RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Strafrecht Zittingsplaats: Breda parketnummer: 02/172066-19 vonnis van de meervoudige kamer van 5 februari 2020 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren op [geboortedag] 1988 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] raadsman mr. M.J. Crombach, advocaat te Tilburg. 1Onderzoek van de zaak De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 22 januari 2020, waarbij de officier van justitie, mr. Bezem, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. Voorts is ter terechtzitting als deskundige op het gebied van ‘validity assessment’ de heer dr. [getuige] gehoord. 2De tenlastelegging Verdachte staat terecht, ter zake dat: feit 1: hij op (een) tijdstip(pen) in de periode van 1 februari 2017 tot en met 23 mei 2018 te Dongen en/of Kaatsheuvel, althans in Nederland met [slachtoffer 1] (geboren [geboortedag slachtoffer 1] 2006), die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, een of meer handelingen heeft gepleegd, die (telkens) bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 1] , te weten het brengen van zijn, verdachtes, penis in de anus en/of mond van die [slachtoffer 1] ; (artikel art 244 Wetboek van Strafrecht) feit 2: hij op (een) tijdstip(pen) in de periode van 1 februari 2017 tot en met 1 februari 2019 te Dongen en/of Kaatsheuvel, althans in Nederland met [slachtoffer 2] (geboren [geboortedag slachtoffer 2] 2011), die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, een of meer handelingen heeft gepleegd, die (telkens) bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 2] , te weten het brengen van zijn, verdachtes, penis in de anus en/of mond van die [slachtoffer 2] ; (artikel art 244 Wetboek van Strafrecht) feit 3: hij op (een) tijdstip(pen) in de periode van 24 mei 2018 tot en met 1 februari 2019 te Dongen en/of Kaatsheuvel, althans in Nederland met [slachtoffer 1] (geboren [geboortedag slachtoffer 1] 2006), die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, een of meer handelingen heeft gepleegd, die (telkens) bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 1] , te weten het brengen van zijn, verdachtes, penis in de anus en/of mond van die [slachtoffer 1] ; (artikel art 245 Wetboek van Strafrecht) feit 4: hij op (een) tijdstip(pen) in de periode van 1 februari 2017 tot en met 1 februari 2019 te Dongen en/of Kaatsheuvel, althans in Nederland met [slachtoffer 1] (geboren [geboortedag slachtoffer 1] 2006) en/of [slachtoffer 2] (geboren [geboortedag slachtoffer 2] 2011) en/of [slachtoffer 3] geboren [geboortedag slachtoffer 3] 2010) die de leeftijd van zestien jaren nog niet had(den) bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, te weten: - het meermalen, althans eenmaal, door die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] laten likken aan zijn verdachte's penis en/of - het meermalen, althans eenmaal, aftrekken en/of betasten van de penis van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of - het meermalen, althans eenmaal, door die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] laten aftrekken en/of betasten van verdachte's penis en/of - het duwen van zijn verdachte's penis tegen de billen en/of benen van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] ; (artikel art 247 Wetboek van Strafrecht) 3De voorvragen De dagvaarding is geldig. De rechtbank is bevoegd. De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging. Er is geen reden voor schorsing van de vervolging. 4De beoordeling van het bewijs 4.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte alle 4 de ten laste gelegde feiten heeft begaan. De door [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1] ) en [slachtoffer 2] (hierna: [slachtoffer 2] ) afgelegde verklaringen bevatten een duidelijke en gedetailleerde omschrijving van het seksueel misbruik dat heeft plaatsgevonden. In het bijzonder is de mate van gedetailleerdheid waarmee de verklaringen zijn afgelegd van positieve invloed, waardoor deze verklaringen als een betrouwbaar bewijsmiddel kunnen worden aangemerkt. De twee getuigenverklaringen ondersteunen elkaar en omschrijven eenzelfde modus operandi die heeft plaatsgevonden. Verdachte dient wel partieel te worden vrijgesproken van feit 4, voor zover de ontuchtige handelingen betrekking hebben op [slachtoffer 3] (hierna: [slachtoffer 3] ). 4.