RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Belastingrecht, enkelvoudige kamer Locatie: Breda Zaaknummer BRE 18/6431 uitspraak van 26 november 2020 Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen [belanghebbende] , wonende te [woonplaats], belanghebbende, en de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur, alsmede de Minister voor Rechtsbescherming, de Minister. De bestreden uitspraak op bezwaar De uitspraak van de inspecteur van 31 augustus 2018 op het bezwaar van belanghebbende tegen de rentebeschikking opgenomen in de brief van 24 juli 2017 naar aanleiding van een teruggaaf belasting personenauto’s en motorrijwielen (hierna: bpm) betreffende een motorvoertuig met VIN eindigend op [VIN] (hierna: de auto). Zitting Het eerste onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 juni 2020 te Breda. Hiervan is een verslag (‘proces-verbaal’) opgemaakt, waarvan een kopie op 30 juni 2020 aan partijen is toegestuurd. Het tweede onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 oktober 2020 te Breda. Hiervan is een verslag (‘proces-verbaal’) opgemaakt, waarvan een kopie met deze uitspraak wordt meegezonden. Wraking Bij brief met dagtekening 3 december 2019 heeft de voormalig gemachtigde van belanghebbende de behandelend rechter gewraakt. Bij beslissing van 6 januari 2020 is het verzoek tot wraking door de wrakingskamer afgewezen. Tijdens de zitting van 24 juni 2020 heeft de huidige gemachtigde van belanghebbende de behandeld rechter wederom gewraakt. Bij beslissing van 21 juli 2020 is het verzoek tot wraking door de wrakingskamer afgewezen. Daarbij is bepaald dat een volgend verzoek tot wraking in de zaak niet meer in behandeling zal worden genomen. Tijdens de zitting van 29 oktober 2020 heeft gemachtigde de behandeld rechter wederom gewraakt. De rechter heeft ter zitting medegedeeld dit verzoek naast zich neer te leggen gelet op de beslissing van 21 juli 2020. 1Beslissing De rechtbank - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt de uitspraak op bezwaar; - verhoogt de rentebeschikking tot het reeds vastgestelde bedrag van € 34; - veroordeelt de inspecteur tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 778; - veroordeelt de Minister tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 222; - wijst een verzoek tot schadevergoeding voor het overige af; - veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 786,75; - bepaalt dat de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 170 aan deze vergoedt; - beslist dat, voor zover de immateriëleschadevergoeding, de proceskostenvergoeding en/of de vergoeding van het griffierecht niet tijdig wordt betaald, de wettelijke rente daarover in zoverre is gaan lopen vier weken na de datum waarop deze uitspraak is gedaan. 2Gronden Overwegingen vooraf 2.1. De rechtbank heeft bij tussenuitspraak een zogenoemde weigeringsbeslissing genomen. Deze tussenuitspraak wordt als hier ingelast aangemerkt. 2.2. Nadat het onderzoek ter zitting in deze zaak is gesloten heeft de Hoge Raad een arrest gewezen waarin een verduidelijking is gegeven over de regels inzake weigering op grond van artikel 8:25 van de Awb. De rechtbank heeft zich ambtshalve voor de vraag gesteld of dit arrest aanleiding geeft om het onderzoek te heropenen. De rechtbank heeft die vraag ontkennend beantwoord. 2.2.1. In het arrest van de Hoge Raad is overwogen dat weigering mogelijk is in het geval de betrokken gemachtigde door stelselmatig nodeloos grievend, krenkend en/of beschadigend taalgebruik hetzij een doelmatige behandeling van het geschil ernstig bemoeilijkt, hetzij het gezag van de rechtspraak of van bij behandeling van de zaak betrokken functionarissen nodeloos en op onaanvaardbare wijze aantast. Een zodanig geval deed zich hier voor. De pleitnota van 22 januari 2020 als zodanig bevatte al taalgebruik als zojuist bedoeld. Verder heeft de rechtbank ook het taalgebruik in andere pleitnota’s voor dezelfde zittingsdag in aanmerking genomen, wat de rechtbank mocht doen gelet op het arrest van de Hoge Raad (‘Het staat de rechter daarbij vrij in de waardering van die gedragingen te betrekken hetgeen hem overigens bekend is over het gedrag van die gemachtigde’). 