RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Strafrecht Zittingsplaats: Breda Parketnummer: 02/800583-18 vonnis van de meervoudige kamer van 29 oktober 2020 in de strafzaak tegen [Verdachte] geboren op [Geboortedag] 1982 te [Geboorteplaats] gedetineerd te P.I. Grave, 5361 ME Grave, Muntlaan 1 raadsman: mr. M.A.W. Nillesen, advocaat te ‘s-Hertogenbosch 1Onderzoek van de zaak De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 15 oktober 2020, waarbij de officier van justitie, mr. L.J. den Braber, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. 2De tenlastelegging De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte: Feit 1 [Slachtoffer 1] heeft gedood door hem met een mes in zijn zij te steken. Feit 2 [Slachtoffer 2] met een scherp voorwerp tegen zijn oor en/of achterhoofd heeft geslagen, wat aan verdachte wordt verweten als een poging tot zware mishandeling, althans als een mishandeling; 3De voorvragen De dagvaarding is geldig. De rechtbank is bevoegd. De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging. Er is geen reden voor schorsing van de vervolging. 4De beoordeling van het bewijs 4.1 Het standpunt van de officier van justitie Feit 2 De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte [Slachtoffer 2] met kracht met een hard voorwerp tegen het hoofd heeft geslagen. Zij baseert zich daarbij op de aangifte van [Slachtoffer 2] , de letselbeschrijving, de getuigenverklaring van [Naam 1] de beschrijving van de camerabeelden en de verklaring van verdachte. Uit met name hetgeen te zien is op de camerabeelden en de aard van het ontstane letsel blijkt dat er door verdachte met kracht is geslagen. Op basis van de bevindingen van het forensisch onderzoek kan worden geconcludeerd dat het voorwerp waarmee hij heeft geslagen zeer waarschijnlijk het bij verdachte bij zijn aanhouding aangetroffen mes is geweest. Iedereen weet dat het hoofd een essentieel en kwetsbaar onderdeel van het lichaam is met veel vitale delen. Door hier met kracht met een hard voorwerp tegen te slaan, heeft verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat bij [Slachtoffer 2] zwaar lichamelijk letsel zou kunnen ontstaan, waardoor zijn handelen een poging tot zware mishandeling oplevert. Het onder 2 primair tenlastegelegde feit kan dan ook wettig en overtuigend worden bewezen. Feit 1 Daarnaast kan naar de mening van de officier van justitie wettig en overtuigend worden bewezen dat verdachte, kort nadat hij feit 2 heeft begaan, [Slachtoffer 1] met een mes in de borststreek heeft gestoken, als gevolg waarvan hij is komen te overlijden. Zij verwijst hierbij naar de bevindingen van de politie, waaruit blijkt dat verdachte kort na het incident in de nabije omgeving onder een auto is aangetroffen en dat hierbij op zijn aanwijzen een bebloed mes is gevonden. Uit het forensisch onderzoek aan het mes is gebleken dat zich op dit mes DNA bevond van zowel [Slachtoffer 1] als verdachte. Ook is op de binnenzijde van de rechterhand van verdachte DNA aangetroffen van [Slachtoffer 1] . Uit het forensisch onderzoek aan het lichaam van [Slachtoffer 1] blijkt dat de doodsoorzaak een steekverwonding in het hart is. Verder hebben meerdere getuigen verklaard te hebben gezien dat verdachte [Slachtoffer 1] met een mes stak. Zij ziet geen reden te twijfelen aan de betrouwbaarheid van deze verklaringen, die direct na het incident zijn afgelegd en qua tijdsspanne passen in de beschrijving van de camerabeelden, waaruit is af te leiden dat er minder dan 30 seconden tijd zit tussen het moment dat [Slachtoffer 1] richting verdachte liep en het moment dat hij de straat overstak, nadat hij al was gestoken. Met zijn handelen heeft verdachte het voorwaardelijk opzet gehad op de dood van [Slachtoffer 1] , door daarmee bewust de aanmerkelijke kans op dit dodelijke gevolg te aanvaarden. Ook het onder 1 tenlastegelegde feit kan dus wettig en overtuigend worden bewezen. 