RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Bestuursrecht zaaknummer: BRE 20/5194 WW uitspraak van 23 juli 2020 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiseres], te [plaatsnaam], eiseres, en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV, kantoor Hengelo), verweerder. Procesverloop Het UWV heeft met het besluit op bezwaar van 11 februari 2020 beslist op het bezwaar van eiseres tegen een besluit over haar uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW). Eiseres heeft op 22 februari 2020 per e-mail gereageerd op dit besluit op bezwaar en aan het UWV verzocht dat besluit te corrigeren. Het UWV heeft deze e-mail doorgestuurd aan de rechtbank Overijssel om als beroep te worden behandeld. De rechtbank Overijssel heeft die e-mail vervolgens aan deze rechtbank doorgezonden om hier als beroep te worden behandeld. Overwegingen In de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is de verplichting opgenomen om griffierecht te betalen. Eiseres is ook schriftelijk gewezen op deze verplichting. Na dit verzoek is echter geen betaling ontvangen. De rechtbank heeft daarom op 10 april 2020 aan eiseres een aangetekende betalingsherinnering gestuurd. Daarin heeft de rechtbank meegedeeld dat het griffierecht nog niet is ontvangen en dat dat alsnog binnen 4 weken moet zijn overgemaakt, met de waarschuwing dat als het griffierecht niet op tijd wordt overgemaakt het risico bestaat dat het beroep van eiser niet-ontvankelijk wordt verklaard. Daarnaast heeft de rechtbank in de brief van 12 maart 2020 aan eiseres gevraagd om binnen 4 weken een kopie van het besluit waar zij het niet mee eens is op te sturen (bestreden besluit). In deze brief is voorts aangegeven dat als niet wordt voldaan aan dit verzoek het beroep niet-ontvankelijk kan worden verklaard. De rechtbank stelt vast dat het griffierecht niet binnen 4 weken na 10 april 2020 is ontvangen. Ook heeft eiseres niet binnen 4 weken na 12 maart 2020 een kopie van het bestreden besluit aan de rechtbank gezonden. De rechtbank zal het beroep daarom kennelijk niet-ontvankelijk verklaren en niet op een zitting behandelen. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.M.L. van de Sande, rechter, in aanwezigheid van mr. H.D. Sebel, griffier, op 23 juli 2020 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. De griffier is niet in de gelegenheid om deze uitspraak te ondertekenen. griffier rechter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kunnen partijen en andere belanghebbenden verzet doen bij de rechtbank. De termijn voor het indienen van een verzetschrift bedraagt zes weken en vangt aan op de dag na de verzending van deze uitspraak. WETTELIJK KADER Artikel 8:41, eerste lid, van de Awb luidt als volgt: Van de indiener van het beroepschrift wordt door de griffier een griffierecht geheven. Artikel 8:41, vierde lid, van de Awb luidt als volgt: De griffier deelt de indiener van het beroepschrift mede welk griffierecht is verschuldigd en wijst hem daarbij op het bepaalde in het vijfde en zesde lid. Artikel 8:41, vijfde lid, van de Awb luidt als volgt: Het griffierecht dient binnen vier weken na verzending van de mededeling van de griffier te zijn bijgeschreven op de rekening van het gerecht dan wel ter griffie te zijn gestort. Artikel 8:41, zesde lid, van de Awb luidt als volgt: Indien het bedrag niet tijdig is bijgeschreven of gestort, is het beroep niet-ontvankelijk, tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. Artikel 8:54, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb luidt als volgt: Totdat partijen zijn uitgenodigd om op een zitting van de bestuursrechter te verschijnen, kan de bestuursrechter het onderzoek sluiten, indien voortzetting van het onderzoek niet nodig is, omdat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.