2.2.2. Uit het arrest van de Hoge Raad volgt ook dat de beginselen van een behoorlijke procesorde meebrengen dat de gemachtigde en de desbetreffende procespartij eerst in de gelegenheid worden gesteld op het voornemen tot weigering te reageren. De rechtbank heeft dat in deze zaak niet gedaan. Zoals in de tussenuitspraak besloten ligt – met name in overwegingen 1.3, 1.4 en 1.9 – ging de rechtbank ervan uit dat de gemachtigde eerder al afdoende was gewaarschuwd. Verder ging de rechtbank ervan uit dat de kennis van de gemachtigde toerekenbaar is aan degenen die hij vertegenwoordigde, zodat de betrokken procespartij niet afzonderlijk hoefde te worden gewaarschuwd. Omdat het gaat om een regel, die bovendien voortvloeit uit een rechtsbeginsel, kan de vraag rijzen of in een bijzonder geval als dit – een gemachtigde die ondanks voorafgaande waarschuwingen volhardt in taalgebruik als bedoeld in 2.2.1 – sprake kan zijn van een uitzondering op die regel, mede gelet op andere beginselen van een behoorlijke rechtspleging zoals het beginsel van beslechting van een geschil binnen een redelijke termijn. Ook als ervan moet worden uitgegaan dat dit niet het geval is, ziet de rechtbank in het arrest geen aanleiding om het onderzoek te heropenen en de weigeringsbeslissing te heroverwegen. Aannemelijk is namelijk dat belanghebbende niet benadeeld is doordat de gemachtigde en belanghebbende niet in de gelegenheid zijn gesteld te reageren op het voornemen tot weigering. Daarbij is het volgende in aanmerking genomen. De geweigerde gemachtigde heeft bij brief van 29 januari 2020 gereageerd. Belanghebbende heeft bij brief van 31 januari 2020 gereageerd op de weigering. Ook de nieuwe gemachtigde – die nauw samenwerkt met de geweigerde gemachtigde – heeft in het verdere loop van de procedure gereageerd op de weigering. In deze reacties wordt de grond voor de weigering – het taalgebruik – niet bestreden. In de kern wordt alleen betoogd dat de weigeringsbeslissing in strijd is met het Unierecht. Uit rov. 2.3.5 van het meergenoemde arrest van de Hoge Raad leidt de rechtbank af dat indien een weigering in overeenstemming is met artikel 8:25 van de Awb, het Unierecht zich daartegen niet verzet. Griffierecht en verzoek aanhouding 2.3. Belanghebbende stelt dat het op voorhand heffen van griffierecht in strijd is met het Unierecht en het EVRM. Deze stelling vindt geen steun in het recht. Voor zover belanghebbende betoogt dat de hoogte van het griffierecht in strijd is met het Unierecht, volgt de rechtbank belanghebbende daarin ook niet. De verwijzing door belanghebbende naar een inbreukprocedure door de Europese Commissie geeft geen aanleiding om anders te oordelen. Ook als het zo is dat de Europese Commissie ter zake een klacht in behandeling heeft genomen of zelfs een onderzoek is gestart, betekent dat nog niet dat ervan moet worden uitgegaan dat het Nederlandse stelsel van heffing van griffierecht in strijd is met het Unierecht. Verder ziet de rechtbank daarin geen aanleiding om de zaak aan te houden. Feiten 2.4. Bij uitspraak op bezwaar van 15 mei 2017 is het bezwaar tegen de voldoening van bpm op aangifte betreffende de registratie van de auto gegrond verklaard en is een teruggaaf verleend van € 240. Bij uitspraak van deze rechtbank van 3 augustus 2018 is het beroep daartegen gegrond verklaard, is de uitspraak op bezwaar vernietigd, en is bepaald dat de inspecteur opnieuw op het bezwaar van belanghebbende dient te beslissen. In deze uitspraak is onder meer het volgende overwogen over de rente: 2.6. Belanghebbende heeft verzocht om een vergoeding van belastingrente op grond van artikel 30ha van de AWR. Partijen zijn ter zitting overeengekomen dat in de uitspraak op bezwaar tevens een rentebeschikking geacht wordt te zijn genomen van nihil. Voorts zijn partijen ter zitting overeengekomen dat, voor zover nodig, beide partijen instemmen met rechtstreeks beroep tegen deze beschikking, zodat de rechtbank hierover een beslissing kan nemen. Partijen zijn het erover eens dat belanghebbende op grond van artikel 30ha van de AWR recht heeft op een rentevergoeding over de periode van 1 april 2015 tot en met 29 mei 2017 met betrekking tot het teruggegeven bedrag bij uitspraak op bezwaar. Op dit punt bestaat dus geen geschil tussen partijen. Hier doet zich echter de bijzondere omstandigheid voor dat de uitspraak op bezwaar – die voorzag in teruggaaf – wordt vernietigd en dat een nieuwe uitspraak op bezwaar moet worden genomen. Nu bovendien de periode waarover de rente wordt berekend afhangt van de dagtekening van de teruggaafbeschikking, en niet uitgesloten kan worden dat de uitspraak op bezwaar mogelijk op een hogere teruggaaf uitkomt, zal de rechtbank daarom de rentevergoeding niet in deze uitspraak vastleggen. De inspecteur dient dat te doen bij de nieuwe uitspraak op bezwaar. De rechtbank heeft verder in rov. 2.7 naar aanleiding van de stelling van belanghebbende dat op grond van Unierecht er in verband met de teruggaaf van BPM recht bestaat op een hogere rentevergoeding dan voortvloeit uit de AWR, overwogen dat de rechtbank in die procedure niet bevoegd is om een uitspraak te doen over de verzochte rentevergoeding aangezien uitsluitend de ontvanger van de Belastingdienst bevoegd is deze rente bij beschikking te vergoeden op grond van artikel 28c van de Invorderingswet 1990 en een (uitspraak op bezwaar tegen een) dergelijke beschikking niet voorligt. 