4.2 Het standpunt van de verdediging Feit 2 De verdediging voert primair aan dat verdachte heeft verklaard dat hij [Slachtoffer 2] tegen het hoofd heeft geslagen met een aansteker in de hand en dat de mogelijkheid van dit scenario niet kan worden uitgesloten op basis van de inhoud van het dossier. Hoewel uit het forensisch onderzoek is gebleken dat er op de kopse kant van het gevonden mes DNA is aangetroffen dat overeenkomt met dat van [Slachtoffer 2] (met een zeer kleine matchkans), is het te kort door de bocht om hieruit de conclusie te trekken dat verdachte hem dus met het mes moet hebben geslagen. Er kan namelijk sprake zijn van indirecte overdracht van het DNA van [Slachtoffer 2] op het mes. Ook zou [Slachtoffer 2] het mes voorafgaand aan het incident kunnen hebben gehanteerd. Deze laatste mogelijkheid in combinatie met de mogelijkheid dat het een aansteker met specifieke kenmerken betrof, heeft het NFI onterecht niet als een derde hypothese meegenomen in het Interdisciplinair Forensisch Onderzoek (IDFO). Indien deze hypothese wel was uitgewerkt, zou uit de inhoud van het rapport kunnen worden afgeleid dat de bevindingen slechts iets waarschijnlijker zijn onder het scenario waarbij het mes als slagvoorwerp is gebruikt, dan onder het scenario met als slagvoorwerp de specifieke aansteker. Bovendien blijkt uit het dossier dat verdachte bij zijn aanhouding een aansteker bij zich had en hiernaar is – nu de aansteker niet is veilig gesteld – geen onderzoek verricht. Verder past de verwonding van [Slachtoffer 2] bij een aansteker met het formaat van een sigarettenpakje, zoals verdachte de aansteker heeft beschreven. Het slaan met de aansteker dient te worden gekwalificeerd als eenvoudige mishandeling, waardoor verdachte van het onder 2 primair tenlastegelegde feit dient te worden vrijgesproken. Subsidiair, als de rechtbank wettig en overtuigend bewezen acht dat het een mes is geweest dat verdachte in zijn handen had tijdens het slaan van [Slachtoffer 2] , refereert de verdediging zich voor wat betreft de bewezenverklaring aan het oordeel van de rechtbank. Feit 1 Ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde feit is door de verdediging aangevoerd dat er een mogelijkheid is dat verdachte niet degene is die heeft gestoken, omdat er meer mensen ter plaatse waren en een getuige heeft verklaard dat er twee mensen weg renden. Verdachte heeft ook niet expliciet verklaard dat hij [Slachtoffer 1] met een mes heeft gestoken. Mede gelet op hetgeen door verdachte is verklaard, neemt de verdediging wel aan dat het verdachte is geweest die [Slachtoffer 1] heeft gestoken. Volgens verdachte heeft hij immers, terwijl hij omringd en mishandeld werd door een groep jongens, een mes op de grond zien vallen en zich met dit mes in de hand een weg uit de kluwen mensen gebaand. Andersluidende getuigenverklaringen op dit laatste punt zijn niet betrouwbaar, omdat de getuigen onder invloed van alcohol verkeerden en zij voorafgaand aan het afleggen van hun verklaringen met elkaar hebben gesproken over het incident. De verklaringen kunnen daarom niet worden gebruikt voor het bewijs. 4.3 Het oordeel van de rechtbank 4.3.1 De bewijsmiddelen De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht. 4.3.2 De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs Feit 2 Op grond van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat verdachte op 4 november 2018 te Breda [Slachtoffer 2] met een voorwerp tegen de linkerzijkant van zijn hoofd heeft geslagen. Hierdoor heeft [Slachtoffer 2] letsel opgelopen, te weten een bloeduitstorting met schaafverwonding achter het oor en een breuk in het slaapbeen met als gevolg een tijdelijke afwijking in het gehoor. De rechtbank dient allereerst de vraag te beantwoorden of verdachte door aldus te handelen heeft geprobeerd [Slachtoffer 2] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. De rechtbank stelt voorop dat niet is gebleken dat verdachte de wil had om zwaar lichamelijk letsel toe te brengen bij [Slachtoffer 2] . Van ‘vol’ opzet is daarom geen sprake. De volgende vraag is dan of verdachte voorwaardelijke opzet daartoe had. Voor het aannemen van voorwaardelijk opzet is vereist dat komt vast te staan dat verdachte, door [Slachtoffer 2] met een voorwerp tegen de zijkant van het hoofd te slaan, willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij daarbij zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. Uit de beschrijving van de camerabeelden volgt dat verdachte met een zwaaiende beweging heeft uitgehaald, waarna het hoofd van [Slachtoffer 