RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Bestuursrecht zaaknummer: BRE 20/9454 WMO15 VV uitspraak van 19 november 2020 van de voorzieningenrechter in de zaak tussen [naam verzoeker], te [woonplaats verzoeker], verzoeker, gemachtigde: mr. E.C. Weijsenfeld, en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Roosendaal, verweerder. Procesverloop Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 5 november 2020 (bestreden besluit) van het college inzake de afwijzing een maatwerkvoorziening ingevolge de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) toe te kennen. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter stelt vast dat het griffierecht niet is betaald. Verzoeker heeft verzocht om vrijstelling van het betalen van griffierecht wegens betalingsonmacht. Omdat niet gebleken is dat verzoeker enig inkomen heeft, is de voorzieningenrechter van oordeel dat verzoeker niet in verzuim is, zodat het verzoek ontvankelijk is. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Breda op 18 november 2020. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. R.M.E. van de Weijgert, mr. G.V.A. Arnold en D.W.P. Baselier. Overwegingen 1. Op grond van de stukken en de behandeling ter zitting gaat de voorzieningenrechter uit van de volgende feiten en omstandigheden. Verzoeker heeft de Nederlandse nationaliteit. Tot voor kort verbleef hij samen met zijn vijf kinderen en vrouw in Londen. Verzoeker is met zijn kinderen op 2 augustus 2020 in Nederland aangekomen. Het oudste kind is inmiddels weer terug naar Londen. Verzoeker heeft op 30 oktober 2020 een aanvraag gedaan voor een maatwerkvoorziening. Hij heeft verzocht, voor zover hier van belang, om toekenning van een noodvoorziening met passende kindvriendelijke opvang voor vader en kinderen samen inclusief leefgeld. Tevens is gevraagd om afgifte van een briefadres. Met het bestreden besluit heeft het college het verzoek om opvang afgewezen. Op het verzoek om een briefadres af te geven is nog niet beslist omdat volgens het college geen officiële aanvraag is gedaan. Wel is al aangekondigd dat als een verzoek wordt gedaan, dit zal worden afgewezen, omdat verzoeker verblijft op het adres aan [adres verzoeker] te [woonplaats verzoeker]. 2. Verzoeker heeft, samengevat, aangevoerd dat hij en zijn vier minderjarige kinderen ([namen kinderen]) feitelijk dakloos zijn en hulp nodig hebben. De kinderen hebben recht op opvang en het college is verplicht om te zorgen dat het gezin bij elkaar kan blijven (artikel 8 EVRM en artikel 9 IVRK). Verzoeker heeft de voorzieningenrechter verzocht te bepalen dat het college aan verzoeker en zijn kinderen samen opvang verstrekt, leefgeld verstrekt, en een briefadres afgeeft. 3. Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak. 4. Bij het nemen van een beslissing op een verzoek om voorlopige voorziening een voorlopig oordeel over de rechtmatigheid van het bestreden besluit een belangrijke rol speelt. Verder dient deze beslissing het resultaat te zijn van een belangenafweging, waarbij moet worden bezien of uitvoering van het bestreden besluit voor verzoeker een onevenredig nadeel met zich zou brengen in verhouding tot het door een onmiddellijke uitvoering van dat besluit te dienen belang. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventuele) bodemprocedure niet. 5. Niet betwist wordt dat de kinderen op 20 november 2020 geen onderdak meer zullen hebben. Er is dus sprake van een spoedeisend belang bij een oordeel over het bestreden besluit. 