RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Bestuursrecht zaaknummer: BRE 20/4827 WABOA VV uitspraak van 16 oktober 2020 van de voorzieningenrechter in de zaak tussen [naam verzoekers] , te [vestigingsplaats verzoekers] , verzoekster, gemachtigde: C.E.M. Kuijsters, en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Geertruidenberg, verweerder. Als derde partij heeft aan het geding deelgenomen: [naam vergunninghouder] , te [woonplaats vergunninghouder] . Procesverloop Verzoekster heeft op 20 februari 2020 een verzoek om voorlopige voorziening ingediend, naar aanleiding van een verleende omgevingsvergunning voor het kappen van een wilg aan [adres te kappen wilg] te [plaats te kappen wilg] . Op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een zitting achterwege gebleven. Overwegingen
- Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Het treffen van een voorlopige voorziening is alleen mogelijk als tegelijkertijd tegen hetzelfde besluit een bodemprocedure (hoofdzaak) aanhangig is (connexiteitseis). Dat wil zeggen: een bezwaarprocedure bij de gemeente of een beroepsprocedure bij de rechtbank.
- Op 29 augustus 2019 heeft [naam vergunninghouder] een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning voor het kappen van een wilg aan [adres te kappen wilg] te [plaats te kappen wilg] . Bij besluit van 10 januari 2020 heeft het college de gevraagde omgevingsvergunning verleend. Verzoekster heeft bezwaar gemaakt tegen besluit van 10 januari
- Tevens heeft zij een verzoek om voorlopige voorziening ingediend. Op 4 maart 2020 heeft de voorzieningenrechter partijen bericht dat het verzoek om voorlopige voorziening zal worden behandeld op zitting op 13 maart
- Op 12 maart 2020 heeft het college zijn verweerschrift ingediend. Naar aanleiding daarvan is de behandeling van het verzoek om voorlopige voorziening tot een nader te bepalen datum uitgesteld. Partijen daarvan op 12 maart 2020 schriftelijk in kennis gesteld. Op 28 augustus 2020 heeft het college op het bezwaarschrift van verzoekster beslist. Het bezwaar is daarbij ongegrond verklaard en het besluit van 10 januari 2020 is in stand gelaten, met dien verstande dat er een inboetplicht aan de omgevingsvergunning is verbonden.
- Het besluit op bezwaar is op 28 augustus 2020 aan verzoekster toegezonden. Als verzoekster beroep had willen aantekenen tegen het besluit op bezwaar, dan had zij uiterlijk op 9 oktober 2020 een beroepschrift bij de rechtbank moeten indienen. Dat is niet gebeurd.
- De voorzieningenrechter stelt vast dat de bewaarprocedure met het besluit van 28 augustus 2020 is afgerond en dat er vervolgens geen beroep is ingesteld. Dat betekent dat er geen bodemprocedure (meer) loopt en dat derhalve niet (meer) wordt voldaan aan het vereiste van connexiteit. Het verzoek moet daarom niet-ontvankelijk worden verklaard. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is gedaan door mr. G.M.J. Kok, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van N.A. D’Hoore, griffier, op 16 oktober 2020 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. griffier voorzieningenrechter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.