2] door de klap naar achteren ging. Hieruit leidt de rechtbank af dat verdachte met kracht heeft geslagen. De aard van het letsel van [Slachtoffer 2] bevestigt dit en bevestigt ook dat er met een hard voorwerp moet zijn geslagen. In het ziekenhuis is door de behandelend arts immers vastgesteld dat er sprake is van een impressiefractuur, dat wil zeggen een botbreuk met indeuking van het botweefsel. Het is algemeen bekend dat het hoofd een kwetsbaar en vitaal onderdeel van het lichaam is. Het met kracht slaan met een hard voorwerp hiertegen, zeker tegen de zijkant waar zich weke delen bevinden, levert naar algemene ervaringsregels de aanmerkelijke kans op dat het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel, zoals botbreuken of interne bloedingen, oploopt. Verdachte wordt geacht zich hiervan bewust te zijn geweest. Door toch genoemd geweld uit te oefenen, heeft hij bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat zijn gedraging zou leiden tot zwaar lichamelijk letsel bij [Slachtoffer 2] . Dat het niet zo ver is gekomen, nu de botbreuk beperkt is gebleken en zonder nadere behandeling is genezen, is niet aan het handelen van verdachte te danken geweest. De rechtbank acht daarom wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 2 primair tenlastegelegde feit, te weten een poging tot zware mishandeling. Feit 1 De verdediging heeft aangevoerd dat de verklaringen van de getuigen niet betrouwbaar zijn en daarom niet mogen worden gebruikt voor het bewijs. Hierover overweegt de rechtbank als volgt. De verklaringen van de getuigen zijn direct na het incident afgelegd en komen in grote lijnen overeen. De getuigen hebben hun verklaringen later bij de rechter-commissaris bevestigd en hun verklaringen zijn consistent. Daarnaast worden hun verklaringen ondersteund door de beschrijving van de camerabeelden. Uit die beelden blijkt onder meer dat zij op een rustige manier – anders dan verdachte heeft verklaard – en verspreid over meerdere kleinere groepjes richting verdachte zijn gelopen. De inhoud van de getuigenverklaringen past ook bij het korte tijdsbestek waarin het incident zich heeft afgespeeld. Uit de beschrijving van de camerabeelden kan worden afgeleid dat er tussen het moment van het lopen van de getuigen en [Slachtoffer 1] richting verdachte en het moment dat [Slachtoffer 1] reeds is gestoken en op de grond neervalt slechts een periode van 29 seconden zit. Dat het snel gegaan is, volgt uit alle getuigenverklaringen. Bovendien is het voorstelbaar dat, juist omdat het zo snel ging, de getuigen zich niet alles meer kunnen herinneren. De rechtbank is van oordeel dat de getuigenverklaringen daarom betrouwbaar en bruikbaar voor het bewijs zijn. Uit de bewijsmiddelen leidt de rechtbank af dat verdachte op 4 november 2018 te Breda met een mes in de linkerzij, te weten in de borststreek, van [Slachtoffer 1] heeft gestoken en dat verdachte daarvoor het mes heeft gebruikt dat bij zijn aanhouding op zijn aanwijzen is aangetroffen. De rechtbank gaat er gezien de uitkomst van het pathologisch onderzoek van uit dat de dood van [Slachtoffer 1] is ingetreden als gevolg van dit steekletsel. De hiervoor omschreven handeling van verdachte kan naar het oordeel van de rechtbank worden gekwalificeerd als doodslag. Zij overweegt daartoe als volgt. Dat verdachte de wil had om [Slachtoffer 1] om het leven te brengen, is niet gebleken. Van ‘vol’ opzet op de dood is daarom geen sprake. De volgende vraag is of er sprake is van voorwaardelijk opzet, dat wil zeggen of verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat [Slachtoffer 1] door zijn handelen zou komen te overlijden. In dit verband dient te worden beoordeeld of het steken met een mes in de zij, de borststreek, van een persoon de aanmerkelijke kans op diens overlijden met zich brengt. De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend. De zij, met name in en rondom de borststreek, is een kwetsbaar onderdeel van het menselijk lichaam, waarin zich onder meer belangrijke (slag)aders en organen bevinden, zoals het hart. Algemene ervaringsregels leren dat wanneer hier met een mes wordt gestoken, dodelijk letsel kan worden toegebracht. Vervolgens komt de rechtbank toe aan de vraag of verdachte met