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging is van mening dat er geen sprake is van voldoende wettig bewijs. Daartoe is primair aangevoerd dat bij alle ten laste gelegde gevallen steeds sprake is van slechts één getuige, namelijk steeds het kind dat het zou betreffen, en dat deze verklaring niet wordt ondersteund door ander bewijs. Ook niet door de verklaringen van de andere kinderen als schakelbewijs, omdat deze niet op de vereiste essentiële punten overeenkomen en geen kenmerkende gelijkenissen vertonen. Het subsidiaire standpunt van de verdediging is dat het bewijs niet overtuigend is. De verdediging heeft verzocht verdachte integraal vrij te spreken. 4.3 Het oordeel van de rechtbank Bewijs in zedenzaken In het Nederlands strafprocesrecht geldt de regel dat een veroordeling voor een strafbaar feit niet gebaseerd mag worden op één getuigenverklaring. Het gaat in zedenzaken echter vaak om bepaalde seksuele handelingen, waar maar twee mensen bij aanwezig zijn geweest: de verdachte en degene bij wie de verdachte strafbare seksuele handelingen zou hebben gepleegd. Indien de verdachte ontkent, is er maar één getuige van de seksuele handelingen zelf. Bovendien wordt een verklaring van deze getuige over de strafbare seksuele handeling vaak pas enige tijd later afgenomen. In dergelijke gevallen is meestal objectief technisch bewijs, zoals het DNA-materiaal van een verdachte, al verdwenen. De Hoge Raad heeft beslist dat de hiervoor genoemde bewijsminimumregel van artikel 342 lid 2 Sv slechts geldt voor de gehele tenlastelegging/bewezenverklaring. Onderdelen daarvan mogen wel degelijk slechts op één enkele getuigenverklaring berusten. Dat geldt volgens de Hoge Raad ook voor de ten laste gelegde gedragingen. In een zedenzaak is dus in principe voor het bewijs van de seksuele handelingen één getuigenverklaring genoeg mits deze op bepaalde punten bevestigd wordt door andere bewijsmiddelen. Die moeten afkomstig zijn uit een andere bron. Bovendien mag er niet een te ver verwijderd verband bestaan tussen de getuigenverklaring en het overige gebruikte bewijsmateriaal (Vgl. Hoge Raad 15 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:717 en Hoge Raad 23 januari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK2094). Een bijzondere vorm van steunbewijs vormt het zogeheten schakelbewijs. Uit de rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat onder omstandigheden het gebruik van aan andere, soortgelijke feiten ten grondslag liggende bewijsmiddelen als steunbewijs is toegelaten. Daarbij moet het gaan om bewijsmateriaal voor die andere feiten dat op essentiële punten belangrijke overeenkomsten of kenmerkende gelijkenissen vertoont met het bewijsmateriaal van het te bewijzen feit en dat duidt op een herkenbaar en gelijksoortig patroon in de handelingen van verdachte (Vgl. Hoge Raad 12 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3118). In deze zaak Verdachte heeft op de zitting verklaard dat hij geen seksuele handelingen heeft gepleegd met [slachtoffer 1] , niet met [slachtoffer 2] en niet met [slachtoffer 3] . De vraag voor de rechtbank is dan ook of er voor de verklaringen van respectievelijk [slachtoffer 1] (feit 1 en feit 3 en feit 4), [slachtoffer 2] (feit 2 en feit 4) en [slachtoffer 3] (feit 4) steeds voldoende steunbewijs is dat hun eigen verklaring over seksuele handelingen door verdachte zou kunnen bevestigen, eventueel in de vorm van schakelbewijs. Bij de beantwoording van die vraag gaat de rechtbank eerst in op de verklaring van [slachtoffer 3] , nu deze zich beperkt tot aanraking van zijn piemel door verdachte. Over de verklaring van [slachtoffer 3] Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat de verklaring van [slachtoffer 3] niet als bewijs kan worden gebruikt van het feit dat hem betreft. De redenen daarvoor zijn als volgt. [slachtoffer 3] heeft in de kindvriendelijke verhoorstudio verklaard dat verdachte met een vuist tegen zijn piemel kwam. [slachtoffer 3] sliep toen het gebeurde, maar de volgende dag had hij een blauwe piemel. [slachtoffer 3] is hiermee naar de dokter geweest. Uit de geneeskundige verklaring in het dossier blijkt dat [slachtoffer 3] op 25 juli 2018 door de huisarts is gezien met een beetje verkleuring van de voorhuid. Op geen enkele wijze blijkt uit die geneeskundige verklaring echter dat toen op grond van die verkleuring een vermoeden van seksueel misbruik is gerezen. De deskundige [getuige] heeft de verklaringen van [slachtoffer 3] onderzocht. Hij is van oordeel dat de verklaringen van [slachtoffer 3] ‘in hoge mate onbetrouwbaar’ zijn. De rechtbank volgt de verklaring van de deskundige. Nu tevens ander bewijs ontbreekt zal verdachte op grond van het bovenstaande worden vrijgesproken van de verdenking ten aanzien van [slachtoffer 3] onder feit
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.