RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Bestuursrecht zaaknummer: BRE 20/8626 WABO uitspraak van 4 december 2020 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam B.V. / eiseres] B.V. , te [plaatsnaam] , eiseres, gemachtigde: mr. D.H. Nas en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg, verweerder. Procesverloop Eiseres heeft op 23 september 2020 beroep ingesteld tegen het niet tijdig bekendmaken van de volgens eiseres van rechtswege verleende omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan ten behoeve van een logistieke ontwikkeling. De rechtbank heeft besloten het beroep versneld te behandelen, onder toepassing van afdeling 8.2.3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Breda op 20 november 2020. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J. Hulshof , kantoorgenoot van mr. D.H. Nas en door [naam vertegenwoordiger] en [naam vertegenwoordiger 2] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.M.B. van Overdijk. Overwegingen 1Feiten Op 4 februari 2020 heeft eiseres verzocht om een omgevingsvergunning voor het met toepassing van artikel 4 van Bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht (Bor) afwijken van het bestemmingsplan “ [naam bestemmingsplan] ” (hierna: de kruimelafwijking). Blijkens de aanvraag betreft het een ontsluiting aan de zuidzijde van het perceel naar de Kempenbaan . Om die ontsluiting mogelijk te maken moet een stuk grond met de bestemming “Groen” doorsneden worden. Deze grond is in eigendom van de gemeente Tilburg. Verweerder heeft de ontvangst van deze aanvraag op 18 februari 2020 bevestigd en heeft daarbij aangegeven dat voor het kunnen verlenen van de omgevingsvergunning de uniforme openbare voorbereidingsprocedure (uov) gevolgd zal worden. Bij besluit van 5 augustus 2020 is, op aanvraag van eiseres van 26 november 2018, omgevingsvergunning verleend voor het oprichten van een - door partijen zogenoemd - klein distributiecentrum aan de [adres] te [plaatsnaam 2] . Eiseres geeft er echter de voorkeur aan om ter plaatse een groot distributiecentrum te realiseren en heeft daartoe op 13 augustus 2020 een aanvraag om omgevingsvergunning ingediend. Bij brief van 20 augustus 2020 heeft eiseres betoogd dat de omgevingsvergunning voor de gevraagde kruimelafwijking op 31 maart 2020 van rechtswege verleend is omdat de reguliere voorbereidingsprocedure gevolgd had moeten worden. Zij heeft verweerder verzocht om binnen twee weken bekend te maken dat de omgevingsvergunning van rechtswege verleend is, bij gebreke waarvan aanspraak zal worden gemaakt op de te verbeuren dwangsommen en beroep zal worden ingesteld. Op 23 september 2020 heeft eiseres beroep ingesteld bij de rechtbank tegen het niet tijdig bekendmaken dat de omgevingsvergunning van rechtswege verleend is. 2Belanghebbende Het stuk grond waar de aanvraag betrekking op heeft is in eigendom van de gemeente Tilburg. Hoewel de aanvraag dit niet vermeldt, blijkt uit de stukken en het verhandelde ter zitting dat de kruimelafwijking voor de logistieke ontwikkeling met name van belang is voor de realisatie van het grote distributiecentrum. Verweerder heeft aangegeven dat hij zich nog niet kan vinden in de plannen voor het grote distributiecentrum en dat voor de ontsluiting ervan meerdere scenario’s beschikbaar zijn. Volgens verweerder zijn de onderhandelingen met eiseres nog niet concreet genoeg om met zekerheid te zeggen dat het stuk grond met de groenbestemming aan eiseres verkocht zal gaan worden. Zoals de Afdeling bestuursrecht van de Raad van State (AbRS) heeft overwogen in onder meer de uitspraak van 15 augustus 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2717, wordt degene die verzoekt om een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk in beginsel verondersteld belanghebbende te zijn bij een beslissing op het door hem ingediende verzoek. Dit is anders indien aannemelijk wordt gemaakt dat het bouwplan niet kan worden verwezenlijkt. In het verlengde van deze jurisprudentie overweegt de rechtbank dat partijen nog steeds met elkaar in onderhandeling zijn, waardoor niet aannemelijk is dat de logistieke ontwikkeling niet kan worden verwezenlijkt. Dit brengt de rechtbank tot het oordeel dat eiseres als belanghebbende bij haar aanvraag om de kruimelafwijking moet worden aangemerkt. 