RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Strafrecht Zittingsplaats: Middelburg Parketnummers: 02/262645-19; 02/249064-19; 02/007781-20 (ttz. gev.) vonnis van de meervoudige kamer van 15 juli 2020 in de strafzaak tegen [Verdachte] , geboren op [Geboortedag verdachte] 1979 te [Geboorteplaats- en Land verdachte] thans verblijvende te Forensisch Psychiatrische Afdeling (FPA) De Mare, 4661 AA Halsteren, Hoofdlaan 8, raadsman: mr. R. Wouters, advocaat te Middelburg. 1Onderzoek van de zaak De zaken zijn inhoudelijk behandeld op de zitting van 1 juli 2020, waarbij de officier van justitie, mr. M.C. Fimerius, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. 2De tenlastelegging De tenlastelegging inzake parketnummer 02/007781-20 is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering. De tenlasteleggingen zijn als bijlage I aan dit vonnis gehecht. De verdenkingen komen er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte: 02/262645-19 heeft geprobeerd [Slachtoffer 1] te doden dan wel zwaar lichamelijk letsel bij hem te veroorzaken door hem met een mes in zijn rug en vlak onder zijn oksel te steken. 02/249064-19 een hoofdagent van de politie tijdens zijn werk heeft beledigd door hem uit te schelden voor “homo”, “flikker” en “kankerjong”. 02/007781-20 seksuele handelingen heeft verricht bij [Slachtoffer 2] , die toen nog geen 16 jaar oud was, bestaande uit het betasten en het in haar mond nemen van zijn penis. 3De voorvragen De dagvaarding is geldig. De rechtbank is bevoegd. De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging. Er is geen reden voor schorsing van de vervolging. 4De beoordeling van het bewijs 4.1 Het standpunt van de officier van justitie 02/262645-19 primair en subsidiair De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte met een mes tweemaal in de romp van [Slachtoffer 1] heeft gestoken, wat volgens haar een poging tot doodslag oplevert. Iedereen weet dat een messteek in de romp vaatletsel en letsel aan de longen tot gevolg kan hebben. Door met een mes meerdere malen in de romp te steken, heeft verdachte bewust de aanmerkelijk kans aanvaard dat [Slachtoffer 1] door haar handelen had kunnen komen te overlijden. 02/249064-19 De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de tenlastegelegde belediging van de politieagent heeft begaan. Zij verwijst daarbij naar de bewijsmiddelen in het dossier. 02/007781-20 De officier van justitie acht voldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden, waaruit blijkt dat verdachte seksuele handelingen heeft verricht bij de destijds vijftien jaar oude [Slachtoffer 2] (hierna: [Slachtoffer 2] ) in de tenlastegelegde periode. [Slachtoffer 2] heeft geen reden voor het afleggen van een leugenachtige verklaring en zijn verklaring vindt steun in andere bewijsmiddelen in het dossier. 4.2 Het standpunt van de verdediging 02/262645-19 primair en subsidiair De verdediging heeft aangevoerd dat verdachte heeft bekend [Slachtoffer 1] tweemaal in zijn romp te hebben gestoken met een mes. Zij dient echter te worden vrijgesproken van zowel de tenlastegelegde poging tot doodslag als de poging tot zware mishandeling. Verdachte stak met opzet niet diep, op een plaats waar weinig risico is op zwaar lichamelijk letsel, laat staan op overlijden. Door het steken met het mes op deze wijze is er ook geen sprake van voorwaardelijke opzet op de dood of op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. 02/249064-19 De verdediging is van mening dat de rechtbank tot een bewezenverklaring kan komen van de belediging van de politieagent door het gebruik van het scheldwoord “kankerjong”. Verdachte dient te worden vrijgesproken ten aanzien van de bewoordingen “homo” en “flikker”, aangezien uit het proces-verbaal van bevindingen van de politieagent blijkt dat hij deze woorden niet als beledigend heeft ervaren. 02/007781-20 De verdediging bepleit vrijspraak ten aanzien van het plegen van ontuchtige handelingen bij [Slachtoffer 2] wegens het ontbreken van voldoende wettig en overtuigend bewijs. De verdenking is enkel gebaseerd op de verklaring van [Slachtoffer 2] , die redenen kan hebben voor het afleggen van een leugenachtige verklaring over dit onderwerp. Verdachte is heel stellig in haar ontkenning en haar verklaring vindt steun in andere bewijsmiddelen in het dossier. 