RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Strafrecht Zittingsplaats: Middelburg parketnummer: 02/155823-18 vonnis van de meervoudige kamer van 5 maart 2020 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren op [geboortedag] 1951 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] , raadsman mr. B. Vermeirssen, advocaat te Kattendijke. 1Onderzoek van de zaak De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 20 februari 2020, waarbij de officier van justitie mr. M.C. Fimerius en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. 2De tenlastelegging Aan verdachte is ten laste gelegd dat: 1 zij op of omstreeks 30 juni 2018 te Hulst, in elk geval in Nederland, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmede rijdende over de weg, het/een parkeerterrein gelegen aan de [straatnaam] , zich zodanig heeft gedragen dat een aan haar schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, door zeer, althans aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onachtzaam, terwijl [slachtoffer] aan de bestuurderszijde het portier van voornoemde auto open had getrokken, (nog verder) achteruit te rijden en (vervolgens) vooruit te rijden, waardoor, in elk geval waarbij die [slachtoffer] ten val is gekomen en/of door dat bestuurdersportier, althans dat motorrijtuig is geraakt, in elk geval waardoor een botsing/aanrijding plaatsvond tussen het door haar, verdachte, bestuurde motorrijtuig en die [slachtoffer] , waardoor die [slachtoffer] werd gedood, terwijl zij verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, eerste of tweede lid van de Wegenverkeerswet 1994, danwel na het feit niet heeft voldaan aan een bevel gegeven krachtens artikel 163, tweede, zesde, achtste of negende lid van genoemde wet; De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd; (art 6 Wegenverkeerswet 1994, art 8 lid 1 Wegenverkeerswet 1994, art 8 lid 2 ahf/ond a Wegenverkeerswet 1994, art 8 lid 2 ahf/ond b Wegenverkeerswet 1994 ) subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: A. (Art 307 SR) zij op of omstreeks 30 juni 2018 te Hulst, in elk geval in Nederland, als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto) grovelijk, althans aanmerkelijk onvoorzichtig, onachtzaam en/of nalatig, terwijl [slachtoffer] aan de bestuurderszijde het portier van voornoemd motorrijtuig open had getrokken, (nog verder) achteruit is gereden en (vervolgens) vooruit is gereden, waardoor, in elk geval waarbij die [slachtoffer] ten val is gekomen en/of door dat bestuurdersportier, althans dat motorrijtuig is geraakt, in elk geval waardoor een botsing/aanrijding plaatsvond tussen het door haar, verdachte, bestuurde motorrijtuig en die [slachtoffer] , waardoor het aan haar schuld te wijten is dat [slachtoffer] is overleden; meer subsidiair indien het onder A. niet bewezen verklaard kan worden: art 255 SR zij op of omstreeks 30 juni 2018 te Hulst, in elk geval in Nederland, opzettelijk haar echtgenoot [slachtoffer] , tot wier onderhoud, verpleging en verzorging zij krachtens wet of overeenkomst verplicht was, in een hulpeloze toestand heeft gebracht en/of in een hulpeloze toestand heeft gelaten, immers heeft verdachte [slachtoffer] aan zijn lot overgelaten en/of hem adequate lichamelijke verzorging en/of (onverwijlde) medische hulp / verzorging onthouden door, nadat die [slachtoffer] was betrokken bij een door haar veroorzaakt verkeersongeval en terwijl die [slachtoffer] niet meer aanspreekbaar was en/of in bewusteloze en/of comateuze toestand verkeerde, geen medische of andere hulp in te (laten) schakelen voor de nodige medische zorg ten behoeve van die [slachtoffer] en zodoende die [slachtoffer] in hulpeloze toestand heeft gebracht en/of gelaten, en/of B. (art 5 WVW) dat zij op of omstreeks 30 juni 2018 te Hulst, in elk geval in Nederland, als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, het/een parkeerterrein gelegen aan de [straatnaam] , terwijl [slachtoffer] aan de bestuurderszijde het portier van voornoemd motorrijtuig open had getrokken, met dat motorrijtuig (nog verder) achteruit is gereden en (vervolgens) vooruit is