RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Strafrecht Zittingsplaats: Breda parketnummer: 02/210920-19 vonnis van de meervoudige kamer van 23 september 2020 in de strafzaak tegen [Verdachte] geboren op [Geboortedag] 1997 te [Geboorteplaats- en land] wonende te [Adres] raadsman mr. R.T.A.G. Keller, advocaat te Tilburg. 1Onderzoek van de zaak De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 9 september 2020, waarbij de officier van justitie, mr. De Graaf, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. 2De tenlastelegging De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte zich op 30 augustus 2019 te Tilburg heeft schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag dan wel een poging tot zware mishandeling. 3De voorvragen De dagvaarding is geldig. De rechtbank is bevoegd. De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging. Er is geen reden voor schorsing van de vervolging. 4De beoordeling van het bewijs 4.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie neemt de verklaring van verdachte als uitgangspunt en stelt vast dat verdachte aangever [Slachtoffer] met kracht met een sleutel heeft gestoken in de linkerschouder. De officier van justitie vordert om verdachte vrij te spreken van de impliciet primair tenlastegelegde poging tot doodslag, omdat door de gedraging van verdachte geen sprake is geweest van een aanmerkelijke kans op de dood. De officier van justitie acht de impliciet subsidiair tenlastegelegde poging tot zware mishandeling wel wettig en overtuigend bewezen. Volgens de officier van justitie heeft verdachte door in paniek met een sleutel krachtig uit te halen in de richting van de hals van [Slachtoffer] willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat [Slachtoffer] als gevolg van dat geweld zwaar lichamelijk letsel zou kunnen oplopen. 4.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging voert aan dat kan worden vastgesteld dat verdachte eenmaal heeft uitgehaald in de richting van [Slachtoffer] , terwijl hij in zijn rechterhand een sleutelbos vasthad. De verdediging verzoekt om verdachte integraal vrij te spreken, omdat op basis van het dossier niet kan worden vastgesteld dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat [Slachtoffer] door het handelen van verdachte zou komen te overlijden dan wel zwaar lichamelijk letsel zou bekomen. 4.3 Het oordeel van de rechtbank 4.3.1 De bewijsmiddelen De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht. 4.3.2 De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs De rechtbank stelt met de officier van justitie en de verdediging vast dat verdachte aangever [Slachtoffer] met kracht met een sleutel in zijn hand heeft geslagen, waardoor [Slachtoffer] een oppervlakkige steekverwonding aan zijn linkerschouder heeft opgelopen. Poging tot doodslag/poging tot zware mishandeling Op basis van de inhoud van het dossier kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden vastgesteld dat het steken met een sleutel een poging tot doodslag oplevert. De rechtbank overweegt dat het eenmaal uithalen met een sleutel in de richting van de halsstreek van aangever [Slachtoffer] niet zonder meer de aanmerkelijke kans op de dood met zich meebrengt. De rechtbank zal verdachte dan ook van de tenlastegelegde poging tot doodslag vrijspreken. De rechtbank komt wel tot een bewezenverklaring van een poging tot zware mishandeling. Door in blinde paniek met een scherp voorwerp, zoals een sleutel, in de hand met kracht uit te halen in de richting van de halsstreek van [Slachtoffer] is er een aanmerkelijke kans dat bij [Slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel zou ontstaan. Het steken met een sleutel in de halsstreek, waar vitale verbindingen voor het functioneren van het menselijke lichaam bij elkaar komen, kan immers leiden tot ernstige verwondingen met langdurige, mogelijk blijvende gevolgen. Door gebruik te maken van de sleutelbos als verdedigingswapen heeft verdachte ook deze aanmerkelijke kans aanvaard. Verdachte had dan ook het voorwaardelijk opzet op het toebrengen van lichamelijk letsel. De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat sprake is geweest van een poging om [Slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. 4.4 De bewezenverklaring De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 30 augustus 2019 te Tilburg ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [Slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die [Slachtoffer] met een sleutel in de schouder te steken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid. De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. 