RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Team familie- en jeugdrecht Zittingsplaats: Breda parketnummer: 02/184850-19 vonnis van de meervoudige kamer van 26 oktober 2020 in de strafzaak tegen de minderjarige [verdachte] geboren op [geboortedag verdachte] 2004 te [geboorteplaats] wonende te [adres verdachte] raadsman mr. W.H.F.L. Rademakers, advocaat te Dongen. 1Onderzoek van de zaak De zaak is inhoudelijk behandeld met gesloten deuren op de zitting van 12 oktober 2020, waarbij de officier van justitie, mr. M.P. de Graaf, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. 2De tenlastelegging De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering. De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte samen met een ander met (bedreiging van) geweld op 24 maart 2019 te Tilburg een overval heeft gepleegd op [naam 1] . 3De voorvragen De dagvaarding is geldig. De rechtbank is bevoegd. De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging. Er is geen reden voor schorsing van de vervolging. 4De beoordeling van het bewijs 4.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde diefstal met bedreiging van geweld in vereniging heeft gepleegd. Hij baseert zich daarbij op de aangiftes en op de getuigenverklaringen van de heren [naam 2] en [naam 3] . Tot slot baseert de officier van justitie zich op de camerabeelden en op het feit dat verdachte geen verklaring heeft willen afleggen. 4.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen omdat het wettig en overtuigend bewijs ontbreekt. Aangevers en getuige [naam 4] hebben vrij algemene signalementen van de daders gegeven. [naam 4] heeft daarnaast verklaard dat de bewegingen van de stevige dader niet anders zijn dan die van andere stevige jongens. Getuige [naam 2] zegt niets over de mate van zekerheid van de herkenning en geeft evenmin aan waar de herkenning van verdachte op is gebaseerd. Hierdoor kan de herkenning niet worden getoetst. Dit geldt ook voor de getuigenverklaring die is binnen gekomen via Meld Misdaad Anoniem. Getuige [naam 3] heeft enige reserve bij zijn herkenning. De eigenschappen waaraan verdachte zou zijn herkend zijn niet specifiek. Het dossier bevat geen ander bewijs dat op de betrokkenheid van verdachte duidt. Er is geen wapen bij verdachte aangetroffen, er is niets belastend op de telefoons van verdachte aangetroffen, verdachte is niet herkenbaar op de camerabeelden en er blijkt niet van enige relatie tussen verdachte en medeverdachte [medeverdachte] . Dat verdachte gebruik maakt van zijn zwijgrecht mag niet tegen hem worden gebruikt. Verdachte dient dan ook te worden vrijgesproken van het tenlastegelegde feit. 4.3 Het oordeel van de rechtbank 4.3.1 De bewijsmiddelen De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht. 4.3.2 De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs Uit de bewijsmiddelen leidt de rechtbank het volgende af. Op 24 maart 2019 was aangever de heer [naam 6] aan het werk in [naam 1] in Tilburg. Hij stond achter de toonbank bij de kassa. In de zaak was ook een klant, mevrouw [naam 7] , aan het wachten op haar bestelling. Twee jongens met bivakmutsen op en donkere kleding aan kwamen de [naam 1] binnen gerend. De jongens zeiden: “Dit is een overval!”. De slanke jongen bleef bij [naam 7] staan en de stevige jongen liep achter de toonbank. De slanke jongen had een op een vuurwapen gelijkend voorwerp vast. De stevige jongen had een mes in zijn hand. Hij kwam naast [naam 6] staan en zei dat [naam 6] de kassa open moest doen. Hij zei: “Geld, lade openen!” en wees met het mes naar de borststreek van [naam 6] . Toen de kassalade niet direct open ging, richtte de jongen met het op een vuurwapen gelijkend voorwerp zijn wapen op [naam 6] . Hij zei: “Lade openen, nu die lade openen!”. De jongen richtte het op een vuurwapen gelijkend voorwerp hierna op [naam 7] . Toen de kassa open was, pakte de jongen met het mes geld uit de kassa. Er werd ongeveer € 460,- meegenomen. De jongens renden vervolgens weg. Tussenconclusie Op grond van het voorgaande oordeelt de rechtbank dat [naam 1] op 24 maart 2019 te Tilburg onder bedreiging van geweld is overvallen door twee daders, waarbij een bedrag van ongeveer € 460,- is gestolen. Is verdachte een van de daders? De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of verdachte een van de daders is van de overval. Volgens de verdediging kan niet wettig en overtuigend worden bewezen dat verdachte betrokken is bij het tenlastegelegde. De rechtbank overweegt