4.3 Het oordeel van de rechtbank 4.3.1 De bewijsmiddelen De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht. 4.3.2 De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs 02/262645-19 primair en subsidiair Op grond van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat verdachte [Slachtoffer 1] tweemaal met een mes heeft gestoken in zijn romp, te weten op de rug ter hoogte van het linker schouderblad en in de linker flank onder de linker oksel. Als gevolg hiervan heeft [Slachtoffer 1] oppervlakkige huidbeschadigingen opgelopen. De rechtbank is met de verdediging van oordeel dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is, waaruit blijkt dat verdachte [Slachtoffer 1] heeft geprobeerd van het leven te beroven. Uit haar gedrag, te weten het steken met een mes op de rug ter hoogte van het schouderblad en onder de oksel, wat tot oppervlakkige huidbeschadigingen heeft geleid, kan niet het opzet op de dood van [Slachtoffer 1] worden afgeleid, ook niet in voorwaardelijke zin. De rechtbank acht de kans dat door dit steken [Slachtoffer 1] dodelijk kon worden getroffen niet aanmerkelijk. Zij zal verdachte daarom vrijspreken van de primair tenlastegelegde poging tot doodslag. De rechtbank acht wel wettig en overtuigend bewezen dat verdachte heeft geprobeerd [Slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Zowel het schouderblad als de linker flank (onder de oksel) zijn kwetsbare plekken van het lichaam, omdat daar pezen en spieren lopen die hadden kunnen worden geraakt. Door in de rug ter hoogte van het schouderblad en in de linker flank (onder de oksel) te steken, ontstond de aanmerkelijke kans dat [Slachtoffer 1] als gevolg van dat steken zwaar lichamelijk letsel zou kunnen oplopen. Verdachte heeft bewust gestoken en hiermee bewust de aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel aanvaard. De rechtbank is daarom van oordeel dat het subsidiair tenlastegelegde feit wettig en overtuigend kan worden bewezen. 02/249064-19 Uit de bewijsmiddelen leidt de rechtbank af dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de belediging van de politieagent door het gebruik van het scheldwoord “kankerjong”. De rechtbank volgt het verweer van de verdediging dat uit het proces-verbaal van bevindingen van de politieagent blijkt dat hij de overige door verdachte geuite bewoordingen, te weten “homo” en “flikker”, niet als beledigend heeft ervaren. Zij spreekt verdachte dan ook partieel vrij ten aanzien van het gebruik van deze woorden. 02/007781-20 Op 12 oktober 2018 heeft [Slachtoffer 2] aan de orthopedagoog van school, [Naam 1] , verteld dat enkele jaren geleden een vrouw zijn broek opendeed en dat ze vervolgens seksuele handelingen bij hem verrichtte. Dit had plaatsgevonden in het huis van zijn vader aan [Adres van naam 3] , waar hij drie à vier jaar geleden voor het laatst was geweest. Vervolgens heeft er een gesprek plaatsgevonden met zijn ouders, waarna zijn moeder, [Naam 2] , namens hem aangifte heeft gedaan. Tijdens het studioverhoor bij de politie heeft [Slachtoffer 2] een verklaring afgelegd over het gebeuren. Hij heeft verklaard dat hij een jaar of twee geleden bij zijn vader thuis was en dat verdachte daar toen ook was. Ze raakte hem aan op plekken waar hij dat niet wilde. Zo wreef zij over zijn broek ter hoogte van zijn penis. Vervolgens opende ze zijn broek en trok ze hem af. Hierna deed ze zijn penis in haar mond en begon ze eraan te zuigen. Daarna heeft ze nog een keer zijn penis uit zijn broek gehaald en hier met haar handen aan gezeten. Verdachte heeft zowel bij de politie als ter terechtzitting van 1 juli 2020 verklaard dat zij geen seksuele handelingen bij de destijds vijftienjarige [Slachtoffer 2] heeft verricht. In zedenzaken komt het vaak voor dat de verklaring van het slachtoffer heel anders is dan die van de verdachte die de beschuldiging ontkent. Ook hier is dit het geval. De strafwet verlangt dan dat er ook andere bewijsmiddelen zijn dan de aangifte waarmee het misdrijf kan worden bewezen. Dit steunbewijs