5De strafbaarheid 5.1 Het standpunt van de verdediging De verdediging verzoekt om verdachte te ontslaan van alle rechtsvervolging en beroept zich primair op noodweer en subsidiair op noodweerexces. Verdachte is onvrijwillig in een voor hem gevaarlijke en bedreigende situatie terecht gekomen. Verdachte is door [Slachtoffer] klemgereden en vervolgens hebben [Slachtoffer] en zijn vriend de confrontatie met verdachte opgezocht door gezamenlijk en dreigend op de portier van de auto van verdachte af te stappen, dit alles later op de avond, in het donker, op een min of meer afgelegen plek. Verdachte zag geen andere uitweg dan zichzelf en zijn auto te verdedigen en heeft daarom éénmaal uitgehaald met de sleutelbos in zijn hand. Het toegepaste verdedigingsmiddel was ook noodzakelijk en geboden, omdat vluchten geen optie was, nu verdachte met zijn auto was klemgereden en beide mannen in zijn richting kwamen. 5.2 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie voert aan dat een noodweer(exces) situatie niet aannemelijk is geworden, omdat geen sprake is geweest van een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding. Uit het dossier kan niet worden afgeleid dat [Slachtoffer] en zijn vriend geweld zouden gaan gebruiken tegen verdachte. Indien wel sprake zou van een noodweersituatie zou zijn geweest, heeft verdachte niet proportioneel gehandeld. Verdachte had in zijn auto kunnen blijven zitten en de deurportieren kunnen vergrendelen. 5.3 Het oordeel van de rechtbank De rechtbank stelt voorop dat een gerechtvaardigd beroep op noodweer vereist dat de verdediging is gericht tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding. Van een ogenblikkelijke aanranding is ook sprake bij een onmiddellijk dreigend gevaar voor een aanranding. De enkele vrees voor zo'n aanranding is daartoe echter niet voldoende. Naar het oordeel van de rechtbank kunnen de gedragingen van [Slachtoffer] en zijn vriend niet worden aangemerkt als een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding in de richting van verdachte. Van een daadwerkelijk, onmiddellijk dreigend gevaar voor verdachte is niet gebleken. Doorslaggevend daarbij is dat verdachte zich in zijn auto bevond, die hij desnoods had kunnen vergrendelen, terwijl [Slachtoffer] en zijn vriend op hem af kwamen lopen. Dat zijn auto was klemgereden is intimiderend, maar maakt nog niet dat er daadwerkelijk gevaar op hem afkwam. Evenmin waren er eerder gewelddadige incidenten tussen betrokkenen voorgevallen waaruit verdachte kon afleiden dat hij concreet gevaar liep. Dat verdachte zich bedreigd voelde en de vrees voor zo'n aanranding had, rechtvaardigt geen verdedigingsactie. Verdachte heeft een verkeerde inschatting gemaakt van de situatie waarin hij zich bevond door [Slachtoffer] – al dan niet uit door hem zelf noodzakelijk geachte voorzorg – met de sleutel(bos) te slaan. Het verweer dat verdachte handelde uit noodweer wordt verworpen. Nu geen sprake is geweest van een noodweersituatie, kan het beroep op noodweerexces niet slagen. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op. Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit. 6De strafoplegging 6.1 De vordering van de officier van justitie De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 10 dagen met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht in combinatie met een taakstraf voor de duur van 180 uur. 6.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft geen strafmaatverweer gevoerd nu zij primair vrijspraak en subsidiair ontslag van alle rechtsvervolging heeft bepleit. 6.3 Het oordeel van de rechtbank Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling. Verdachte heeft het slachtoffer met een sleutel in zijn hand geslagen, met als gevolg een steekverwonding in de schouder. Daarmee heeft verdachte het slachtoffer pijn en letsel bezorgd en een grove inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. De rechtbank rekent dit verdachte aan. De rechtbank heeft acht geslagen op de justitiële documentatie van verdachte van 16 augustus 2020 waaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten. Ook heeft de rechtbank kennisgenomen van het advies van de reclassering van 3 september
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.