RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Strafrecht Zittingsplaats: Breda parketnummer: 02-238215-19 vonnis van de meervoudige kamer van 4 december 2020 in de strafzaak tegen [Verdachte] geboren op [Geboortedag] 1975 te [Geboorteplaats] wonende te [Adres] raadsman mr. T.S. Kessel, advocaat te Dordrecht 1Onderzoek van de zaak De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 20 november 2020, waarbij de officier van justitie, mr. De Graaf, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. 2De tenlastelegging De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte [Slachtoffer] heeft opgelicht zodat zij € 207.900,00 aan hem heeft gegeven. 3De voorvragen De dagvaarding is geldig. De rechtbank is bevoegd. De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging. Er is geen reden voor schorsing van de vervolging. 4De beoordeling van het bewijs 4.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte [Slachtoffer] op de in de tenlastelegging genoemde manier heeft opgelicht en haar daarbij heeft bewogen om hem een hoeveelheid geld heeft gegeven. 4.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen, omdat het oogmerk van verdachte op de oplichting ontbreekt. Daarnaast kan niet worden vastgesteld dat aangeefster in redelijkheid is bewogen tot afgifte van geld door oplichtingsmiddelen. Ook kan er niet worden vastgesteld dat verdachte zichzelf heeft bevoordeeld, nu er sprake is van een alternatief scenario waarbij aangeefster bewust heeft geïnvesteerd in criminele activiteiten. Tot slot kan ook de hoogte van het bedrag niet worden bewezen. 4.3 Het oordeel van de rechtbank 4.3.1 De bewijsmiddelen De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht. 4.3.2 De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs Uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte in de periode van 16 mei 2013 tot 25 augustus 2016 meermalen geldbedragen heeft gekregen van aangeefster [Slachtoffer] . Verdachte heeft zelf ook erkend dat hij een hoeveelheid geld heeft ontvangen van aangeefster. De rechtbank stelt vast dat uit de aangifte blijkt dat aangeefster verdachte telkens contante geldbedragen heeft gegeven. Hoewel uit de bankafschriften in het dossier wel is af te leiden hoeveel geld aangeefster gedurende de tenlastegelegde periode contant heeft opgenomen, kan hieruit niet worden vastgesteld of al het geld dat is opgenomen ook daadwerkelijk aan verdachte is gegeven. Alleen al uit de eigen verklaringen van aangeefster blijkt dat zij ook enkele andere contante betalingen heeft verricht in de tenlastegelegde periode. Gelet hierop kan de rechtbank niet vaststellen hoe hoog het geldbedrag is dat aangeefster aan verdachte heeft gegeven. Echter, uit de verklaringen van aangeefster en verdachte volgt wel dat verdachte een grote hoeveelheid geld heeft ontvangen. Vervolgens dient de rechtbank de vraag te beantwoorden of verdachte het geldbedrag van aangeefster heeft verkregen door middel van oplichting. De rechtbank stelt voorop dat voor een veroordeling ter zake van oplichting is vereist dat de verdachte bij een ander door een specifieke, voldoende ernstige vorm van bedrieglijk handelen een onjuiste voorstelling in het leven heeft willen roepen teneinde daarvan misbruik te maken. Daartoe moet de verdachte een of meer van de in artikel 326, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, bedoelde oplichtingsmiddelen hebben gebruikt, door welk gebruik de ander is bewogen tot de afgifte van een goed, het verlenen van een dienst, het beschikbaar stellen van gegevens, het aangaan van een schuld of het tenietdoen van een inschuld. Bij de bedoelde oplichtingsmiddelen, het aannemen van een valse naam of van een valse hoedanigheid, gaat het er in de kern om of het handelen van de verdachte ertoe kan leiden dat bij de ander een onjuiste voorstelling van zaken in het leven wordt geroepen met betrekking tot de persoon van de verdachte, hetzij wat betreft diens naam, hetzij wat betreft diens hoedanigheid. Bij listige kunstgrepen gaat het in vergelijkbare zin in de kern om meer dan een enkele misleidende feitelijke handeling. Bij het gebruik van een