zijn handelen die aanmerkelijke kans op de dood van het slachtoffer ook bewust heeft aanvaard. Ook deze vraag beantwoordt de rechtbank bevestigend. Zij leidt dat af uit de uiterlijke verschijningsvorm van het handelen van verdachte, zoals hiervoor vastgesteld. Dat handelen merkt zij aan als zozeer gericht op het toebrengen van dodelijk letsel bij het slachtoffer, dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte de aanmerkelijke kans daarop willens en wetens heeft aanvaard. De rechtbank is daarom van oordeel dat verdachte voorwaardelijk opzet had op de dood van het slachtoffer. Zij acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 1 tenlastegelegde feit, te weten doodslag. 4.4 De bewezenverklaring De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte 1.op 4 november 2018 te Breda [Slachtoffer 1] opzettelijk van het leven heeft beroofd, door met een mes in zijn zij te steken; 2. primairop 4 november 2018 te Breda ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [Slachtoffer 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, die [Slachtoffer 2] met een voorwerp tegen zijn hoofd heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid. Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad. De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. 5De strafbaarheid 5.1 Het standpunt van de verdediging De verdediging stelt zich op het standpunt dat verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging ten aanzien van feit 1. Door de verdediging wordt ten aanzien van dit feit primair een beroep gedaan op noodweer, aangezien verdachte heeft gehandeld als gevolg van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding waartegen hij zich mocht verdedigen. De groep, waarvan [Slachtoffer 1] onderdeel uitmaakte, bestaande uit in totaal ongeveer tien personen, kwam namelijk op een dreigende en agressieve wijze op verdachte af. Zij kwamen verhaal halen naar aanleiding van het slaan van [Slachtoffer 2] door verdachte. Er was sprake van een getalsmatig overwicht ten opzichte van verdachte en hij werd door de groep omsingeld, waardoor verdachte geen mogelijkheid had zich te onttrekken aan de aanranding. Terwijl hij mishandeld werd door de leden van de groep zag hij een voorwerp op de grond vallen, naar later bleek een mes, dat hij heeft opgeraapt en met dit mes in de hand heeft hij zich een weg uit de groep gebaand. Daarbij is voldaan aan de vereisten van subsidiariteit en proportionaliteit, temeer nu het mes afkomstig was van de groep en verdachte – hoewel noodlottig – slechts eenmaal op een min of meer willekeurige plek heeft gestoken. Subsidiair voert de verdediging aan dat er sprake was van noodweerexces. En meer subsidiair doet de verdediging een beroep op putatief noodweer(exces). Verdachte kon en mocht redelijkerwijs menen dat hij zich moest verdedigen op de wijze zoals hij heeft gedaan, omdat hij – verontschuldigbaar – zich het dreigende gevaar heeft ingebeeld dan wel de aard van de dreiging verkeerd heeft beoordeeld. 5.2 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft aangevoerd dat het beroep van de verdediging op noodweer(exces) niet slaagt. Dit scenario is enkel gebaseerd op de verklaring van verdachte, die ten aanzien van het incident onduidelijk, wisselend en tegenstrijdig heeft verklaard. Bovendien vindt de door verdachte geschetste situatie geen steun in de overige bewijsmiddelen in het dossier. Uit de camerabeelden blijkt dat de groep personen, waarvan [Slachtoffer 1] onderdeel uitmaakte, rustig en verspreid richting verdachte kwam lopen. Er blijkt niet van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van verdachte. Hoewel er na zijn aanhouding letsel bij verdachte is geconstateerd, kan dit letsel ook zijn ontstaan tijdens zijn vlucht. Bovendien past het scenario van verdachte niet in het korte tijdsbestek waarin het steekincident is gebeurd. Daarnaast – zou er al sprake zijn van een noodweersituatie – is niet voldaan aan de vereisten van subsidiariteit en proportionaliteit. Ook het beroep op putatief noodweer(exces) dient naar de mening van de officier van justitie te worden verworpen, omdat de gestelde vergissing van verdachte dat hij door meerdere personen werd aangevallen niet kan worden geobjectiveerd. Daarnaast heeft zij aangevoerd dat verdachte geen medewerking heeft verleend aan het triple persoonlijkheidsonderzoek en het observatieonderzoek in het Pieter Baan Centrum, waardoor onvoldoende zicht is verkregen op de persoon van verdachte. Er kan dan ook niet worden vastgesteld dat er bij verdachte sprake is van een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis, op grond waarvan de feiten hem niet zouden kunnen worden toegerekend. De officier van justitie acht verdachte daarom strafbaar. 