dat getuige [naam 2] heeft verklaard dat hij dader 2 op de beelden van [naam 5] herkent als verdachte: die Turkse, dikke jongen. [naam 2] heeft voorts verklaard dat verdachte niet ver van het [straatnaam 1] aan de [straatnaam 2] woont. Verdachte hangt veel rond op het [straatnaam 1] . Getuige [naam 3] heeft verklaard dat verdachte ongeveer 7 tot 10 maanden geleden bij hem heeft gewerkt als bezorger. [naam 3] herkent verdachte op de beelden van [naam 5] als de dikke jongen die achter de toonbank liep en die het mes vast had. Anders dan de verdediging is de rechtbank van oordeel dat [naam 3] geen reserve heeft ten aanzien van zijn herkenning van verdachte. [naam 3] heeft immers verklaard dat hij dusdanig zeker is van de herkenning dat hij het genoeg vond om er melding van te maken bij de politie. [naam 3] herkent verdachte aan zijn postuur, aan zijn manier van lopen, aan zijn houding en aan de manier waarop hij zich beweegt. [naam 3] heeft verklaard dat er niet veel jongens van die leeftijd zijn die een dergelijk postuur hebben. Verdachte is nog heel jong. Verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] kregen aan het begin van hun dienst op 26 maart 2019 naar aanleiding van de overval informatie over de signalementen van de daders. Zij hoorden dat een dader het navolgende signalement had: man, dik postuur, zwarte sneakers, joggingbroek met wit/grijs aan de zijkant, bivakmuts op en donkere trui, leek Turks of Marokkaanse afkomst te hebben en zou erg jong zijn. Verbalisanten werd een foto getoond. Op de [straatnaam 2] te Tilburg zagen verbalisanten vervolgens een jongen lopen die een dik postuur had, rond de vijftien jaar oud was, Turks/Marokkaanse afkomst en die een donkere trainingsbroek droeg. Bij controle bleek de jongen verdachte te zijn. Nadat medeverdachte [medeverdachte] bij de politie in beeld is gekomen, is zijn telefoon met telefoonnummer [telefoonnummer 1] getapt. In een tapgesprek op 28 juli 2019 wordt [medeverdachte] verteld dat de politie hem zoekt. [medeverdachte] vraagt dan naar verdachte: “Wollah, waar is [verdachte] . Ik hoor niks van hem.” Op 2 augustus 2019 wordt [medeverdachte] door zijn vader gebeld, die hem vertelt dat verdachte is vrijgelaten. [medeverdachte] antwoordt dan: “Ik weet ervan”. De vader van [medeverdachte] zegt: “De politie heeft mij vandaag gebeld.” en: “Goed luisteren, hij (lees: [verdachte] , rechtbank) heeft niet gepraat, dus jij moet daar ook 3 dagen lang je bakkes houden.” Voornoemde bewijsmiddelen vragen naar het oordeel van de rechtbank nadrukkelijk om een uitleg van verdachte. De rechtbank constateert dat verdachte bij de politie en ter terechtzitting ervoor heeft gekozen geen openheid van zaken te geven. Dit alles in onderling verband en nauwe samenhang bezien, mede gezien de eigen waarneming van de rechtbank van de op de zitting getoonde camerabeelden, maakt dat de rechtbank van oordeel is dat het niet anders kan dan dat verdachte de dader is die de [naam 1] heeft overvallen met het mes. Zij zal het verweer van de verdediging daarom passeren. Conclusie Gezien het bovenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 24 maart 2019 te Tilburg samen met een ander de ten laste gelegde diefstal met bedreiging van geweld heeft gepleegd, waarbij ongeveer € 460,- is weggenomen. 4.4 De bewezenverklaring De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 24 maart 2019 te Tilburg tezamen en in vereniging met een ander, enig geldbedrag (totaal ongeveer 460 euro), toebehorende aan [naam 1] heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen [naam 6] en [naam 7] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, door - met bivakmutsen op en donkere kleding aan en - met een mes en een op een vuurwapen gelijkend voorwerp bij voornoemde [naam 1] naar binnen zijn gegaan en - dat mes op en in de richting van die voornoemde [naam 6] heeft gehouden en getoond en gericht en - dat vuurwapen op die [naam 6] en een klant, te weten [naam 7] , heeft gericht en gehouden en - tegen voornoemde [naam 6] – zakelijk weergegeven - heeft/hebben gezegd “dit is een overval” en “geld, lade openen” en “de kassa openen”; Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring middels cursief verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad. Ten gevolge van een kennelijke omissie in de tenlastelegging, is in de vierde regel van het tenlastegelegde weggevallen het woord ‘en’. De rechtbank herstelt deze omissie middels cursief en leest voormelde zinsnede zoals hiervoor is vermeld. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad. De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. 5De strafbaarheid Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op. Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit. 6De strafoplegging 6.1 De vordering van de officier van justitie De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een jeugddetentie voor de duur van 123 dagen, waarvan 120 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar en met de bijzondere voorwaarden dat verdachte zich niet zal onttrekken aan scholing en/of dagbesteding en dat verdachte zich zal houden aan de aanwijzingen van de jeugdreclassering. Daarnaast vordert de officier van justitie aan verdachte op te leggen een werkstraf voor de duur van 160 uren. Het bewezenverklaarde feit betreft een ernstig feit. Het betreft een jeugdige verdachte. De officier van justitie houdt ook rekening met de rapportages over verdachte, het strafblad van verdachte en de richtlijnen van het Openbaar Ministerie. Anders dan de Raad is de officier van justitie van mening dat de bijzondere voorwaarden niet dadelijk uitvoerbaar kunnen worden verklaard, omdat het nu goed lijkt te gaan met verdachte en er niet wordt voldaan aan het wettelijke criterium. 6.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken van het tenlastegelegde feit. Indien de rechtbank tot een veroordeling komt, vraagt de verdediging de rechtbank de gevorderde jeugddetentie en werkstraf te matigen. Er bestaat geen noodzaak voor de dadelijke uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarden. Er zijn geen verdere zorgen over verdachte. Verdachte doet het goed. 6.3 Het oordeel van de rechtbank Verdachte heeft samen met een ander een overval op een [naam 1] gepleegd. Verdachte en zijn mededader hebben daarbij [naam 6] en [naam 7] met een mes en met een op een vuurwapen gelijkend voorwerp bedreigd. Dat dit bij beiden hevige gevoelens van angst heeft veroorzaakt, blijkt duidelijk uit de aangiftes. [naam 6] was erg geschrokken. Hij voelde zich bedreigd. [naam 7] was bang dat er zou worden geschoten. De ervaring leert dat slachtoffers van een dergelijk ernstig feit daarvan langdurig psychische klachten kunnen ondervinden. Voorts versterkt een overval als deze de in de samenleving bestaande gevoelens van onrust en onveiligheid. Bij het voorgaande heeft verdachte kennelijk in het geheel niet stilgestaan. Het heeft hem er in ieder geval niet van weerhouden om, ten koste van anderen, op deze manier snel aan geld te komen. Het gemak waarmee verdachte dit ernstig te achten feit heeft gepleegd, geeft een zeer zorgelijk beeld van verdachte. Naast de ernst van het feit heeft de rechtbank rekening gehouden met het strafblad van verdachte, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld. Ook heeft de rechtbank in ogenschouw genomen het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) van 29 september 2020 en de toelichting hierop ter zitting. Binnen de thuissituatie kan verdachte terugvallen op betrokken ouders en worden er geen grote zorgen gezien. Ook zijn er geen zorgen over de scholing, de gemoedstoestand en het alcohol- en drugsgebruik van verdachte. De vrijetijdsbesteding mag actiever zijn en verdachte zal de juiste vriendenkeuze moeten weten te maken. Omgaan met antisociale vrienden doet de kans op herhaling toenemen. Als het aandeel van verdachte groter blijkt te zijn dan wat hij aangeeft, zou dit de zorgen van de Raad fors doen toenemen. Verdachte is dan niet eerlijk geweest tegen ouders, politie, jeugdreclassering en de Raad en heeft geen oog voor de gevolgen voor de slachtoffers in deze zaak. De Raad adviseert een voorwaardelijke detentiestraf en onvoorwaardelijke werkstraf op te leggen, onder de bijzondere voorwaarden dat verdachte zich niet onttrekt aan dagbesteding of scholing en dat verdachte zich zal houden aan de aanwijzingen van de jeugdreclassering, waarbij aan de gecertificeerde instelling te weten Stichting Jeugdbescherming Brabant, gevestigd te Tilburg, opdracht wordt gegeven toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden. Gewerkt dient te worden aan de houding van verdachte, het maken van de juiste keuzes, het aangaan van relaties, de vriendenkeuze, de beïnvloeding van verdachte en een adequate vrijetijdsbesteding. De Raad adviseert de bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar te verklaren. Voorts heeft de rechtbank betrokken het rapport van de jeugdreclassering van 8 juni 