RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Bestuursrecht zaaknummer: BRE 19/6783 WABO uitspraak van 15 oktober 2020 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam eiser] , te [plaatsnaam] , eiser, gemachtigde: mr. T.B.M. Kersten en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Altena, verweerder. Als derde partij heeft aan het geding deelgenomen: [naam derde partij] te [plaatsnaam 2] , vergunninghoudster, gemachtigde: mr. A. Daan. Procesverloop Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 21 november 2019 (bestreden besluit) van verweerder over de aan derde partij verleende omgevingsvergunning voor het bouwen van zes woningen op de adressen [adres 1] , [adres 1a] [adres 1b] , [adres 2] [adres 2a] en [adres 2b ] te [plaatsnaam] . Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Breda op 9 september 2020. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde mr. T.B.M. Kersten. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam vertegenwoordiger verweerder 1] en [naam vertegenwoordiger verweerder 2] . Vergunninghoudster heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde mr. A. Daan. Overwegingen 1. Op grond van de stukken en de behandeling ter zitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden. Op 4 april 2019 heeft vergunninghoudster een omgevingsvergunning aangevraagd voor het bouwen van zes woningen op [adres 1] [adres 1a] , [adres 1b] , [adres 2] , [adres 2a] en [adres 2b ] te [plaatsnaam] . Bij het primaire besluit van 11 juli 2019 heeft verweerder de gevraagde omgevingsver-gunning aan vergunninghoudster verleend. Tegen dit besluit heeft eiser bezwaar gemaakt. Eiser heeft, naar eigen zeggen, in 2008 de grond waarop de zes woningen gebouwd worden verkocht aan de toenmalig gemeente Aalburg met als bijzondere bepaling dat daarop maximaal vier vrijstaande woningen gebouwd mogen worden. Eiser woont zelf tegenover de bouwlocatie en is van mening dat de gemeente zich niet aan de afspraak heeft gehouden. Daarnaast voelt hij zich ook bekocht, omdat hij de grond voor een hogere prijs had kunnen verkopen als hij geweten dat daarop de bouw van zes woningen zou worden toegelaten. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de bezwaren van eiser ongegrond verklaard. Daarbij heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat er geen grond was om de gevraagde vergunning te weigeren. 2. Eiser heeft in beroep betoogd dat de contractuele afspraken met de gemeente, die neergelegd zijn in een notariële akte, een evidente privaatrechtelijke belemmering voor het verlenen van de omgevingsvergunning vormen. Volgens eiser is een evidente privaatrechtelijke belemmering wel degelijk een weigeringsgrond, handelt verweerder nu in strijd met de gemaakte afspraken en had de vergunning daarom geweigerd moeten worden. 3. Ter beoordeling ligt de vraag voor of verweerder terecht de omgevingsvergunning aan vergunninghoudster heeft verleend, 3.1 Op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het bouwen van een bouwwerk. Artikel 2.10, eerste lid, van de Wabo bepaalt – kort gezegd – dat voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, de omgevingsvergunning wordt geweigerd indien de aangevraagde activiteit niet voldoet aan (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.