5.3 Het oordeel van de rechtbank De rechtbank stelt voorop dat voor een geslaagd beroep op noodweer aannemelijk moet zijn dat sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van verdachtes lijf dan wel van een onmiddellijke dreigend gevaar daarvan. Vervolgens dient te worden beoordeeld of het noodzakelijk was dat verdachte zich verdedigde en of de wijze van verdediging geboden en proportioneel was. De rechtbank stelt het volgende vast over de gang van zaken voor en tijdens het steekincident. Zij baseert zich hiervoor op de beschrijving en haar eigen waarneming van de camerabeelden, de getuigenverklaringen en de bevindingen in het deelonderzoek ‘letsel’ van het IDFO ten aanzien van [Slachtoffer 2] . Uit de beschrijving van de camerabeelden blijkt dat om 04:07:04 uur verdachte op het zebrapad in botsing komt met een persoon, naar later blijkt [Slachtoffer 2] . Verdachte blijft met zijn handen in zijn zakken voor hem staan en duwt met vooruitgestoken borst tegen het bovenlichaam van [Slachtoffer 2] , waarop [Slachtoffer 2] verdachte met beide handen een duwtje geeft. Direct daarna slaat verdachte [Slachtoffer 2] met kracht met een hard voorwerp tegen de linkerzijkant van zijn hoofd, zoals reeds bewezen verklaard onder 4.3. Vervolgens geeft [Slachtoffer 2] verdachte een harde duw, waardoor verdachte naar achteren stapt. Nadat twee vrouwen tussenbeide komen, loopt [Slachtoffer 2] in de richting van de Adriaan van Bergenstraat en verdachte in de richting van de taxistandplaats. Om 04:09:11 uur loopt verdachte richting de bijrijderskant van de vijfde taxi die hij benadert. Op dat moment komen er enkele personen uit de richting van het zebrapad zijn kant uit lopen, waaronder [Slachtoffer 2] en [Slachtoffer 1] . Vervolgens wordt [Slachtoffer 1] gestoken door verdachte, zoals eveneens reeds bewezen verklaard onder 4.3, waarna hij om 04:09:40 uur de straat oversteekt en in elkaar zakt. Tussen het moment waarop de personen richting verdachte lopen en het moment waarop [Slachtoffer 1] , nadat hij reeds is gestoken, in elkaar zakt, zit een periode van maximaal 29 seconden. De rechtbank heeft ter terechtzitting op de camerabeelden waargenomen, dat meerdere personen verspreid achter elkaar in een rustige tred richting verdachte lopen. Uit de getuigenverklaringen volgt dat meerdere jongens, onder wie [Slachtoffer 2] en [Slachtoffer 1] , verhaal gingen halen bij verdachte, nadat hij [Slachtoffer 2] had geslagen, en dat de manier van benadering niet vriendelijk was. Zij liepen richting verdachte, [Slachtoffer 1] liep voorop. Er is geen contact geweest tussen iemand van de groep en verdachte. Verdachte moet, toen zij hem waren genaderd, direct hebben gestoken. Zij hebben hem niet zien bukken. Bovendien is het letsel van [Slachtoffer 2] forensisch onderzocht in het deelonderzoek ‘letsel’ van het IDFO. Deskundigen in de forensische geneeskunde en het “kras-, indruk- en vormsporenonderzoek” hebben het letsel bestudeerd en bepaald in hoeverre dit past bij een slag met het inbeslaggenomen mes, dan wel met een aansteker. De bevindingen van dit onderzoek waren waarschijnlijker (de rechtbank begrijpt: ordegrootte 10-100 keer) als [Slachtoffer 2] geslagen is met het mes, dan als hij geslagen is met een willekeurige aansteker. De deskundigen merken in het rapport op dat, indien de aansteker zou voldoen aan de omschrijving “een deels kantig, deels hoekig en langwerpig hard voorwerp met parallelle uitsteeksels”, de bevindingen geen onderscheid maken tussen de beide scenario’s. De rechtbank acht de verklaring van verdachte ter terechtzitting van 15 oktober 2020, inhoudende dat hij bij het slaan van [Slachtoffer 2] een zwaar metalen aansteker als slagvoorwerp heeft gebruikt, niet