2020 en de toelichting hierop ter zitting. De start van de schorsingsperiode is moeizaam verlopen. Verdachte hield zich niet aan de afspraken met de jeugdreclassering. De jeugdreclassering kreeg tweemaal een terugkoppeling van de politie dat verdachte zich niet zou hebben gehouden aan het huisarrest. De situatie is hierna positief veranderd. Verdachte stelt zich begeleidbaar op. Verdachte is open en lijkt eerlijk in de gesprekken. Hij wil graag de juiste vriendenkeuzes maken. Verdachte houdt zich niet bezig met anderen en blijft uit de buurt van antisociale anderen. Verdachte heeft zich in de schorsingsperiode herhaaldelijk ziek gemeld op school. Hij heeft zijn diploma gehaald. Er zijn geen verdere zorgen over het gedrag en de vaardigheden van verdachte. De rechtbank neemt bij het bepalen van de straf de oriëntatiepunten van het LOVS als uitgangspunt. Het oriëntatiepunt voor een overval op een winkel bedraagt minimaal 4 maanden jeugddetentie. De rechtbank merkt daarbij de volgende omstandigheden als strafverzwarend aan, waarbij iedere strafverzwarende omstandigheid daarbij in beginsel telt voor 60 uur werkstraf dan wel 1 maand jeugddetentie: verdachte heeft het feit samen met een mededader gepleegd en de bedreiging met geweld is kracht bijgezet door hiervoor een mes en een op een vuurwapen gelijkend voorwerp te gebruiken. Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een jeugddetentie voor de duur van 124 dagen, waarvan 120 dagen voorwaardelijk, met aftrek van het voorarrest, passend en noodzakelijk is. Daarbij zal de rechtbank verdachte een proeftijd van 2 jaar opleggen waarin verdachte zich, naast de algemene voorwaarde, aan de bijzondere voorwaarden van het volgen van onderwijs of dagbesteding en het houden aan de aanwijzingen van de jeugdreclassering zal moeten houden. Met deze voorwaardelijke straf wordt beoogd verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen. Daarnaast zal de rechtbank verdachte een onvoorwaardelijke werkstraf voor de duur van 160 uren, subsidiair 80 dagen jeugddetentie opleggen. Nu het op dit moment goed gaat met verdachte is de rechtbank van oordeel dat het gevaar dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen niet aanwezig is. Het door de Raad geadviseerde bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarden zal de rechtbank dan ook achterwege laten. 7De wettelijke voorschriften De beslissing berust op de artikelen 47, 77a, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 310 en 312 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde. 8De beslissing De rechtbank: Bewezenverklaring - verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven; - spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd; Strafbaarheid - verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert: Diefstal, voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen; - verklaart verdachte strafbaar; Strafoplegging - veroordeelt verdachte tot een jeugddetentie van 124 dagen, waarvan 120 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar; - bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd na te melden voorwaarden niet heeft nageleefd; - stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit; - stelt als bijzondere voorwaarden * dat verdachte gedurende de proeftijd onderwijs of dagbesteding zal volgen; * dat verdachte zich gedurende de proeftijd zal houden aan de aanwijzingen van de jeugdreclassering; - geeft opdracht aan Stichting Jeugdbescherming Brabant, gevestigd te Tilburg, een gecertificeerde instelling die jeugdreclassering uitvoert, tot het houden van toezicht op de naleving van de voormelde bijzondere voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden; Voorwaarden daarbij zijn dat verdachte gedurende de proeftijd: - ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt; - medewerking zal verlenen aan het jeugdreclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen; - bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde jeugddetentie; - veroordeelt verdachte tot een werkstraf van 160 uren; - beveelt dat indien verdachte de werkstraf niet naar behoren verricht vervangende jeugddetentie zal worden toegepast van 80 dagen; - heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis. Dit vonnis is gewezen door mr. Toekoen, voorzitter, mr. Bogaert en mr. Phillips, kinderrechters, in tegenwoordigheid van mr. Saelman, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 26 oktober
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.