op de weg heeft veroorzaakt. 3De voorvragen De dagvaarding is geldig. De rechtbank is bevoegd. De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging. Er is geen reden voor schorsing van de vervolging. 4De beoordeling van het bewijs 4.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1 subsidiair, 2 en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan. Zij baseert zich daarbij ten aanzien van de feiten 2 en 3 op de bekennende verklaring van verdachte. Ten aanzien van feit 1 voert zij aan dat verdachte van het primair tenlastegelegde moet worden vrijgesproken nu niet vastgesteld kan worden met welke snelheid verdachte op verbalisant [slachtoffer] is afgereden. Wel heeft verdachte door te handelen zoals hij heeft gedaan bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat [slachtoffer] hierdoor zwaar lichamelijk letsel zou kunnen oplopen. 4.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van het onder feit 1 primair en subsidiair ten laste gelegde feit nu er twijfels bestaan over de juistheid van de verklaring van verbalisant [slachtoffer] . Ten aanzien van de feiten 2 en 3 refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank. 4.3 Het oordeel van de rechtbank 4.3.1 De bewijsmiddelen De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht. 4.3.2 De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs feit 1 Op grond van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat er in de nacht van 28 juni 2017 een achtervolging door de Belgische politie heeft plaatsgevonden waarbij verdachte, als bestuurder van een motorvoertuig, een Ford Transit, is gevlucht voor de politie omdat hij onder invloed van alcohol verkeerde. Nadat de Nederlandse politie hier melding van kreeg heeft [slachtoffer] , hoofdagent van de politie Zeeland-West-Brabant, geprobeerd om de Noordweg in Groede grotendeels af te sluiten door met behulp van het dienstvoertuig een barrière te vormen. Het dienstvoertuig werd op de weg geparkeerd ter hoogte van de plaatsnaamborden. Aan de voorzijde van de twee plaatsnaamborden staat aan beide kanten van de weg een bloembak. Naast de weg bevindt zich een berm die over een breedte van ongeveer een halve meter verhard is met zogenaamde ‘doorgroei stenen’. De afstand tussen de twee plaatsnaamborden bedroeg 6,7 meter en het dienstvoertuig is 2,2 meter breed. Gelet hierop bedroeg de maximale doorrijdbreedte 4,5 meter. De feitelijke doorrijdbreedte is minder geweest omdat het dienstvoertuig niet direct tegen het plaatsnaambord stond. Ter plaatse was geen straatverlichting of overige verlichting aanwezig en buiten was het donker. Verder stelt de rechtbank vast dat de Ford Transit van verdachte op enig moment met een hoge snelheid in de richting van de Nederlandse politie kwam rijden. [slachtoffer] opende toen het portier van het dienstvoertuig om een groter gedeelte van de weg af te sluiten. [slachtoffer] is uit het dienstvoertuig gestapt. Verdachte heeft afgeremd op het moment dat hij het dienstvoertuig zag staan. Hij werd verblind door het tegenlicht afkomstig van de koplampen van het dienstvoertuig en een stofwolk. Hij had nog kunnen remmen, maar hij besloot het dienstvoertuig langs de rechterkant door de berm voorbij te rijden door een uitwijkbeweging te maken. Op het moment van passeren reed hij tussen de 30 en 50 kilometer per uur. Er werd een bloembak geraakt. Doordat de Ford Transit van verdachte in de richting van [slachtoffer] kwam gereden heeft [slachtoffer] de noodzaak gevoeld om op het laatste moment weg te rennen om achter zijn dienstauto te komen en om zijn dienstwapen te gebruiken. Hij heeft eenmaal geschoten voordat de Ford Transit hem rakelings passeerde en hij weg moest springen. Hierna heeft hij nog tweemaal in de richting van de Ford Transit geschoten. De verdediging heeft verweer gevoerd ten aanzien van de betrouwbaarheid van de verklaring van [slachtoffer] . De rechtbank overweegt dat de verklaring van [slachtoffer] ondersteund wordt door meerdere getuigenverklaringen in het dossier. Er zijn meerdere getuigen gehoord die verklaren dat zij zagen dat [slachtoffer] weg moest springen omdat hij anders werd aangereden, dat hij rakelings gepasseerd werd door de Ford Transit of dat zij dachten dat hij zou worden aangereden. De rechtbank acht de verklaring van [slachtoffer] , die op ambtsbelofte is opgemaakt en ondersteund wordt door andere bewijsmiddelen betrouwbaar en zal deze daarom voor het bewijs gebruiken. De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat verdachte op 28 juni 2017 in Groede op verbalisant [slachtoffer] is afgereden. Vervolgens is de juridische vraag of dit als een poging tot doodslag of een poging tot zware mishandeling kan worden gekwalificeerd. Het met een auto op iemand inrijden kán dodelijk letsel tot gevolg hebben, maar dat hangt onder meer af van de snelheid waarmee met de auto op iemand wordt ingereden