gereden, waardoor, in elk geval waarbij die [slachtoffer] ten val is gekomen en/of door dat bestuurdersportier, althans dat motorrijtuig is geraakt, in elk geval waardoor een botsing/aanrijding plaatsvond tussen het door haar, verdachte, bestuurde motorrijtuig en die [slachtoffer] , waardoor die [slachtoffer] werd gedood, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd; De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd; en/of C. (art 8 WVW) zij op of omstreeks 30 juni 2018 te Hulst, in elk geval in Nederland, als bestuurder van een motorrijtuig, (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte in haar adem bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 460 microgram, in elk geval hoger dan 220 microgram, alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn; De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd; 2 zij, als degene die als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto) betrokken was geweest bij een verkeersongeval dat plaatsvond op of omstreeks 30 juni 2018 te Hulst, in elk geval in Nederland, op/aan de [straatnaam] , de (voornoemde) plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval, naar zij wist of redelijkerwijs moest vermoeden, (aan) een ander, te weten [slachtoffer] , was gedood en/of letsel was toegebracht; De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd; ( art 7 lid 1 ahf/ond a Wegenverkeerswet 1994 ) 3De voorvragen 3.1 Geldigheid van de dagvaarding 3.1.1 Het standpunt van de verdediging Ten aanzien van feit 1 subsidiair onder B is naar voren gebracht dat sprake moet zijn van concreet gevaarscheppend gedrag. De verfeitelijking in de tenlastelegging ziet niet op een concreet gevaarscheppend gedrag, maar op feiten die duiden op een voltooid delict. De tenlastelegging is daarom innerlijk tegenstrijdig, zodat die niet voldoet aan de eisen van artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering. 3.1.2 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft ten aanzien van dit verweer geen standpunt ingenomen. 3.1.3 Het oordeel van de rechtbank De onder feit 1 subsidiair en onder B opgenomen verfeitelijkende gedragingen dienen ter nadere omschrijving van het gevaar voor de veiligheid op de weg dat door die gedragingen werd veroorzaakt. Dat die gevaarlijke gedragingen zich uiteindelijk hebben verwezenlijkt in een daadwerkelijk ongeval onderstreept alleen maar het gevaar van die gedragingen. De omstandigheid dat naast die gedragingen ook het gevolg van die gedragingen is opgenomen leidt naar het oordeel van de rechtbank daarom niet tot het oordeel dat daarmee de tenlastelegging innerlijk tegenstrijdig is. De rechtbank verwerpt daarom het verweer. 3.2 De overige voorvragen De rechtbank is bevoegd. De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging. Er is geen reden voor schorsing van de vervolging. 4De beoordeling van het bewijs 4.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 primair en het onder 2 ten laste gelegde feit heeft gepleegd. Voor wat betreft het onder 1 primair ten laste gelegde feit is volgens de officier van justitie sprake van aanmerkelijk onvoorzichtig rijgedrag, omdat verdachte, onder invloed van alcohol heeft (door)gereden terwijl haar man het bestuurdersportier had geopend en de deurklink vasthield, omdat hij wilde voorkomen dat verdachte met drank op zou gaan autorijden Hierdoor is hij ten val gekomen en is hij als gevolg daarvan overleden. Gelet op het pathologisch onderzoek en het onderzoek van de auto gaat de officier van justitie er van uit dat slachtoffer niet is overreden, maar is geraakt door de onderkant/zijkant van de auto aan de bestuurderszijde. Verdachte is vervolgens naar huis gereden en heeft zich niet om haar man bekommerd. 