geloofwaardig. Verdachte heeft deze beschrijving van de aansteker pas voor het eerst ter zitting gegeven, nadat het dossier gereed was en het forensisch onderzoek was afgerond, waardoor de verklaring lijkt te zijn afgestemd op de bewijsmiddelen in het dossier. Daarnaast heeft de verdediging op dit punt enkel aangevoerd dat hierbij kan worden gedacht aan een aansteker van het merk Zippo. Het uiterlijk van deze gelet op de verwondingen bij [Slachtoffer 2] zeer specifieke aansteker is niet nader geconcretiseerd. Door dit achterwege te laten en pas in een laat stadium met deze verklaring te komen, die ook niet meer te verifiëren is, schuift de rechtbank deze verklaring van verdachte ter zijde als zijnde niet geloofwaardig. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat, mocht de verdachte [Slachtoffer 2] geslagen hebben met een aansteker, dit een willekeurige aansteker betrof. De rechtbank zal gebruik maken van de hierboven besproken conclusie met bewijskracht (waarschijnlijker), die steun geeft aan de hypothese dat verdachte [Slachtoffer 2] heeft geslagen met het mes. De rechtbank combineert deze conclusie van de deskundigen met de overige informatie in het dossier en concludeert dat het mes door verdachte reeds is gebruikt bij feit 2. Gelet op het vorenstaande concludeert de rechtbank dat er weliswaar een groep personen op verdachte af kwam lopen en dat hierbij mogelijk sprake was van een agressieve sfeer, maar dat de wijze van benadering niet dreigend was en er geen fysiek geweld tegen hem werd gebruikt. Er was geen sprake van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding dan wel van een onmiddellijk dreigend gevaar daarvan. Ook gaat de rechtbank ervan uit dat verdachte het mes al bij zich had, toen de groep op hem af kwam lopen, gezien de conclusie dat het mes ook bij het slaan van [Slachtoffer 2] is gebruikt. De rechtbank is van oordeel dat er sprake is geweest van een aanvallende in plaats van een verdedigende actie van verdachte. De door verdachte gestelde feiten, die een beroep op noodweer zouden moeten dragen, zijn dan ook niet aannemelijk geworden. De rechtbank verwerpt, nu een noodweersituatie niet aannemelijk is geworden, het beroep van de verdediging op noodweer, en daarmee ook het beroep op noodweerexces. De rechtbank verwerpt ook het beroep op putatief noodweer(exces), omdat de gestelde vergissing van verdachte dat hij door meerdere personen werd aangevallen, op geen enkele wijze kan worden geobjectiveerd. De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat op basis van de opgestelde rapportages over verdachte, naar aanleiding van het triple persoonlijkheidsonderzoek en het observatieonderzoek in het Pieter Baan Centrum, niet kan worden vastgesteld dat er bij verdachte sprake is van een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis, met als gevolg dat niet kan worden geoordeeld dat de feiten hem niet kunnen worden toegerekend. Concluderend is de rechtbank dan ook van oordeel dat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op. Nu voorts niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit, acht de rechtbank verdachte strafbaar. 6De strafoplegging 6.1 De vordering van de officier van justitie De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van twaalf jaren, met aftrek van voorarrest. Zij heeft daarbij rekening gehouden met de ernst van de feiten, de persoon van verdachte en de straffen die in vergelijkbare situaties worden opgelegd, te weten gevangenisstraffen tussen de acht en twaalf jaar voor feit 1. Daarnaast blijkt uit het strafblad van verdachte dat hij eerder is veroordeeld voor geweldsdelicten. Ook acht zij het strafverzwarend dat verdachte degene is geweest die een mes bij zich droeg en dat hij begon met het gebruik van geweld tegenover onbekenden. 6.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging verzoekt, indien de rechtbank van oordeel is dat strafoplegging dient te volgen, rekening te houden met de bijzondere omstandigheden van het geval. Het gaat hierbij om het feit dat er sprake is van één steekbeweging op een willekeurige plek met een noodlottige impact, dat verdachte de dood van het slachtoffer niet voor ogen heeft gehad, dat verdachte ook letsel bij het incident heeft opgelopen en dat hij ten opzichte van de groep in de minderheid was. Onder verwijzing naar de jurisprudentie wordt bepleit dat een gevangenisstraf van zes jaren daarom passend zou zijn. Daarnaast dient rekening te worden gehouden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte, in het bijzonder zijn gezondheidstoestand, het feit dat hij kinderen heeft en dat hij zijn leven net op orde had voor het incident plaatsvond. 