samenweefsel van verdichtsels gaat het in de kern om gesproken en/of geschreven uitingen die bij die ander een op meer dan een enkele leugenachtige mededeling gebaseerde onjuiste voorstelling van zaken in het leven kan roepen. Van een meer dan een enkele leugenachtige mededeling is niet slechts sprake indien meerdere duidelijk van elkaar te scheiden leugens kunnen worden aangewezen, maar ook indien sprake is van een leugenachtige mededeling van voldoende gewicht, in combinatie met andere aan de verdachte toe te rekenen omstandigheden die tot misleiding van het beoogde slachtoffer kunnen leiden, zoals het misbruik van een tussen de verdachte en het beoogde slachtoffer bestaande vertrouwensrelatie. Met de woorden “bewogen tot” wordt het oorzakelijk verband beschreven tussen het aanwenden van een bedrieglijk middel en een bepaald resultaat, bestaande in de gedraging van de bedrogene. Het antwoord op de vraag of in een concreet geval het slachtoffer door een oplichtingsmiddel dat door de verdachte is gebruikt, is bewogen tot een van de voornoemde handelingen, is in sterke mate afhankelijk van de omstandigheden van het geval. In algemene zin kunnen tot die omstandigheden behoren enerzijds de mate waarin de in het algemeen in het maatschappelijk verkeer vereiste omzichtigheid het beoogde slachtoffer aanleiding had moeten geven die onjuiste voorstelling van zaken te onderkennen of zich daardoor niet te laten bedriegen, en anderzijds de persoonlijkheid van het slachtoffer, waarbij onder meer de leeftijd en de verstandelijke vermogens van het slachtoffer een rol kunnen spelen. Bij een samenweefsel van verdichtsels behoren tot die omstandigheden onder meer de vertrouwenwekkende aard, het aantal en de indringendheid van de (geheel of gedeeltelijk) leugenachtige mededelingen in hun onderlinge samenhang. Om te kunnen spreken van “bewogen tot” is voldoende dat zonder de aanwending van het bedrieglijke middel de afgifte van het goed niet zou zijn gevolgd. Het specifieke en wederrechtelijke karakter van oplichting wordt geconcretiseerd in de verschillende, in de delictsomschrijving opgenomen oplichtingsmiddelen. Met het hanteren van een of meer oplichtingsmiddelen handelt de verdachte op een specifieke, voldoende ernstige, bedrieglijke wijze, waarmee de verdachte bij een ander een onjuiste voorstelling van zaken in het leven wil roepen teneinde daarvan misbruik te kunnen maken. Uit de aangifte volgt dat verdachte aangeefster in mei 2013 een zakelijk voorstel heeft gedaan. Hij heeft zich voorgedaan als bonafide lener en aangeefster verzocht hem geld te lenen voor het opstarten van een handel in snuisterijen van tin, koper en hout. Hierbij is aangeefster voorgehouden dat de opbrengst aanzienlijk zou zijn en dat zij hierin mee zou delen. In de daaropvolgende periode heeft verdachte aangeefster steeds verzocht om geld, zodat verdachte betalingen kon verrichten en invoerrechten, douanekosten en onverwachte kosten kon voldoen. Al deze zaken zouden uiteindelijk leiden tot het beloofde aandeel in de opbrengst. De rechtbank stelt vast dat telkens sprake was van - op het totaal bezien - relatief lage bedragen, maar dat het totaalbedrag aanzienlijk opliep. Zij werd echter door de verhalen van verdachte wel bewogen tot het blijven afgeven van geld, in de hoop daarmee - zoals haar steeds werd toegezegd - haar reeds uitgeleende geld terug te krijgen. Daar komt bij dat verdachte aangaf dat aangeefster haar ingelegde geld kwijt zou zijn als zij niet opnieuw met geld over de brug zou komen. Door telkens toezeggingen te doen dat het geld reeds geleende geld terug zou komen als aangeefster een extra betaling zou doen, heeft verdachte keer op keer het vertrouwen bij aangeefster gewekt in een goede afloop. Deze goede afloop is er niet gekomen en verdachte heeft niets aan aangeefster terugbetaald. Verdachte heeft ontkend dat hij tegen aangeefster de verhalen heeft verteld die zij in haar verklaringen naar voren heeft gebracht. Er zou tussen hen zijn besproken dat zou worden geïnvesteerd in wiethokken en dat dit is mislukt. De rechtbank stelt vast dat de verklaring van aangeefster op