6. Om voor opvang op grond van de Wmo in aanmerking te kunnen komen moet de aanvrager ingezetene zijn, de thuissituatie moet zijn verlaten en de aanvrager moet niet zelfredzaam zijn. Niet elke situatie waarbij iemand de thuissituatie heeft verlaten geeft echter recht op opvang. Uit de Memorie van Toelichting (MvT) bij de Wmo 2015 blijkt dat bij de vraag of iemand recht heeft op opvang van belang is waarom de aanvrager de thuissituatie heeft verlaten. Het moet daarbij gaan om het verlaten van de thuissituatie vanwege ernstige (relationele) problemen in de thuissituatie of in verband met risico’s voor zijn veiligheid. Niet in geschil is dat verzoeker ingezetene is. Ook is niet in geschil dat verzoeker zijn thuissituatie heeft verlaten. Partijen hebben echter verschillende standpunten over de reden waarom verzoeker zijn thuissituatie heeft verlaten en of hij zelf redzaam is. 7. Ter zitting heeft verzoeker gesteld dat hij om veiligheidsredenen de thuissituatie heeft verlaten en dat hij niet zelfredzaam is. Het college heeft ter zitting gesteld dat verzoeker niet eerder heeft aangegeven dat er sprake was van een onveilige situatie. Uit het onderzoek van het college blijkt dat verzoeker zonder goede reden is vertrokken uit Engeland, aldus het college. Verder zou uit het onderzoek van het college blijken dat verzoeker zelfredzaam is. Ter zitting heeft het college gesteld dat het onderzoek bestaan heeft uit diverse gesprekken, waaronder gesprekken met de kinderen, de zus van de echtgenote van verzoeker, [naam betrokkene] (de bewoonster van [adres verzoeker] te [woonplaats verzoeker]) en de ambassade. Ook is de woning op het adres [adres verzoeker] te [woonplaats verzoeker] bezocht en is er onderzoek gedaan naar het netwerk van verzoeker. 8. De voorzieningenrechter stelt vast dat het college geen stukken heeft overgelegd van het onderzoek dat heeft plaatsgevonden. Ook zijn geen gespreksverslagen overgelegd van de diverse gesprekken die hebben plaatsgevonden. Ingevolge artikel 8:83, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dient het bestuursorgaan de op de zaak betrekking hebbende stukken toe te zenden. Met de brief van 10 november 2020 zijn de stukken bij het college opgevraagd en op 16 november 2020 heeft de griffier nog telefonisch ontbrekende stukken opgevraagd, waaronder de gespreksverslagen. Het college heeft om hem moverende redenen besloten de gevraagde stukken niet over te leggen. Omdat de stukken die betrekking hebben op het onderzoek ontbreken, is het voor de voorzieningenrechter niet mogelijk te beoordelen of het besluit in bezwaar naar verwachting in stand zal blijven. Verzoeker heeft in de voorlopige voorziening een aantal stukken overgelegd die een begin van bewijs leveren voor de reden van zijn vertrek uit Londen en het ontbreken van zelfredzaamheid. Gelet hierop en in samenhang bezien met het ontbreken van de onderzoeksgegevens is de voorzieningenrechter van oordeel dat het niet kunnen beoordelen of verzoeker in aanmerking komt voor opvang, voor rekening en risico van het college moet blijven. De voorzieningenrechter zal daarom bepalen dat het college opvang moet regelen voor verzoeker en zijn kinderen, waarbij het college zich zal moeten inspannen om verzoeker samen met zijn kinderen op te vangen. Gelet op de korte termijn waarbinnen nu opvang moet worden geregeld en de beperkte beschikbaarheid van opvangplaatsen, is het voorstelbaar dat een gezamenlijke opvang niet (meteen) mogelijk is. In dat geval zal het college er in ieder geval voor moeten zorgen dat de kinderen samen worden opgevangen (dan wel met twee personen op een plaats) en dat het voor verzoeker mogelijk is om de kinderen op het opvangadres te bezoeken. De gevraagde voorziening voor zover betrekking hebbend op leefgeld en het briefadres wordt afgewezen. Ter zitting heeft verzoeker gesteld dat hij leefgeld vraagt als nevenvoorziening op grond van de Wmo in afwachting van de verstrekking van (een voorschot
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.