ontbreekt in deze zaak. De beschuldigende verklaring van het slachtoffer en de ontkennende verklaring van de verdachte blijven nu (als onverenigbaar) tegenover elkaar staan. In dat geval laat het systeem van de strafwet geen ruimte voor een bewezenverklaring, omdat op grond van artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering de rechter het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, niet uitsluitend mag baseren op de verklaring van één getuige. De verdachte kan dan niet worden veroordeeld. De verklaring van [Slachtoffer 2] wordt ondersteund door de getuigenverklaring van zijn vader, [Naam 3] , en de orthopedagoog, [Naam 1] . Zij hebben beiden verklaard over de seksuele handelingen die verdachte bij [Slachtoffer 2] zou hebben verricht. Deze verklaringen gaan steeds over wat [Slachtoffer 2] tegen hen heeft verteld. Deze verklaringen kunnen daarom niet het vereiste steunbewijs opleveren. De bron van deze verklaringen is steeds dezelfde als de verklaring die moet worden ondersteund, namelijk de verklaring van [Slachtoffer 2] zelf. Concluderend is er naast de twee tegenover elkaar staande verklaringen van [Slachtoffer 2] en verdachte geen ondersteunend bewijs, waardoor er onvoldoende wettig bewijs voorhanden is. De rechtbank spreekt verdachte daarom vrij van het haar tenlastegelegde feit. 4.4 De bewezenverklaring De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte 02/262645-19, subsidiair op 2 november 2019 te Vlissingen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [Slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen die [Slachtoffer 1] met een mes in de rug en vlak onder zijn oksel, althans meermalen in de romp, te steken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid. 02/249064-19 op 16 oktober 2019 te Roosendaal opzettelijk een ambtenaar, te weten [Naam 4] (hoofdagent van politie Eenheid Zeeland-West-Brabant), gedurende de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, in zijn tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door hem het woord toe te voegen: "kankerjong". Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad. De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. 5De strafbaarheid 5.1 Het standpunt van de officier van justitie De verdediging heeft met betrekking tot het incident met [Slachtoffer 1] aangevoerd dat er sprake was van noodweer(exces) en dat het feit dan wel verdachte daarom niet strafbaar is. Volgens verdachte was het juist [Slachtoffer 1] die haar aanviel, door haar met een mes te bedreigen en terwijl hij bovenop haar zat haar keel dicht te knijpen. Verdachte heeft het mes van [Slachtoffer 1] weten af te pakken en hem ter noodzakelijke verdediging van zichzelf tweemaal met een mes in de rug gestoken. De verklaring van [Slachtoffer 1] is ongeloofwaardig, omdat zijn verklaring inconsistent en onlogisch is. Bovendien heeft verdachte geen reden voor het afleggen van een leugenachtige verklaring in tegenstelling tot [Slachtoffer 1] , die is begonnen met het plegen van een strafbaar feit. Aan de vereisten voor een geslaagd beroep op noodweer(exces) is voldaan, waardoor ontslag van alle rechtsvervolging dient te volgen. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat uit het dossier niet valt af te leiden dat er sprake is geweest van een noodweersituatie. De verklaring van [Slachtoffer 1] is geloofwaardig, aangezien zijn verklaring wordt ondersteund door het door de politie in de woning aangetroffen afgebroken mes. Daarnaast is [Slachtoffer 1] eerlijk geweest over het feit dat hij verdachte heeft mishandeld door haar keel dicht te knijpen. Het beroep op noodweer(exces) dient daarom te worden verworpen. De rechtbank stelt voorop dat voor een geslaagd beroep op noodweer aannemelijk moet zijn dat er sprake was van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van verdachtes lijf, dan wel van een onmiddellijke dreiging daartoe. Vervolgens moet worden beoordeeld of het noodzakelijk was dat verdachte zich verdedigde en of de wijze van verdediging geboden en proportioneel was. De rechtbank is van oordeel dat op basis van de inhoud van het dossier niet aannemelijk is geworden dat er sprake is geweest van een