onderdelen steun vindt in de overige bewijsmiddelen. Er is immers sprake van vele contante betalingen door aangeefster aan verdachte. Verdachte erkent dat er aanvankelijk sprake is geweest van een handeltje. Hij erkent ook dat er sprake is geweest van een briefje dat aangeefster heeft geschreven waarin volgens haar stond dat zijn schuld van € 130.000,00 zou zijn afgelost. Hij wil vervolgens geen antwoord geven op vragen hoe het precies met dit briefje zat. De rechtbank zal uitgaan van de verklaringen van aangeefster. Een en ander kan redelijkerwijs tot geen andere conclusie leiden dan dat verdachte zich in strijd met de waarheid heeft voorgedaan als een bonafide lener. Voor de rechtbank is aannemelijk geworden dat door deze valse hoedanigheid bij aangeefster vertrouwen is gewekt waardoor zij bewogen is geld af te geven aan verdachte. Door een samenweefsel van verdichtsels - waarbij door verdachte telkens geld werd gevraagd om de in de tenlastelegging genoemde betalingen te verrichten - is aangeefster vervolgens er telkens toe bewogen geld aan verdachte te blijven geven. Dat de verhalen die verdachte aangeefster vertelde op waarheid berustten is de rechtbank niet gebleken. Alhoewel verdachte op enig moment kennelijk witwaspraktijken en andere strafbare feiten ter sprake bracht en aangeefster daarmee aanwijzingen gaf voor frauduleus handelen, is de rechtbank van oordeel dat de aangeefster niet kan worden tegengeworpen dat zij vanaf het ter sprake brengen van die zaken de onjuiste voorstelling van zaken had moeten doorzien. Aan de zijde van verdachte staat daar immers een bedrieglijke vorm van handelen tegenover, waardoor de aangeefster desondanks met verdachte steeds verder in zee is gegaan en herhaaldelijk is bewogen tot de afgifte van geldbedragen. Verdachte heeft over een lange periode op steeds verdergaande wijze een situatie gecreëerd waarbij het voor aangeefster noodzakelijk was en bleef geld af te blijven geven, omdat zij anders haar reeds gegeven geld kwijt zou raken. Dit zou bij aangeefster, gelet op haar hoge leeftijd en beperkte inkomsten uit een AOW-uitkering, tot grote problemen leiden. Daar komt bij dat zij geldbedragen had geleend van andere mensen om verdachte te kunnen betalen. Deze personen verzochten haar ook in toenemende mate om terugbetaling. Onder die omstandigheden kan niet kan worden gezegd dat sprake was van een zodanig doorzichtige voorstelling van zaken dat geen sprake (meer) is van oplichting in de zin van artikel 326 van het Wetboek van Strafrecht. De verdediging heeft aangevoerd dat het oogmerk van verdachte om zichzelf te bevoordelen ontbreekt. De rechtbank stelt vast dat het alternatieve scenario van verdachte dat aangeefster bewust heeft geïnvesteerd in een hennepkwekerij, dat de winst van de hennepkwekerij geheel ten goede zou komen aan aangeefster en dat de die investering uiteindelijk is misgelopen, niet door de verdediging nader is onderbouwd. Verdachte is bevraagd over dit scenario maar heeft geen concrete en verifieerbare informatie kunnen en willen geven op grond waarvan het scenario zou kunnen worden onderzocht. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat het door de verdediging geschetste alternatieve scenario volstrekt onaannemelijk is. Uit de bewijsmiddelen kan geen enkele andere conclusie volgen dan dat verdachte het oogmerk had zichzelf te bevoordelen door middel van de oplichting. Gelet op het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte in de periode van 16 mei 2013 tot 25 augustus 2015 het tenlastegelegde feit heeft begaan. 4.4 De bewezenverklaring De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte in de periode van 16 mei 2013 tot 25 augustus 2016 in Nederland, meermalen met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen een valse hoedanigheid en door een samenweefsel van verdichtsels, [Slachtoffer] heeft bewogen tot de afgifte van een hoeveelheid geld door met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en/of listig en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid: - zich tegenover voornoemde persoon voorgedaan als bonafide lener en/of - die [Slachtoffer] voor te houden dat hij, verdachte, geld wil lenen voor het opstarten zijn bedrijf en/of - die [Slachtoffer] voor te houden dat hij, verdachte, extra geld nodig heeft om deals te kunnen sluiten en/of - die [Slachtoffer] voor te houden dat zij een deel van de winst/opbrengst zal krijgen en/of - die [Slachtoffer] voor te houden dat hij, verdachte, verschillende betalingen, waaronder invoerrechten en/of douanekosten en/of onverwachte kosten moet voldoen en/of - die [Slachtoffer] (meermalen) toe te zeggen dat hij, verdachte, het geld (die dag) terug zal betalen. Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad. De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. 5De strafbaarheid Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op. Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit. 6De strafoplegging 6.1 De vordering van de officier van justitie De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden. 6.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging verzoekt er rekening mee te houden dat er sprake is van een zeer oude zaak. Verdachte heeft spijt van hoe alles gelopen is en een onvoorwaardelijke gevangenisstraf dient geen rechtens te respecteren doel meer. Daarnaast heeft verdachte de zorg voor zijn zieke vrouw. 6.3 Het oordeel van de rechtbank Verdachte heeft met zijn verhalen gedurende meerdere jaren aangeefster geld afhandig gemaakt. In de beginperiode heeft verdachte zich nog voorgedaan als bonafide lener. Hij heeft ervoor gezorgd dat er een vertrouwensrelatie is ontstaan. Verdachte heeft vervolgens misbruik gemaakt van deze vertrouwensrelatie. Telkens weer vroeg hij aangeefster om – in het totaal bezien – relatief kleine bedragen. Echter, deze bedragen vormden in de loop van de tijd tezamen een hoog bedrag. Hiermee heeft verdachte een sfeer gecreëerd waarin aangeefster niet anders kon dan geld blijven geven in de hoop dat verdachte de belofte dat daarmee het geld terug zou komen, zou waarmaken. Om aan de verzoeken om geld te blijven te voldoen, heeft aangeefster zich zelfs genoodzaakt gezien om haar hypotheek te verhogen en geld te lenen bij vrienden en familieleden. Dit heeft aangeefster zodanig in de financiële problemen gebracht dat zij haar huis heeft moeten verkopen. De rechtbank is van oordeel dat sprake is van een zeer kwalijk en ernstig feit. Bij de beoordeling van de strafmaat zal de rechtbank rekening houden met de oriëntatiepunten op het gebeid van fraude in algemene zin. Hierbij gaat zij ervan uit dat aangeefster voor minimaal € 130.000,00 is opgelicht. Over dit bedrag is blijkens de aangifte immers in april 2016 overeenstemming tussen verdachte en aangeefster bereikt toen door verdachte aan aangeefster werd verzocht een document te ondertekenen dat de schuld ter hoogte van dit bedrag zou zijn afgelost. Het oriëntatiepunt voor fraude met een benadelingsbedrag tussen € 125.000,00 en € 250.000,00 is een gevangenisstraf voor de duur van 9 tot 12 maanden. Gelet op de hoogte van het benadelingsbedrag in deze zaak zou daarom een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden passend zijn. De rechtbank stelt echter vast dat er sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn van bijna een jaar. Conform vaste jurisprudentie levert dit een strafvermindering op van 10%. Indien de rechtbank dit in het voordeel van verdachte afrondt komt zij uit op een gevangenisstraf van 8 maanden. Dit is hoger dan de eis van de officier van justitie. De rechtbank zal de straf niet verder matigen, omdat het de rechtbank onvoldoende duidelijk is waarom de officier van justitie een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden heeft gevorderd. Ook in de persoonlijke omstandigheden van verdachte ziet de rechtbank geen aanleiding voor strafvermindering. Gelet op voorgaande acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden passend en geboden en legt zij deze aan verdachte op. 7De benadeelde partij De benadeelde partij [Slachtoffer] vordert een schadevergoeding van € 315.780,00 voor het tenlastegelegde feit, bestaande uit een bedrag van € 305.780,-dat in de loop van de tijd door aangeefster aan verdachte