6.3 Het oordeel van de rechtbank Verdachte heeft zich op 4 november 2018 gedurende de nachtelijke uren op de openbare weg in het uitgaansgebied schuldig gemaakt aan twee zeer ernstige strafbare feiten. Eerst heeft verdachte [Slachtoffer 2] met wie hij op het zebrapad in botsing kwam met kracht met een ingeklapt mes tegen het hoofd geslagen (feit 2). [Slachtoffer 2] heeft hierbij aanzienlijk letsel opgelopen, waaronder een breuk in het slaapbeen, als gevolg waarvan hij meerdere maanden gehoorproblemen heeft ondervonden, en een lichte hersenschudding. Toen [Slachtoffer 2] en zijn vrienden samen naar verdachte toeliepen om verhaal te halen, heeft verdachte direct één van hen, [Slachtoffer 1] , met het uitgeklapte mes in de zij gestoken, waarna [Slachtoffer 1] op straat in elkaar is gezakt en is overleden (feit 1). Verdachte heeft zonder aanleiding, onder invloed van alcohol, zeer agressief en gewelddadig gedrag vertoond richting voor hem onbekende personen, waarbij hij één van hen zelfs van het leven heeft beroofd. Met zijn handelen heeft verdachte [Slachtoffer 1] , een jonge man die midden in het leven stond, het belangrijkste dat hij had, te weten zijn leven, ontnomen. Dit door verdachte gepleegde strafbare feit heeft bij de nabestaanden een intens, groot en onherstelbaar verdriet veroorzaakt, zo blijkt onder meer uit de tijdens de zitting voorgelezen slachtofferverklaringen van de ouders, de zus en de overige familie van het slachtoffer. De rechtbank is zich ervan bewust dat geen enkele strafoplegging het verdriet en het gemis bij de nabestaanden kan compenseren. Daarnaast heeft verdachte de lichamelijke integriteit van [Slachtoffer 2] aangetast en bij hem psychische schade veroorzaakt. Dit slachtoffer is in de maanden na de bewuste avond behandeld voor een Post Traumatische Stress Stoornis. Van het gewelddadig optreden van verdachte waren meerdere mensen getuige, waaronder vrienden van [Slachtoffer 1] . Zij hebben niet alleen gezien dat verdachte [Slachtoffer 1] met een mes heeft gestoken, maar hebben hun vriend ook in elkaar zien zakken. Vervolgens werd het slachtoffer op straat gereanimeerd. Ondanks medisch ingrijpen ter plaatse door de trauma-arts, is het slachtoffer op straat komen te overlijden. Dit alles moet voor de ooggetuigen een zeer schokkende gebeurtenis zijn geweest. Het is een feit van algemene bekendheid dat ook de ooggetuigen van zulke delicten nog lang angstgevoelens kunnen ondervinden. Naast de gevolgen die de nabestaanden en de ooggetuigen van dit feit hebben ondervonden, worden door dergelijke feiten ook de in de samenleving levende gevoelens van angst en onveiligheid bevestigd en versterkt. De rechtbank houdt rekening met de straffen die blijkens de jurisprudentie in vergelijkbare situaties voor doodslag worden opgelegd, te weten gevangenisstraffen tussen de acht en twaalf jaren. Daarnaast slaat zij ten aanzien van de poging tot zware mishandeling acht op de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Uit het strafblad van verdachte blijkt dat hij eerder is veroordeeld voor geweldsdelicten. Er is daarom sprake van relevante recidive. In strafverhogende zin weegt de rechtbank mee dat verdachte een mes bij zich droeg tijdens het uitgaan en dat hij dit ter hand heeft genomen. Daarbij kenden verdachte en de slachtoffers elkaar niet. Verdachte was de agressor en begon met het gebruik van geweld, waarbij hij zich in korte tijd schuldig heeft gemaakt aan twee ernstige strafbare feiten, door ten aanzien van beide slachtoffers het mes als wapen te hebben gebruikt. Bijzonder wrang is dat juist [Slachtoffer 1] , die samen met anderen voor een hem bekende jongen opkwam, zonder enige aarzeling door verdachte lijkt te zijn neergestoken. Verdachte trok direct zijn mes en heeft vervolgens een stekende beweging richting