noodweersituatie. Zij acht de verklaring van [Slachtoffer 1] geloofwaardig, aangezien het ontstane letsel bij zijn verklaring past en het afgebroken lemmet dat door de politie in de woning is aangetroffen zijn verklaring ondersteunt. Daarnaast vindt de rechtbank zijn verklaring consistent, aangezien hij zowel in zijn aangifte als zijn verklaring bij de rechter-commissaris in hoofdlijnen hetzelfde heeft verklaard. Daar staat de verklaring van verdachte tegenover, die geen steun vindt in de overige bewijsmiddelen in het dossier. De rechtbank gaat daarom uit van de verklaring van [Slachtoffer 1] , waaruit blijkt dat verdachte onverhoeds tot de aanval is overgegaan. Het beroep op noodweer of noodweerexces wordt dan ook verworpen. Er zijn dus geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op. Ook is verdachte strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit. 6De strafoplegging 6.1 De vordering van de officier van justitie De officier van justitie vordert, gelet op hetgeen zij bewezen acht, aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 107 dagen met aftrek van voorarrest en daarnaast een voorwaardelijke gevangenisstraf van twaalf maanden met een proeftijd van twee jaar en de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering. Ook verzoekt zij te bevelen dat de bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar zijn. Zij heeft bij de formulering van haar eis de richtlijnen van het Openbaar Ministerie als uitgangspunt genomen en rekening gehouden met de ernst van de feiten en de persoon van verdachte, waaronder haar psychiatrische problematiek. Zij acht het van belang dat verdachte haar huidige behandeling bij FPA De Mare kan voortzetten. Het voorwaardelijk strafdeel dient als stok achter de deur. 6.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging brengt naar voren dat voor de belediging van de politieagent volgens de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) een geldboete van € 300,00 wordt opgelegd. Ook heeft de verdediging naar voren gebracht dat, als een veroordeling volgt, het belangrijk is dat verdachte haar huidige behandeling bij FPA De Mare kan voortzetten. 6.3 Het oordeel van de rechtbank Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een ernstige vorm van huiselijk geweld, namelijk een poging tot zware mishandeling. Zij heeft onder invloed van alcohol en drugs tijdens een ruzie haar toenmalige partner meermalen met een mes gestoken, waarbij hij twee verwondingen heeft opgelopen aan zijn romp en een verwonding aan zijn bovenbeen. Verdachte heeft hiermee niet alleen de lichamelijke integriteit en gezondheid van het slachtoffer aangetast, maar hem ook enorme angst aangejaagd. Het slachtoffer is bovendien in zijn eigen woning aangevallen, wat extra kwalijk te noemen is. Een huis is een veilige basis, waar iedereen zich veilig zou moeten kunnen voelen. Verdachte heeft dit veilige gevoel in zijn vertrouwde woonomgeving bij het slachtoffer ontnomen en de littekens die hij aan de steekverwondingen heeft overgehouden herinneren hem hieraan. Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan een belediging van een politieagent door hem uit te schelden voor “kankerjong”. Vooropgesteld wordt dat de politie haar werk moet kunnen doen zonder beledigende woorden naar het hoofd te krijgen van mensen die het niet eens zijn met het optreden van de politie. Verdachte heeft met haar handelen de desbetreffende politieagent niet alleen in zijn eer en goede naam aangetast, maar ook blijk gegeven van een gebrek aan respect voor het openbaar gezag. De rechtbank vindt dit alles ernstig. Uit het strafblad van verdachte blijkt dat zij zich in de afgelopen vijf jaren niet eerder schuldig heeft gemaakt aan geweldsdelicten. Daarnaast volgt hieruit dat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht aan de orde is. De rechtbank houdt daar bij de strafoplegging in strafverminderende zin rekening mee. Bij de bepaling van de aan verdachte op te leggen straf zal de rechtbank verder rekening houden met de over haar uitgebrachte rapportages, waaronder het reclasseringsadvies van Inforsa van 1 april
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.