3Kern geschil Het geschil spitst zich in eerste instantie toe op de vraag of de grond met de bestemming “Groen” kan worden aangemerkt als het bij de (bestaande) bouwwerken aansluitende terrein, als bedoeld in artikel 4, aanhef en onder het negende lid, van Bijlage II bij het Bor. 4Uitleg artikel 4, negende lid, van Bijlage II bij het Bor 4.1 Artikel 4, aanhef en onder het negende lid, van Bijlage II bij het Bor, bepaalt dat voor verlening van een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de wet waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van de wet van het bestemmingsplan of de beheersverordening wordt afgeweken, in aanmerking komt: het gebruiken van bouwwerken, eventueel in samenhang met bouwactiviteiten die de bebouwde oppervlakte of het bouwvolume niet vergroten, en van bij die bouwwerken aansluitend terrein. 4.2 De nota van toelichting bij het besluit van 4 september 2014 tot wijziging van het Besluit omgevingsrecht (Staatsblad 2014, 333) vermeldt onder meer dat met het merendeel van de in dat besluit doorgevoerde aanpassingen de reikwijdte van artikel 4 op onderdelen wordt vergroot, zodat meer aanvragen om een omgevingsvergunning met de reguliere voorbereidingsprocedure en daarmee dus sneller kunnen worden afgewikkeld. Voor gevallen die niet binnen de reikwijdte van artikel 4 vallen, wordt de uitgebreide voorbereidingsprocedure gevolgd. Globaal beschouwd is dat laatste het geval voor de bouw van een nieuw hoofdgebouw of het realiseren van een nieuw gebruik op een bepaalde locatie. Voor uitbreidingen van en gebruikswijzigingen binnen al bestaande hoofdgebouwen en bijbehorende percelen geldt de hoofdlijn dat de reguliere voorbereidingsprocedure moet worden toegepast. Voorts vermeldt de nota dat in artikel 4, negende lid, verder enige redactionele aanpassingen zijn doorgevoerd teneinde toepassingsmogelijkheden van dit artikelonderdeel waarover in de praktijk misverstanden kunnen bestaan, te verduidelijken. Zo is in het artikelonderdeel expliciet tot uitdrukking gebracht dat onder de reikwijdte van het artikelonderdeel niet alleen valt het desbetreffende bouwwerk, maar ook het daarbij aansluitend terrein. Anders zou de ongerijmde situatie kunnen ontstaan dat een bouwwerk na de gebruikswijziging feitelijk onbruikbaar is, omdat het aansluitend terrein niet ten behoeve van het bouwwerk mag worden gebruikt, waardoor bijvoorbeeld de toegang tot het bouwwerk wordt verhinderd. Met bovengenoemde wijziging wordt buiten twijfel gesteld dat het aansluitend terrein onder de reikwijdte van het artikelonderdeel valt. 4.3 Eiseres heeft zich met een beroep op de uitspraak van de AbRS van 20 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:477 op het standpunt gesteld dat het begrip aansluitend terrein ruim geïnterpreteerd moet worden en daarom in dit geval dus ook de aangrenzende groenstrook omvat. Volgens verweerder is er al een ontsluiting op de [adres] aan de noordoostzijde van het perceel binnen de geldende bestemming “Bedrijf” en daarom moet die zijde als bij het bedrijf aansluitend terrein beschouwd worden. 4.4 De rechtbank overweegt dat de tekst van artikel 4, aanhef en onder het negende lid, van Bijlage II van het Bor en de toelichting daarop, er geen misverstand over laten bestaan dat toepassing van deze afwijkingsmogelijkheid voor aansluitend terrein alleen mogelijk is voor terrein dat aansluit bij bouwwerken. Het perceel waarop eiseres een - hetzij klein, hetzij groot - distributiecentrum wil vestigen ligt momenteel braak. Alle bestaande bebouwing is gesloopt. De aanvraag van 4 februari 2020 om toepassing van de kruimelafwijking vermeldt niet voor welk(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.