dit slachtoffer gemaakt, waarbij hij fataal is geraakt. Ook constateert de rechtbank dat verdachte niet heeft meegewerkt aan de ingezette persoonlijkheidsonderzoeken, hetgeen volgens de onderzoekers een weloverwogen keuze en proceshouding lijkt te zijn. Hierdoor is er geen inzicht verkregen in de persoon van verdachte en het gevaar van recidive, hoewel er wel sterke vermoedens bestaan van persoonlijkheidsproblematiek. Dit maakt dat er geen gerichte behandeling kan worden opgestart, terwijl verdachte onder invloed van middelen zeer gevaarlijk gedrag heeft vertoond. Dat gedrag toonde hij bovendien niet voor de eerste keer. Het lijkt erop dat verdachte zich snel bedreigd voelt en dat hij niet terughoudend is in het gebruik van excessief geweld in het openbaar jegens onbekenden, in dit geval zelfs met een dodelijke afloop. Ook het feit dat er in de woning van verdachte een grote hoeveelheid stanleymessen, een ploertendoder, een schietvest en een jammer zijn aangetroffen en dat bekenden van verdachte verklaren dat verdachte een explosief type is, acht de rechtbank in dat kader zorgwekkend. Gelet op al het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat het opleggen van een langdurige onvoorwaardelijke vrijheidsstraf de enige straf is die recht doet aan de ernst van de feiten en gelet op de persoon van verdachte de enige mogelijkheid is om de maatschappij te beschermen voor het gevaar dat verdachte vormt. Alles afwegend acht de rechtbank de oplegging van een gevangenisstraf van twaalf jaren, met aftrek van voorarrest, zoals ook is gevorderd door de officier van justitie, passend en geboden. 7De benadeelde partijen ten aanzien van feit 1 7.1 Wettelijke grondslag/juridisch kader De rechtbank stelt voorop dat buiten alle twijfel staat dat de benadeelde partijen [Naam 2] , [Naam 3] en [Naam 4] , de ouders en de zus van [Slachtoffer 1] , – evenals de overige familieleden van [Slachtoffer 1] en de ooggetuigen, waaronder [Slachtoffer 2] – diep zijn getroffen door het overlijden van het slachtoffer. De rechtbank heeft begrip voor het enorme verdriet en het leed dat de nabestaanden en [Slachtoffer 2] hebben. De rechtbank merkt daarbij echter op dat hun vorderingen in de juiste wettelijke context dienen te worden beoordeeld. De rechtbank zal eerst het toepasselijke juridische kader schetsen, waarna de vorderingen afzonderlijk zullen worden beoordeeld. Voor het juridisch kader geldt allereerst dat uitgegaan moet worden van de wetgeving die gold ten tijde van de datum van de strafbare feiten, te weten 4 november 2018. Op 1 januari 2019 is de Wet affectieschade en verplaatste schade in werking getreden. Daarbij is onder meer de kring van voegingsgerechtigden verruimd. Ook kunnen nabestaanden van een slachtoffer van een misdrijf aanspraak maken op affectieschade. Deze wet heeft echter geen terugwerkende kracht en is alleen van toepassing op gebeurtenissen die zich na de inwerkingtreding van deze wet hebben voorgedaan. Nabestaanden en naasten van een slachtoffer kunnen geen aanspraak op vergoeding van schade maken, behalve wanneer het gaat om de schade, zoals neergelegd in artikel 6:108 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). Artikel 6:108 BW bepaalt dat nabestaanden recht hebben op vergoeding van kosten van levensonderhoud waarin de overledene voorzag en op vergoeding van redelijke kosten van lijkbezorging. Voor vergoeding van eventuele andere materiële schade biedt de wet geen mogelijkheden, behoudens het geval dat jegens de nabestaanden zelf onrechtmatig is gehandeld (bijvoorbeeld bij zogenoemde shockschade zoals hierna wordt besproken). De wet geeft nabestaanden ook beperkt recht op immateriële schadevergoeding. Alleen indien vastgesteld kan worden dat verdachte het oogmerk had om nabestaanden leed en verdriet toe te brengen als bedoeld in artikel 6:106 aanhef en onder a BW of als sprake is van shockschade bij nabestaanden waardoor zij in hun persoon zijn aangetast in de zin van artikel 6:106 lid 1 sub b BW, hebben nabestaanden recht op immateriële schadevergoeding. Vergoeding van shockschade kan plaatsvinden als bij de benadeelde partij een hevige emotionele schok wordt teweeggebracht door (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.