is verstrekt, en € 10.000,- immateriële schade. De rechtbank is van oordeel dat voldoende is onderbouwd dat de schade tot een bedrag van € 130.000,00 ter zake van materiële schade een rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde feit en acht verdachte aansprakelijk voor die schade Immers komt dit bedrag overeen met het bedrag dat genoemd is in het document dat aangeefster in april 2016 op verzoek van verdachte heeft ondertekend om in strijd met de waarheid te verklaren dat verdachte deze schuld heeft voldaan. De rechtbank schat daarom de materiële schade vooralsnog op € 130.000,00 en zal de vordering tot dat bedrag toewijzen. Voor het overige acht de rechtbank het gevorderde bedrag aan materiële schade nog onvoldoende onderbouwd. Uit de overgelegde stukken kan weliswaar worden geconcludeerd dat benadeelde in totaal € 305.780,00 contant heeft opgenomen maar er is thans in het dossier onvoldoende objectieve onderbouwing voor de conclusie dat benadeelde naast eerder genoemde € 130.000,00 ook de overige € 175.780,00 aan verdachte heeft gegeven. Het geven van gelegenheid voor verdere onderbouwing, alsmede het debat daarover, levert een onevenredige belasting op van het strafgeding. Om die reden zal de rechtbank de benadeelde partij voor dat deel niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. Verder is een bedrag van € 10.000,00 aan immateriële schade gevorderd. Ter zitting is namens benadeelde aangevoerd dat benadeelde schade heeft ondervonden van het bewezenverklaarde doordat relaties met derden verslechterden en zij genoodzaakt was te verhuizen. Deze schade is echter niet nader onderbouwd. Er zijn bijvoorbeeld geen stukken waaruit volgt dat door een medicus psychische schade is vastgesteld. Om verdere belasting van het strafgeding te voorkomen zal de rechtbank benadeelde partij ook voor dit deel niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. In totaal zal aan benadeelde partij een bedrag van € 130.000,00 aan materiële schade worden toegewezen. De rechtbank stelt vast dat deze schade over een ruime periode is opgebouwd tot het totaalbedrag, maar in ieder geval op 30 april 2016 bestond. Immers, is op een onbekende dag in april 2016 de brief met de gestelde kwijtschelding getekend. De rechtbank bepaalt om die reden dat de wettelijke rente over het toegewezen bedrag wordt toegewezen vanaf 30 april 2016 tot aan de dag van de algehele voldoening. Met betrekking tot de toegekende vordering benadeelde partij zal de rechtbank tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen. 8De wettelijke voorschriften De beslissing berust op de artikelen 36f en 326 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde. 9De beslissing De rechtbank: Bewezenverklaring - verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven; - spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd; Strafbaarheid - verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert: oplichting - verklaart verdachte strafbaar; Strafoplegging - veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 8 maanden; Benadeelde partij - veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [Slachtoffer] van € 130.000,00 ter zake van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 30 april 2016 tot aan de dag van de algehele voldoening; - veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil; - verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat de vordering voor dat gedeelte bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht; - legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [Slachtoffer] , € 130.000,00 te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 30 april 2016 tot aan de dag van de algehele voldoening; - bepaalt dat bij niet betaling 365 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft; - bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd. Dit vonnis is gewezen door mr. Goossens, voorzitter, mr. Broeders en mr. Van der Linden, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Van Eekelen, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 4 december
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.