RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Strafrecht Zittingsplaats: Breda parketnummer: 02/064963-20 vonnis van de meervoudige kamer van 23 september 2020 in de strafzaak tegen [verdachte] geboren op [geboortedag 1] 1973 te [geboorteplaats] wonende te [adres] gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting te Vught raadsvrouw mr. D. Dotsios, advocaat te Breda 1Onderzoek van de zaak De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 9 september 2020, waarbij de officier van justitie, mr. Kerkhofs, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. 2De tenlastelegging De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte zijn nichtje van jonger dan 12 jaar meermalen seksueel heeft misbruikt. Dit is in verschillende juridische varianten ten laste gelegd. 3De voorvragen De dagvaarding is geldig. De rechtbank is bevoegd. De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging. Er is geen reden voor schorsing van de vervolging. 4De beoordeling van het bewijs 4.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan en baseert zich daarbij op de verklaring van [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ), de aangifte en de deels bekennende verklaring van verdachte. 4.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van het primair tenlastegelegde aangezien er geen steunbewijs is voor de verklaring van [slachtoffer] en verdachte ontkent. Indien de rechtbank wel komt tot een bewezenverklaring van het primair tenlastegelegde heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat enkel één maal seksueel binnendringen in Veen en één maal seksueel binnendringen in Magny-le-Hongre bewezen kan worden verklaard, aangezien de verklaring van [slachtoffer] op dit punt onbetrouwbaar is. De verdediging heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat het subsidiair tenlastegelegde bewezen kan worden verklaard. 4.3 Het oordeel van de rechtbank 4.3.1 De bewijsmiddelen De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht. 4.3.2 De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs De rechtbank is van oordeel dat op basis van de bewijsmiddelen het primair tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen, op de wijze zoals onder 4.4. opgenomen. De rechtbank baseert zich daarbij niet enkel op de verklaring van [slachtoffer] , maar ook op de (deels) bekennende verklaring van verdachte die hij bij de politie heeft afgelegd en de aangifte van de moeder van [slachtoffer] bij de politie in België. De rechtbank acht de verklaring van [slachtoffer] geloofwaardig, nu uit de aangifte van haar moeder volgt dat zij vanaf het begin consistent is in haar verklaring en zij gedetailleerd verklaart over hetgeen is voorgevallen tussen haar en verdachte. Dit geldt onder andere ten aanzien van haar verklaring over de wijze waarop het incident in het duivenhok heeft plaatsgevonden en dat er op enig moment een druppel zichtbaar was aan het geslachtsdeel van verdachte. Daarbij komt dat de gedetailleerde verklaring van [slachtoffer] ten aanzien van de gepleegde handelingen grotendeels overeenkomt met de verklaring van verdachte zelf. Voor het seksueel binnendringen met de penis of vingers in de vagina acht de rechtbank onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voor handen, omdat [slachtoffer] blijkens de aangifte van moeder in eerste instantie heeft gezegd dat daar geen sprake van was en zij ook tijdens het studioverhoor daar niet voldoende duidelijk over verklaart. Verdachte heeft deze handeling ook ontkend. Omdat de rechtbank het primair tenlastegelegde bewezen acht, komt zij niet toe aan een oordeel over de subsidiair tenlastegelegde handelingen. 4.4 De bewezenverklaring De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte hij in de periode van 19 augustus 2019 tot en met 20 oktober 2019 te Veen en/of te Magny-le-Hongre, met [slachtoffer] , geboren op [geboortedag 2] 2010, die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , immers heeft hij, verdachte - zijn vingers tussen de schaamlippen van die [slachtoffer] geduwd/gebracht en - zijn tong in de vagina en tussen de schaamlippen van die [slachtoffer] geduwd/gebracht. De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. 5De strafbaarheid Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op. Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit. 6De strafoplegging 6.1 De vordering van de officier van justitie De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 48 maanden waarvan twaalf maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. De officier van justitie verzoekt hierbij aan verdachte als bijzondere voorwaarden meldplicht, ambulante behandeling en een contactverbod met [slachtoffer] en haar moeder op te leggen. 6.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat – gezien het reclasseringsadvies, het psychologisch onderzoek en de dagen die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht – volstaan kan worden met een taakstraf, al dan niet gecombineerd met een (deels) voorwaardelijke gevangenisstraf. 