← Nederland

ECLI:NL:RBZWB:2020:4748

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: BRE 19/4739 PW uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 oktober 2020 in de zaak tussen [naam eiser] , te [plaatsnaam] , eiser gemachtigde: mr. M. Wiersma, en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tholen, verweerder. Procesverloop In het besluit van 18 maart 2019 (afwijzingsbesluit) heeft het college eisers aanvraag om bijzondere bijstand voor de kosten van rechtsbijstand afgewezen. In het besluit van 31 juli 2019 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van eiser tegen het afwijzingsbesluit ongegrond verklaard. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend. Partijen zijn uitgenodigd voor de behandeling van het beroep op de zitting van 1 september

  1. Zij zijn, na voorafgaande mededeling, niet verschenen. Overwegingen
  2. Eiser heeft op 14 november 2018 bij het college een aanvraag om bijzondere bijstand ingediend. Het betreft de kosten van rechtsbijstand in bezwaar tegen een besluit met betrekking tot gezinshereniging. Nadat aanvankelijk de aanvraag buiten behandeling is gelaten en nadat eiser ontbrekende gegevens heeft overgelegd is in het afwijzingsbesluit de aanvraag afgewezen. Bij het bestreden besluit is eisers bezwaar tegen het afwijzingsbesluit, zoals geadviseerd door de Commissie van advies voor de bezwaarschriften, ongegrond verklaard. Het afwijzingsbesluit is in stand gelaten.
  3. Eiser heeft aangevoerd dat het college ten onrechte heeft overwogen dat bijzondere bijstand wordt gevraagd voor de kosten van een procedure voor gezinshereniging die gevoerd wordt door eisers echtgenote, [naam partner eiser] , die in Soedan verblijft. Volgens het college zijn dat geen kosten van eiser, maar volgens eiser wordt die procedure ook door hem zelf gevoerd.
  4. Op grond van artikel 11, eerste lid, van de Participatiewet, heeft iedere in Nederland woonachtige Nederlander die hier ten lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van bestaan te voorzien, recht op bijstand van overheidswege. Op grond van het tweede lid wordt met de Nederlander, bedoeld in het eerste lid, gelijkgesteld de hier te lande woonachtige vreemdeling die rechtmatig in Nederland verblijf houdt in de zin van artikel 8, onderdeel a tot en met e en l, van de Vreemdelingenwet 2000, met uitzondering van de gevallen, bedoeld in artikel 24, tweede lid, van Richtlijn 2004/38/EG. In artikel 35, eerste lid, van de Participatiewet is bepaald dat de alleenstaande of het gezin recht heeft op bijzondere bijstand, voor zover de alleenstaande of het gezin niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van het college niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de individuele inkomenstoeslag, de individuele studietoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm, waarbij artikel 31, tweede lid, en artikel 34, tweede lid, niet van toepassing zijn.
  5. Partijen verschillen van mening over de vraag of aan eiser aanspraak heeft op bijzondere bijstand voor kosten van rechtsbijstand in een bezwaarprocedure tegen een besluit met betrekking tot gezinshereniging die wordt gevoerd door eisers echtgenote, een procedure die ook op naam van eiser is gevoerd.
  6. De rechtbank volgt het oordeel van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) in de uitspraak van 19 augustus 2014 (ECLI:NL:CRVB:2014:2782). Ook die zogenoemde ‘nareisprocedure’ werd gevoerd op naam van de echtgenote, die was uitgesloten van het recht op bijstand. De bijstandaanvragende echtgenoot trad in de nareisprocedure als referent op. De CRvB overwoog dat de aanvraag geen betrekking had op kosten van het bestaan van de aanvrager zelf. Reeds daarom kon naar het oordeel van de CRvB geen bijzondere bijstand worden verleend.
  7. Eiser heeft aangevoerd dat de toevoeging, die voor de gevoerde procedure werd verstrekt, op naam stond van eiser. Niet valt in te zien dat die omstandigheid tot een ander dan het door de CRvB gevormde oordeel moet leiden.
  8. Het beroep zal dan ook ongegrond worden verklaard.
  9. Er is geen reden voor een proceskostenveroordeling. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. V.M. Schotanus, rechter, in aanwezigheid van mr. P. Oudkerk, griffier, op 1 oktober 2020 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. griffier rechter Afschrift verzonden aan partijen op: Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak? Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.