RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Bestuursrecht zaaknummer: BRE 18/8650 WIA uitspraak van 8 oktober 2020 van de enkelvoudige kamer op het verzoek om veroordeling in de proceskosten in de zaak tussen [naam verzoeker] , te [plaatsnaam] , verzoeker, en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV; kantoor Breda), verweerder. Procesverloop Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 13 november 2018 (bestreden besluit) van het UWV over de toekenning van een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) met ingang van 7 mei
- Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Breda op 4 juli
- Verzoeker is in persoon verschenen. Het UWV heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. S. Barto. Ter zitting heeft de rechtbank het onderzoek gesloten. Op 18 juli 2019 heeft de rechtbank het onderzoek heropend om een deskundige te raadplegen. Op 29 februari 2020 heeft de deskundige een rapport uitgebracht. Op grond van de bevindingen en conclusies van de deskundige heeft de rechtbank bij tussenuitspraak van 28 mei 2020 geconcludeerd dat het bestreden besluit lijdt aan een motiveringsgebrek en het UWV in de gelegenheid gesteld dit gebrek te herstellen. Bij besluit van 8 juli 2020 heeft het UWV het bestreden besluit gewijzigd en aan verzoeker met ingang van 7 mei 2018 een IVA-uitkering toegekend. Vervolgens heeft verzoeker het beroep ingetrokken, met het verzoek het UWV te veroordelen in de proceskosten. Het UWV heeft bij brief van 1 september 2020 gebruik gemaakt van de gelegenheid hierop te reageren. De rechtbank heeft, met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), een behandeling van het verzoek ter zitting achterwege gelaten. Overwegingen
- Op grond van artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb kan de rechtbank, indien het beroep wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan veroordelen in de proceskosten.
- Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit het besluit van 8 juli 2020 dat het UWV aan verzoeker is tegemoetgekomen. Hierin ziet de rechtbank aanleiding het UWV te veroordelen in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Verzoeker heeft op het ‘formulier proceskosten’ een bedrag van € 9,80 aan reis- en verblijfkosten opgevoerd en een bedrag van € 178,- aan verschotten, waarbij hij onder specificatie ‘griffierecht’ heeft vermeld. Voor zover verzoeker met de opvoering van verschotten een veroordeling van het UWV in het griffierecht heeft beoogd, verwijst de rechtbank naar rechtsoverweging 3, hieronder. Daarbij merkt de rechtbank nog op dat in deze zaak niet een griffierecht van € 178,- is geheven, maar van € 46,-. Voor zover verzoeker met opvoering van verschotten andere kostenposten dan griffierecht heeft bedoeld, overweegt de rechtbank dat verzoeker niet heeft aangegeven welke kosten dat dan betreffen noch de hoogte van die kosten onderbouwd met stukken. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om het UWV te veroordelen in de verschotten van verzoeker. Wel ziet de rechtbank reden voor veroordeling van het UWV in verzoekers reis- en verblijfkosten.
- De rechtbank overweegt dat het UWV op grond van artikel 8:41, zevende lid, van de Awb het griffierecht van € 46,- aan verzoeker dient te vergoeden, zodat een veroordeling daartoe niet nodig is. Beslissing De rechtbank: - veroordeelt het UWV in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 9,80; - draagt het UWV op het betaalde griffierecht van €46,- aan verzoeker te vergoeden. Deze uitspraak is gedaan door mr. R.A. Karsten-Badal, rechter, in aanwezigheid van mr. H.D. Sebel, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 oktober
- griffier rechter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan verzet worden gedaan bij de rechtbank.