4.2 Het standpunt van de verdediging Ten aanzien van feit 1 primair (artikel 6 WVW) Primair is aangevoerd dat het noodzakelijk is om vast te stellen dat het slachtoffer en de auto waarin verdachte reed met elkaar in contact zijn geweest om tot een bewezenverklaring te kunnen komen van een auto-ongeval. Er kan niet met voldoende zekerheid worden geoordeeld dat er sprake was van het openen van het bestuurdersportier of van een auto-ongeluk. De verklaringen van [getuige] zijn wisselend en wellicht heeft hij achteraf zelf zaken ingevuld die hij niet heeft kunnen zien. Er dient rekening gehouden te worden met het scenario dat het slachtoffer zelf is gestruikeld of gevallen. Verdachte had daarin geen rol. Verdachte dient te worden vrijgesproken van dit feit. Subsidiair is aangevoerd dat de omstandigheid dat het slachtoffer is overleden niet mag meespelen in de beoordeling of sprake is van schuld in de zin van artikel 6 WVW. Het enkele feit dat verdachte met iets te veel alcohol is gaan rijden, is onvoldoende voor schuld in de zin van artikel 6 WVW. De vraag waar het slachtoffer was, wat hij deed en of verdachte dat had moeten opmerken kan niet worden beantwoord, zodat onvoldoende resteert om van schuld in de zin van artikel 6 WVW te spreken. Ten aanzien van feit 1 subsidiair onder A (artikel 307 Sr) Het primaire standpunt ten aanzien van feit 1 primair wordt ook ten aanzien van dit feit primair aangevoerd. Vrijspraak van het primair tenlastegelegde zal ook tot vrijspraak van dit feit moeten leiden, nu artikel 6 WVW een specialis is van dit feit. Ten aanzien van feit 1 subsidiair onder A subsidiair (artikel 255 Sr) Verdachte heeft het slachtoffer wel zien liggen, maar zij dacht dat hij gewoon gevallen was, zonder gevolgen. Zij had geen kennis van zijn toestand. Bovendien was er een getuige aanwezig. Er is dus geen opzet op het in hulpeloze toestand laten van het slachtoffer. Ten aanzien van dit feit is daarom vrijspraak bepleit. Ten aanzien van feit 1 subsidiair onder B (artikel 5 WVW) Het primaire standpunt ten aanzien van feit 1 primair wordt ook ten aanzien van dit feit primair aangevoerd. Subsidiair is eveneens vrijspraak bepleit omdat niet duidelijk is welke overtreding verdachte heeft gemaakt die tot gevaar zou leiden. Zij reed immers enkel weg. Ten aanzien van feit 1 subsidiair onder C (artikel 8 WVW) De verdediging heeft naar voren gebracht dat ten aanzien van dit feit geen verweer wordt gevoerd. Ten aanzien van feit 2 Primair is aangevoerd dat verdachte niet wist dat zij betrokken was bij een ongeval en dat (daardoor) het slachtoffer letsel had. Verdachte moet daarom van dit feit worden vrijgesproken. Subsidiair is naar voren gebracht dat de uitsluitingsgrond van artikel 7, tweede lid, WVW van toepassing is. Verdachte wist dat getuige [getuige] in de buurt was en dat, mocht het nodig zijn, iedereen wist dat zij met de auto is vertrokken. Haar identiteit is bekend, zodat verdachte dient te worden vrijgesproken van dit feit. 4.3 Het oordeel van de rechtbank Feiten en omstandigheden Gelet op de stukken in het dossier en de verklaring van verdachte ter terechtzitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden. Verdachte heeft op 30 juni 2018 kort vóór 01:00 uur als bestuurder gereden in een personenauto op het parkeerterrein van [naam] aan de [straatnaam] te Hulst. Verdachte heeft verklaard dat zij die avond bij de [naam] had gewerkt en dat zij die avond bier en whisky had gedronken. Haar man, het latere slachtoffer, was er ook en zat aan de bar. Ook hij had alcohol gedronken, zo is gebleken uit later bloedonderzoek. Nadat hij verdachte had uitgescholden, is verdachte naar de keuken in de kantine gegaan. Daar is zij vanwege haar gladde slippers gevallen, waarbij haar bril is gebroken. Zij was als gevolg daarvan gewond aan haar neus. Verdachte wilde daarna naar huis. Buiten op de parkeerplaats wilde het latere slachtoffer haar tegenhouden te gaan rijden, omdat zij had gedronken. Daarbij heeft hij haar twee keer bij haar keel gepakt. Verdachte sloeg daarop haar man en is naar de auto gelopen. Zij is ingestapt en is gaan rijden. Zij had toen haar bril niet op en ze droeg gladde slippers waardoor ze geen goede grip had op de pedalen. Ze reed eerst achteruit het parkeervak uit. Getuige [getuige] heeft verklaard dat hij heeft gezien dat verdachte instapte en naar achteren reed. Op dat moment liep het slachtoffer achterlangs de auto en rukte het portier aan de bestuurderszijde open. Vervolgens zag hij de auto schoksgewijs