6.3 Het oordeel van de rechtbank Verdachte heeft meerdere keren seksuele handelingen bij zijn op dat moment zeer jeugdige (achter)nichtje verricht, bestaande uit het seksueel binnendringen van haar lichaam met zijn vingers en zijn tong. De rechtbank gaat er vanuit dat dit zowel in [pretpark] als bij verdachte thuis is gebeurd en dat er ook andere ontuchtige handelingen hebben plaatsgevonden, zoals in het subsidiair tenlastegelegde opgenomen. Daarmee heeft verdachte niet alleen op ernstige wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van [slachtoffer] , maar ook op grove wijze misbruik gemaakt van het vertrouwen dat in hem als familielid werd gesteld en het vertrouwen dat [slachtoffer] in hem had, als oom op wie zij nota bene in het bijzonder gesteld was. In een omgeving waarin zij zich juist veilig had moeten voelen, op vakantie met haar oma en haar oom, heeft het misbruik plaatsgevonden, ook terwijl oma in dezelfde ruimte lag te slapen. Verdachte heeft zich er daarbij geen rekenschap van gegeven wat voor effect deze handelingen op het zeer jonge slachtoffer hebben en ook in de toekomst nog kunnen hebben. Minderjarigen die op deze wijze worden betrokken bij seksuele handelingen kunnen hierdoor psychische schade oplopen en kunnen worden belemmerd in het doormaken van een gezonde (seksuele) ontwikkeling. Uit de vordering van de benadeelde partij blijkt dat [slachtoffer] al psychische begeleiding en behandeling nodig heeft gehad. Dit alles rekent de rechtbank verdachte zwaar aan. Er is sprake van een zodanig ernstig feit dat een lange onvoorwaardelijke gevangenisstraf in beginsel is gerechtvaardigd. Voor soortgelijke feiten wordt in de rechtspraak doorgaans een gevangenisstraf opgelegd van 20 maanden. Verdachte is onderzocht door een GZ-psycholoog. In het onderzoeksrapport komt de psycholoog tot de conclusie dat verdachte lijdt aan een stoornis in het autistisch spectrum, die gepaard gaat met enige beperkingen in het intellectueel functioneren. Er is tevens sprake van een gespecificeerde persoonlijkheidsstoornis met vermijdende en afhankelijke trekken. Deze stoornis was er ook ten tijde van het delict en heeft ten dele invloed gehad op de gedragingen van verdachte. Volgens de psycholoog werd verdachte geprikkeld door de seksuele nieuwsgierigheid van zijn nichtje, was hij onvoldoende in staat om handelingsalternatieven te overzien en heeft hij zijn eigen nieuwsgierigheid op haar geprojecteerd. Verdachte is vervolgens op een vermijdende manier omgegaan met de negatieve ervaringen. Het voorgaande is aanleiding voor de psycholoog om te adviseren het tenlastegelegde in verminderde mate aan verdachte toe te rekenen. De psycholoog schat het risico op recidive in als laag. De rechtbank overweegt dat de psycholoog in zijn advies rekening houdt met de visie van verdachte op het seksueel misbruik, terwijl de rechtbank in de verklaring van [slachtoffer] geen aanwijzingen terugvindt dat een en ander op haar initiatief of vanuit haar (seksuele) nieuwsgierigheid heeft plaatsgevonden. Aan de andere kant heeft de rechtbank geen aanknopingspunten om voorbij te gaan aan de conclusie van de psycholoog die verdachte heeft onderzocht, dat de stoornissen van verdachte een rol hebben gespeeld bij het plegen van het strafbare feit. De rechtbank zal dan ook bij de strafoplegging rekening houden met de verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte. De reclassering heeft op 4 juni 2020 – rekening houdende met de bevindingen van de psycholoog – geadviseerd om bij veroordeling een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met onder andere als bijzondere voorwaarde dat verdachte zich ambulant laat behandelen. Gezien het voorgaande komt de rechtbank tot het opleggen van een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, waarvan 9 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, met aftrek van het voorarrest. Deze straf is lager dan zoals geëist door de officier van justitie, omdat de rechtbank uitgaat van een andere bewezenverklaring dan de officier van justitie en zij het bewezenverklaarde feit in verminderde mate aan verdachte toerekent. Als bijzondere voorwaarden worden de voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering grotendeels overgenomen, behoudens het contactverbod met minderjarigen. Het recidiverisico wordt immers als laag ingeschat. In plaats daarvan neemt de rechtbank een contactverbod met [slachtoffer] en haar moeder op ter bescherming van het slachtoffer. 7De benadeelde partij De benadeelde partij [slachtoffer] vordert een schadevergoeding van € 6.910,00, waarvan € 910,00 aan materiële schade en € 6.000,00 aan immateriële schade. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering in zijn geheel dient te worden toegewezen De verdediging heeft verzocht de immateriële schadevergoeding te matigen tot een bedrag van € 1.500,00 aangezien het causaal verband tussen het feit en de schade niet is onderbouwd. Oordeel rechtbank Nu de materiële schade ter hoogte van € 910,00 niet is betwist, zal de vordering tot vergoeding van deze schade worden toegewezen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de benadeelde partij ingevolge artikel 6:106 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van immateriële schade. Dat de benadeelde partij ten gevolge van het strafbare feit geestelijk letsel heeft opgelopen staat als onvoldoende gemotiveerd weersproken vast en dat sprake is van een ernstige inbreuk op de lichamelijke integriteit van de benadeelde partij en daarmee van een aantasting van de persoon, volgt naar het oordeel van de rechtbank reeds uit het strafbare feit zelf. Rekening houdend met de vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend, begroot de rechtbank de immateriële schadevergoeding naar billijkheid op € 5.000,00. De vordering zal voor het overige niet ontvankelijk worden verklaard. De rechtbank wijst de vordering tot een bedrag van € 5.910,00 toe, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 19 augustus 2019. Met betrekking tot de toegekende vordering benadeelde partij zal de rechtbank tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen. 8De wettelijke voorschriften De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 57, 244 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde. 9De beslissing De rechtbank: Bewezenverklaring - verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven; - spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd; Strafbaarheid - verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert: met iemand beneden de leeftijd van twaalf jaren handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd; - verklaart verdachte strafbaar; Strafoplegging - veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van achttien maanden, waarvan negen maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar; - bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd de hierna vermelde voorwaarden niet heeft nageleefd; - stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit; - stelt als bijzondere voorwaarden: * dat verdachte zich meldt na het onherroepelijk worden van het vonnis bij Reclassering Nederland 0888041505. Verdachte dient zich te blijven melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt; * dat verdachte zich laat behandelen door Kairos, Het Dok of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Verdachte dient zich te houden aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Het innemen van medicijnen kan onderdeel zijn van de behandeling; * dat verdachte op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal hebben of onderhouden met de minderjarige [slachtoffer] en haar moeder [getuige] ; * dat verdachte ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit, medewerking verleent aan het nemen van vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage biedt; * dat verdachte medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen; - geeft opdracht aan Reclassering Nederland tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden; - bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf; Benadeelde partij - veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] van € 5.910,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 19 augustus 2019 tot aan de dag der algehele voldoening, waarvan € 910,00 ter zake van materiële schade en € 5.000,00 ter zake van immateriële schade; - veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil; - verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk; - legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer] , € 5.910,00 te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 19 augustus 2019 tot aan de dag der algehele voldoening; - bepaalt dat bij niet betaling 64 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft; - bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd. Dit vonnis is gewezen door mr. Kooijman, voorzitter, mr. Van der Burgh en mr. Dijkman, rechters, in tegenwoordigheid van Van Dijke, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 23 september 2020. Mr. Kooijman en Van Dijke zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen. Bijlage I - De tenlastelegging hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 19 augustus 2019 tot en met 20 oktober 2019 te Veen, gemeente Altena, in elk geval in Nederland en/of te Magny-le-Hongre, in elk geval in Frankrijk met [slachtoffer] , geboren op [geboortedag 2] 2010, die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, een of meer handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , immers heeft hij, verdachte (telkens) - zijn penis en/of een of meer vinger(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.