RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Belastingrecht, enkelvoudige kamer Locatie: Breda Zaaknummers BRE 20/188 en 20/189 uitspraak van 4 november 2020 Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen [belanghebbende 1] , wonende te [woonplaats] , belanghebbende 1, en [belanghebbende 2] , wonende te [woonplaats] , belanghebbende 2, samen te noemen: belanghebbenden, en de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur. De bestreden uitspraken op bezwaar - De uitspraak van de inspecteur van 10 december 2019 op het bezwaar van belanghebbende 1 tegen de aan haar voor het jaar 2014 opgelegde navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 17.673, aanslagnummer [aanslagnummer 1] .H.47.01 (BRE 20/188). - De uitspraak van de inspecteur van 2 december 2019 op het bezwaar van belanghebbende 2 tegen de aan hem voor het jaar 2015 opgelegde navorderingsaanslag IB/PVV naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 36.647, aanslagnummer [aanslagnummer 2] .H.57.01 (BRE 20/189). Zitting Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 oktober 2020 te Roermond. Aldaar zijn verschenen en gehoord, belanghebbenden, vergezeld van hun gemachtigde [gemachtigde] , en namens de inspecteur, [inspecteur] . Met instemming van beide partijen zijn de zaken gelijktijdig behandeld. Beide partijen hebben tevens ingestemd dat de uitspraken in één geschrift worden opgenomen. 1Beslissing Belanghebbende 1 De rechtbank verklaart het beroep ongegrond (BRE 20/188). Belanghebbende 2 De rechtbank verklaart het beroep ongegrond (BRE 20/189). 2Motivering 2.1. Belanghebbende 1 heeft van 2012 tot en met 2015 de initiële politieopleiding gevolgd aan de politieacademie in [plaats] . In het arbeidsvoorwaardenakkoord van de politie van 2 maart 2010 is overeengekomen dat het inkomen van aspiranten met 50% tijdens de leerkwartielen wordt verminderd. Als gevolg daarvan is belanghebbende 1 in 2014 voor een bedrag van € 5.321 gekort op het brutoloon. In 2015 is zij gekort voor een bedrag van € 4.035 op het brutoloon. 2.2. Op 6 oktober 2018 hebben belanghebbenden ieder een herziene aangifte IB/PVV ingediend. Belanghebbende 1 heeft een herziene aangifte gedaan voor het jaar 2014 naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 12.602. Daarbij heeft zij een bedrag van € 5.071 (inclusief de drempel) als persoonsgebonden aftrekpost aan scholingsuitgaven in aanmerking genomen onder vermelding van “Initiële politieopleiding Allround Politiemedewerker”. Belanghebbende 2 heeft een herziene aangifte gedaan voor het jaar 2015 naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 32.862 en daarbij een bedrag van € 3.785 (inclusief de drempel) aan persoonsgebonden aftrek aan scholingsuitgaven voor zijn partner – belanghebbende 1 – in aanmerking genomen onder vermelding van “Initiële politie opleiding”. Deze herziene aangiften zijn gedaan nadat de aanslag IB/PVV de desbetreffende jaren (hierna: de aanslagen) reeds waren opgelegd. 2.3. De aanslagen zijn verminderd overeenkomstig de herziene aangiften. De inspecteur heeft daartoe aan ieder van belanghebbenden een biljet met dagtekening 6 november 2018 uitgereikt met de titel ‘uitspraak op bezwaar’. In de biljetten staat onder meer, woordelijk gelijkluidend, het volgende vermeld: “U heeft bezwaar gemaakt tegen de aanslag inkomstenbelasting / premie volksverzekeringen (…). De inspecteur heeft het bezwaarschrift niet binnen de wettelijke termijn ontvangen. Hij verklaart het bezwaarschrift daarom niet-ontvankelijk. (…) De inspecteur heeft besloten aan uw bezwaar tegemoet te komen. Als gevolg hiervan is de aanslag verminderd (…). 2.4. Op 3 december 2018 heeft een andere belastingplichtige de Belastingdienst gewezen op een bericht van de Nederlandse Politiebond van 28 november 2018, waarin onder meer staat vermeld: “Onder politiemedewerkers wordt momenteel een mail rondgestuurd waarin ten onrechte wordt beweerd dat collega’s die in de jaren 2010 tot 2013 zijn ingestroomd als aspirant - de jaren van politieminister Ivo ('De Slager') Opstelten - een extra aftrekpost aan studiekosten kunnen opvoeren. Deze aftrekpost zou dan betrekking hebben op de tijdelijke halvering van het salaris tijdens de toenmalige schoolkwartielen.” 2.5. Met dagtekening 29 juni 2019 zijn aan belanghebbenden de bestreden navorderingsaanslagen IB/PVV opgelegd, waarbij de aftrek van de geclaimde scholingsuitgaven is teruggenomen. Geschil 2.6. In geschil is of de navorderingsaanslagen terecht aan belanghebbenden zijn opgelegd. Meer specifiek is in geschil of sprake is van een nieuw feit dat navordering rechtvaardigt en of belanghebbenden een geslaagd beroep kunnen doen op het vertrouwensbeginsel. Niet in geschil is dat belanghebbenden op grond van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001) geen recht hebben op aftrek van de geclaimde scholingsuitgaven. Beoordeling van het geschil 2.7. Op basis van artikel 16, eerste lid, van de AWR kan de inspecteur de te weinig geheven belasting navorderen indien enig feit grond oplevert voor het vermoeden dat een aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld. Een feit dat de inspecteur bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn, kan geen grond voor navordering opleveren, behoudens in de gevallen waarin de belastingplichtige ter zake van dit feit te kwader trouw is. 2.8. De rechtbank overweegt als volgt. De inspecteur beroept zich hier op het feit dat ter zake van de scholing sprake is geweest van een korting op het brutoloon van belanghebbende 1 en derhalve geen sprake is van kosten die ten laste zijn gekomen van haar nettoloon. Dát feit maakt dat geen sprake is van kosten die voor aftrek in aanmerking komen. Dit feit is als zodanig niet op te maken uit de herziene aangiften. De rechtbank acht aannemelijk dat de inspecteur met dit feit eerst bekend is geworden naar aanleiding van het in 2.4 vermelde bericht van 3 december 2018 van een andere belastingplichtige. In zoverre levert dit dan ook een feit op dat als uitgangspunt kwalificeert als nieuw feit. Dit is anders indien sprake zou zijn van een ambtelijk verzuim. 2.9. Belanghebbenden stellen dat sprake is van een ambtelijk verzuim. Zij hebben in dit verband – zakelijk weergegeven – aangevoerd dat de inspecteur gehouden was de herziene aangiften inhoudelijk te beoordelen en de in aanmerking genomen kosten nader te onderzoeken. De inspecteur had dan bekend kunnen zijn met het feit dat de kosten niet voor aftrek in aanmerking komen als scholingsuitgaven. 2.10. De inspecteur heeft naar aanleiding van de herziene aangiften twee beslissingen genomen die zijn opgenomen in de in 2.3 vermelde biljetten, namelijk: (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.