2.5. Bij uitspraak van het Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch van 21 november 2019 is de uitspraak van de rechtbank vernietigd, doch uitsluitend voor zover de rechtbank heeft verzuimd een rentevergoeding toe te kennen bij te late betaling van het griffierecht. In de uitspraak is onder meer het volgende overwogen over de rente: 4.1. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat recht bestaat op vergoeding van rente in verband met de teruggaaf van op aangifte voldane BPM en dat de Rechtbank zich ten onrechte onbevoegd heeft verklaard. Tussen partijen is niet in geschil dat op grond van artikel 30ha van de AWR recht bestaat op belastingrente en dat daarover zal worden beslist bij de te nemen uitspraak op bezwaar na terugwijzing. 4.2. Voor de vraag of belanghebbende daarnaast nog recht heeft op invorderingsrente die op grond van artikel 28c van de IW wordt vergoed, geldt het volgende. In dat laatste geval dient een verzoek te worden gedaan en beslist de ontvanger van de Belastingdienst bij beschikking ex. artikel 30 van de IW op een dergelijk verzoek. De vraag of belanghebbende in aanvulling op de belastingrente recht heeft op vergoeding van invorderingsrente op grond van artikel 28c van de IW, dan wel rechtstreeks op grond van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 18 april 2013, Mariana Irimie, C 565/11, ECLI:EU:C:2013:250, kan in de onderhavige procedure dan ook niet aan de orde komen, nu - zoals hiervoor al is opgemerkt - het bedrag aan invorderingsrente op grond van artikel 30 van de IW bij beschikking wordt vastgesteld en tegen een dergelijke beschikking een eigen rechtsgang open staat. Het Hof is dan ook niet bevoegd in de onderhavige procedure hierover een oordeel te geven. Ten overvloede wijst het Hof op Hoge Raad 28 september 2018, nr. 17/01724, ECLI:NL:HR:2018:1790, onder 5, waarin, kort gezegd, is geoordeeld dat artikel 28c van de IW niet in strijd is met het Unierecht. 2.6. Bij brief van 24 juli 2017 is belanghebbende op de hoogte gesteld van de teruggaaf van € 240 naar aanleiding van de uitspraak op bezwaar van 15 mei 2017. Daarbij is als rentebedrag vermeld € 0. Belanghebbende heeft hiertegen bij brief van 22 augustus 2017 bezwaar gemaakt. Bij uitspraak op bezwaar van 31 augustus 2018 is dit bezwaar niet-ontvankelijk verklaard en aangekondigd dat belanghebbende recht heeft op een rentevergoeding. Belanghebbende is bij brief van 24 september 2018 in beroep gekomen tegen de uitspraak op bezwaar. In de tussentijd is de aangekondigde rentebeslissing op 10 september 2018 genomen; er is ter zake van de teruggaaf van € 240 rente vergoed over de periode 1 april 2015 tot 1 oktober 2018, leidend tot een rentebedrag van € 34. 2.7. Op 14 oktober 2019 is in de inhoudelijke BPM-zaak een nieuwe uitspraak op bezwaar gedaan. Daarbij is een aanvullende teruggaaf van € 213 verleend bovenop de teruggaaf van € 240. Hiertegen loopt een (andere) beroepsprocedure. Terugwijzing of in de zaak voorzien? 2.8. Tussen partijen is niet langer in geschil dat het bezwaar bij uitspraak op bezwaar van 31 augustus 2018 ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard. Belanghebbende wil dat de zaak wordt teruggewezen naar de bezwaarfase. De inspecteur wilt dit niet. 2.9. Indien de inspecteur ten onrechte een bezwaar niet-ontvankelijk heeft verklaard, moet als regel de inspecteur worden opgedragen opnieuw op het bezwaar te beslissen. Van die regel kan worden afgeweken indien daartoe goede grond bestaat, bijvoorbeeld indien partijen aandringen op een inhoudelijke beoordeling van het geschil door de rechter, of indien duidelijk is dat de belanghebbende niet wordt benadeeld doordat de rechter zelf in de zaak voorziet. 2.10. Mede gelet op het belang van definitieve geschilbeslechting ziet de rechtbank aanleiding om zelf in de zaak te voorzien en de zaak niet terug te wijzen, aangezien belanghebbende daardoor niet wordt benadeeld. Daarbij is het volgende in aanmerking genomen: (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.