en de positie van de auto ten opzichte van het slachtoffer. Niet is komen vast te staan dat verdachte met een hoge snelheid op verbalisant [slachtoffer] is afgereden. Evenmin is duidelijk geworden wat de exacte positie van verbalisant [slachtoffer] ten opzichte van de Ford Transit was toen verdachte met zijn auto op hem afreed. De rechtbank is dan ook van oordeel dat niet is komen vast te staan dat verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat verbalisant [slachtoffer] door zijn handelen zou komen te overlijden. Dit betekent dat niet kan worden bewezen dat verdachte met voorwaardelijk opzet op de dood van [slachtoffer] heeft gehandeld. De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van de primair ten laste gelegde poging tot doodslag. Ten aanzien van de subsidiair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling overweegt de rechtbank dat zij niet bewezen acht dat verdachte onvoorwaardelijk opzet had op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan [slachtoffer] . Voor de rechtbank staat voldoende vast dat het niet de bedoeling van verdachte was om [slachtoffer] aan te rijden en hem te verwonden. Naar het oordeel van de rechtbank kan wel worden vastgesteld dat er een aanmerkelijke kans bestond dat [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. Immers, naar algemene ervaringsregels levert een aanrijding van een persoon door een auto die met meer dan geringe snelheid rijdt – in dit geval tussen de 30 en 50 kilometer per uur - de aanmerkelijke kans op dat het slachtoffer daardoor zwaar lichamelijk letsel oploopt. Ook verdachte moet zich daarvan bewust zijn geweest. De vraag is vervolgens of de verdachte deze aanmerkelijke kans willens en wetens heeft aanvaard. De rechtbank is van oordeel dat de uitwijkmanoeuvre die verdachte stelt te hebben gemaakt dit niet uitsluit. Zowel het remmen als de stuurbeweging van verdachte als de combinatie van die twee handelingen, waren naar het oordeel van de rechtbank dermate inadequaat om een aanrijding te voorkomen - daarvoor was het zicht te slecht en de ruimte om het dienstvoertuig te passeren te klein - dat de rechtbank niet aannemelijk acht dat deze handelingen van verdachte daarop gericht waren. Naar het oordeel van de rechtbank kan uit de voornoemde bewijsmiddelen, in samenhang bezien, worden opgemaakt dat het rijgedrag van de verdachte er veeleer op was gericht om koste wat kost te voorkomen dat de politie hem zou aanhouden, ook indien dat betekende dat hij anderen daarmee in gevaar bracht. Door in dit geval de barrière van de verbalisanten te negeren en niet op tijd en niet genoeg te remmen of uit te wijken om een aanrijding te voorkomen, heeft verdachte het aan laten komen op de vraag of [slachtoffer] erin zou slagen tijdig weg te komen. Daarmee heeft verdachte willens en wetens aanvaard dat – als dat niet zou gebeuren – [slachtoffer] door de aanrijding, die dan zou zijn gevolgd, zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. Gelet hierop acht de rechtbank het voorwaardelijk opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan [slachtoffer] bewezen. feit 2 De rechtbank acht dit feit wettig en overtuigend bewezen gelet op de bekennende verklaring van verdachte en de verder in bijlage II genoemde bewijsmiddelen. feit 3 De rechtbank acht dit feit wettig en overtuigend bewezen gelet op de bekennende verklaring van verdachte en de verder in bijlage II genoemde bewijsmiddelen. De rechtbank overweegt wel dat gelet op de wijze van tenlastelegging (namelijk door gebruik te maken van een impliciet subsidiair) verdachte zal moeten worden vrijgesproken van alle gedachtestreepjes die zien op gedragingen en/of onderdelen gepleegd in België. 4.4 De bewezenverklaring De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte feit 1 subsidiair op 28 juni 2017 te Groede, gemeente Sluis, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] (hoofdagent van de politie Zeeland West-Brabant) opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen met een motorvoertuig op die [slachtoffer] af te rijden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; feit 2 op 28 juni 2017 te Groede, gemeente Sluis, als bestuurder van een motorrijtuig, een Ford Transit, dit motorrijtuig heeft bestuurd na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek als bedoeld in artikel 8, derde lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 345 microgram, per liter uitgeademde lucht bleek te zijn, terwijl voor het besturen van dat motorrijtuig een rijbewijs was vereist en sedert de datum waarop aan hem voor de eerste maal een rijbewijs was afgegeven nog geen vijf jaren waren verstreken en de eerste afgifte van het rijbewijs op of na 30 maart 2002 heeft plaatsgevonden; feit 3 op 28 juni 2017 te Groede, gemeente Sluis, als bestuurder van een voertuig (een motorvoertuig (Ford Transit)), daarmee rijdende op de weg, de Noordweg, - met een hogere snelheid dan ter plaatse (binnen en buiten de bebouwde kom) toegestaan heeft gereden op Nederlands grondgebied, en - op hoofdagent van politie [slachtoffer] is afgereden, en, - het voertuig heeft bestuurd na het gebruik van alcohol, door welke gedragingen van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt. Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad. De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. 5De strafbaarheid Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op. Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit. 6De strafoplegging 6.1 De vordering van de officier van justitie De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een werkstraf ter hoogte van 180 uur te vervangen door 90 dagen jeugddetentie met aftrek van voorarrest en als bijkomende straf op te leggen een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van zes maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van een jaar. Zij heeft bij haar eis rekening gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn en de lange duur van de schorsing van de voorlopige hechtenis. 6.2 Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft verzocht om, rekening houdend met het tijdsverloop, aan verdachte een straf gelijk aan het voorarrest op te leggen dan wel een geheel voorwaardelijke straf. 6.3 Het oordeel van de rechtbank Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling op een agent door met zijn auto op hem af te rijden. Verdachte was op dat moment alleen maar bezig om zo snel mogelijk weg te komen van de Belgische politie en heeft geen oog gehad voor de Nederlandse politieagenten die voor hem een barrière barricade vormden. Verdachte was bang dat zijn rijbewijs zou worden afgepakt omdat hij reed onder invloed van alcohol. De ervaring leert dat dit soort feiten grote impact op slachtoffers kunnen hebben. Dat het handelen van verdachte ook op [slachtoffer] een grote impact heeft gehad blijkt uit zijn onderbouwing van de vordering tot schadevergoeding. Met name het feit dat hij zich door de dreiging die van het handelen van verdachte uitging, genoodzaakt voelde zijn vuurwapen te trekken en dat ook te gebruiken, heeft diepe indruk op [slachtoffer] gemaakt. De rechtbank overweegt verder dat het handelen van verdachte niet alleen impact heeft gehad op [slachtoffer] , maar ook op de vier inzittenden van verdachtes auto die blijkens hun verklaringen erg bang waren. Verdachte was als bestuurder van de auto ook voor hun verantwoordelijk. Hij heeft met dit alles geen rekening gehouden. De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van verdachte van 6 augustus 2020 Hieruit blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld wegens soortgelijke strafbare feiten. Ook heeft de rechtbank kennisgenomen van het reclasseringsadvies van Emergis van 30 maart 2018 waarin wordt geadviseerd het jeugdstrafrecht toe te passen. Verdachte was ten tijde van het feit negentien jaar oud. Hij heeft de risico’s van zijn handelen slecht ingeschat en de gevolgen en consequenties hiervan nooit overzien. Vanuit het verdiepingsonderzoek uitgevoerd door de Forensische Zorg Zeeland komt naar voren dat de prefrontale cortex zich nog aan het ontwikkelen is van het zeventiende tot vierentwintigste levensjaar. Dit gebied gaat over zelfbeheersing, planning en vooruit denken. Daarnaast lijkt het onmiddellijk probleemoplossend vermogen en het denk- en handelingstempo op grond van de resultaten van het intelligentieonderzoek bij verdachte wat minder sterk ontwikkeld, dan wel lager te liggen onder invloed van stress. De invloed van alcohol lijkt een negatieve rol te hebben gespeeld in het adequaat beoordelen van situaties. Dit maakte het inschatten van de situatie en het in een split second afwegen wat te doen lastiger. De rechtbank neemt het advies van de reclassering over en houdt hier rekening mee bij de bepaling van de hoogte van de straf. Zij ziet in de persoonlijkheid van verdachte aanleiding om de in artikel 77c van het Wetboek van Strafrecht genoemde artikelen van het jeugdstrafrecht toe te passen. De rechtbank komt tot de volgende strafoplegging. De ernst en aard van het feit rechtvaardigen in beginsel een onvoorwaardelijke jeugddetentie. In deze zaak is echter sprake, zonder duidelijke reden en zonder dat hiervoor een verwijt kan worden gemaakt aan verdachte, van een behoorlijk tijdsverloop tussen de aanvang van de redelijke termijn op 28 juni 2017, zijnde de datum waarop verdachte is aangehouden, en de berechting. De redelijke termijn in strafzaken waarbij het jeugdstrafrecht wordt toegepast van zestien maanden is daarmee met 22 maanden overschreden. Dit staat haaks op het uitgangspunt om in dit soort zaken snel op te treden teneinde een pedagogisch doel te bereiken. Dit is, zeker voor een adolescent, een (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.