achteruit rijden tot de achterwielen de trottoirband raakten. Hij zag dat het slachtoffer nog steeds bij het portier aan de bestuurderszijde was. Toen de auto vooruit wegreed, zag hij het slachtoffer op straat liggen met een plas bloed bij het hoofd. Verdachte was weggereden. [getuige] heeft hulp gehaald in de kantine. Om 00:58 uur is bij de meldkamer een melding binnengekomen van het ongeval. De politieagenten die ter plaatse zijn gegaan, hebben bij aankomst het slachtoffer aangetroffen op de grond met onder zijn hoofd een grote plas bloed. Het slachtoffer is overgebracht naar het ziekenhuis in Gent waar hij op 1 juli 2018 is overleden. Volgens de patholoog wordt het intreden van de dood verklaard door verwikkelingen van ernstig schedel-hersenletsel als gevolg van hevig uitwendig mechanisch stomp geweld op het lichaam. Er was vermoedelijk geen sprake van overrijding, gezien het ontbreken van breuken in aangezichtsbeenderen en het ontbreken van deformatie (vervorming) van met name het aangezicht en de romp, aldus de patholoog. Na de melding zijn verbalisanten naar de woning van verdachte gegaan. Zij was thuis en is meegenomen naar het politiebureau waar om 01:58 uur een ademanalyse is afgenomen. Het resultaat van het ademonderzoek was een score van 460 ug/l. Ten aanzien van feit 1 primair Ten aanzien van dit feit is door de verdediging aangevoerd dat niet met zekerheid kan worden geoordeeld dat sprake is geweest van het openen van het bestuurdersportier. De rechtbank gaat wat dat betreft uit van de verklaring van getuige [getuige] . De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan zijn verklaring op dat punt. De verklaring van [getuige] over de gebeurtenissen in de kantine, de geweldshandelingen van het slachtoffer ten opzichte van verdachte en de omschreven rijrichtingen van verdachte komen overeen met de verklaringen van verdachte daarover. Daar komt bij dat [getuige] meteen ter plaatse heeft verklaard dat slachtoffer het bestuurdersportier had geopend en dit later die dag in zijn tweede verklaring heeft herhaald. Zij acht de verklaring van [getuige] over het openen van het bestuurdersportier door het slachtoffer daarom betrouwbaar. De rechtbank overweegt dat uit de hierboven aangehaalde bewijsmiddelen naar voren komt dat verdachte met het voertuig achteruit reed en daarna vooruit, terwijl het slachtoffer het bestuurdersportier vast had. Er was derhalve contact tussen het voertuig en het slachtoffer als gevolg waarvan hij ten val is gekomen. Er kan daarom worden gesproken van een verkeersongeval in de zin van artikel 6 WVW. Als gevolg van dit contact is het slachtoffer ten val gekomen, waarbij hij ernstig hoofdletsel heeft opgelopen. Blijkens de bevindingen van de patholoog heeft het hoofdletsel tot de dood geleid. De rechtbank acht de verklaring van verdachte dat zij in het geheel niet heeft gemerkt dat het slachtoffer het bestuurdersportier had opengetrokken en gedurende enige tijd vast heeft gehouden ongeloofwaardig. Naar het oordeel van de rechtbank is sprake van een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid omdat zij voor- en achteruit is gereden, terwijl het slachtoffer op dat moment het geopende bestuurdersportier vast had. De rechtbank is daarmee van oordeel dat verdachte schuld in de zin van artikel 6 WVW heeft aan dit ongeval. Het rijgedrag van verdachte kan worden aangemerkt als aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onachtzaam. Daarnaast was haar reactievermogen aangetast doordat zij is gaan rijden met meer dan de dubbele score van de toegestane maximale hoeveelheid alcohol per liter uitgeademde lucht, welke omstandigheid als strafverzwarend meeweegt. De rechtbank heeft in haar oordeel tevens betrokken de omstandigheden dat verdachte het voertuig heeft bestuurd zonder haar bril op; deze was kapot gegaan in de keuken van de kantine. Voorts dat verdachte het voertuig heeft bestuurd terwijl ze geen goede grip had op de pedalen door haar gladde slippers. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen is, op de wijze zoals onder 4.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.