RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Strafrecht Zittingsplaats: Breda parketnummer: 02/003006-20 vonnis van de meervoudige kamer van 15 december 2020 in de strafzaak tegen [verdachte] geboren op [geboortedag] 1995 te [geboorteplaats] thans gedetineerd in Penitentiaire inrichting Nieuwegein raadsvrouw mr. Purperhart, advocaat te Rotterdam 1Onderzoek van de zaak De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 1 december 2020, waarbij de officier van justitie, mr. Vroombout, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. 2De tenlastelegging De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte samen met zijn medeverdachte heeft geprobeerd [slachtoffer] van het leven te beroven of hem zwaar lichamelijk letsel toe te brengen door met een vuurwapen in de richting van [slachtoffer] te schieten. 3De voorvragen De dagvaarding is geldig. De rechtbank is bevoegd. De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging. Er is geen reden voor schorsing van de vervolging. 4De beoordeling van het bewijs 4.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht het medeplegen van poging doodslag wettig en overtuigend bewezen. Hij acht de aangifte van aangever [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ) met betrekking tot de geweldshandelingen en herkenningen betrouwbaar. Tevens acht de officier van justitie de herkenning van getuige [getuige] betrouwbaar. Ten slotte is vast komen te staan dat de Seat Ibiza, waarvan is aangetoond dat deze is gebruikt bij de achtervolging en het rammen van de auto van [slachtoffer] waarbij geschoten is, in gebruik was bij verdachte [verdachte] (hierna: [verdachte] ) en medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ). 4.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen en wijst daarbij op het volgende. Zowel de verklaring van [slachtoffer] als de verklaring van getuige [getuige] zijn als onbetrouwbaar aan te merken. Het feit dat eerder al sprake was van een hoogoplopend conflict tussen aangever en verdachte draagt hier aan bij. Niet vast staat dat [verdachte] in de nacht van 29 december 2019 in de witte Seat Ibiza heeft gezeten, hetgeen ook door de [medeverdachte] wordt bevestigd. Dit in combinatie met het enige belastende bewijs in het dossier – te weten de aangifte en de getuigenverklaring – die als onbetrouwbaar moeten worden bestempeld maakt dat [verdachte] vrijgesproken dient te worden van hetgeen hem wordt verweten. 4.3 Het oordeel van de rechtbank 4.3.1 De bewijsmiddelen De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht. 4.3.2 De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs De rechtbank stelt op grond van de bewijsmiddelen vast dat [slachtoffer] op 29 december 2019 in Roosendaal vanuit een (rijdende) auto, merk Seat Ibiza, meerdere malen is beschoten, terwijl hij zelf ook een auto bestuurde. De Seat Ibiza is naast de auto van [slachtoffer] komen staan, terwijl deze aan het parkeren was, waarna meerdere schoten zijn gelost in de richting van de auto van [slachtoffer] . Hierna vond een achtervolging plaats en zijn wederom schoten gelost. De auto van [slachtoffer] werd hierbij meerdere keren geraakt. De verdediging heeft dit feitencomplex niet betwist, maar heeft bepleit dat [verdachte] niet degene is geweest die in de Seat Ibiza heeft gezeten. De vraag waar de rechtbank zich voor gesteld ziet is wie degene zijn geweest die op [slachtoffer] hebben geschoten. Daartoe overweegt de rechtbank het volgende. Verklaring aangever [slachtoffer] heeft op het politiebureau op 29 december 2019 kort na de beschieting en achtervolging om 03:45 uur een uitgebreide verklaring afgelegd over wat er gebeurd was. In die verklaring wijst hij [verdachte] en [medeverdachte] aan als daders. [slachtoffer] heeft – zakelijk weergegeven – verklaard dat hij in de desbetreffende nacht omstreeks 01:55 uur zijn auto – een zwarte Volkswagen Polo – aan het parkeren was ter hoogte van [adres 1] toen hij een witte Seat Ibiza aan zag komen rijden. In de auto zag hij twee mannen zitten die hij meteen herkende als [verdachte] en [medeverdachte] . Het voertuig kwam met een flinke snelheid over de D-Dijk richting de Dijkrand en maakte vervolgens een u-bocht in de richting van de Diamantdijk. Binnen enkele seconden kwam het voertuig naast het voertuig van [slachtoffer] staan. Het voorste raam van de Seat Ibiza aan de kant van de bijrijder ging open en toen het raam voor de helft was geopend zag [slachtoffer] dat [verdachte] daar zat en zijn rechterarm uit het raam stak, terwijl hij een vuurwapen vast had. [slachtoffer] dook hierop in de richting van de bijrijdersstoel en gaf plankgas. Tegelijkertijd hoorde hij heel dichtbij twee of drie knallen en besefte [slachtoffer] dat er op hem geschoten werd. Hij sloeg rechtsaf de Diamantdijk in en hoorde nog een tweetal schoten. [slachtoffer] bleef verder rijden over de Diamantdijk en volgde de bocht naar links. Ter hoogte van het Godwaltpark reed de Seat Ibiza heel dicht achter hem en voelde [slachtoffer] dat de auto een aantal keren tegen de achterzijde van zijn auto aan reed. De auto werd daarbij naar voren geramd. Ook hoorde hij nog verschillende knallen en had hij het idee dat er nog steeds op hem werd geschoten. [slachtoffer] is doorgereden tot aan het Dijkcentrum. Bij het Dijkcentrum is [slachtoffer] rechtsaf geslagen, de Bergkristaldijk op. Deze weg heeft hij gevolgd tot hij bij de Burgemeester Schneiderlaan was. Op de Bergkristaldijk heeft de Seat Ibiza hem nog een keer geramd en hoorde hij nogmaals schoten. [slachtoffer] zag de Seat Ibiza voor het laatst vlak voor de Burgemeester Schneiderlaan, toen hij linksaf de Barietdijk op reed. Daarna heeft hij de Seat Ibiza niet meer gezien. Vanaf het moment dat hij zijn auto wilde parkeren tot aan het moment dat hij bij het Dijkcentrum aankwam, heeft hij ongeveer 10 a 12 schoten gehoord en is zijn auto zeker 4 keer van achteren geramd. Bij het eerste contact met de politie ter plaatse, toen men hem naar aanleiding van zijn melding trof aan de Burgemeester Schneiderlaan, werd gezien dat [slachtoffer] zichtbaar geëmotioneerd en beangstigd was. Gezien werd ook dat er twee schotinslagen in de bestuurdersdeur van zijn auto zaten. [slachtoffer] gaf ook al meteen ter plaatse aan dat hij vanaf de Dijkrand naar de woning van zijn moeder ( [adres 2] ) reed en dat er toen een witte Seat Ibiza hem tegemoet kwam rijden met als bestuurder [medeverdachte] en als bijrijder [verdachte] . Hij zei ook dat [verdachte] vanuit het voertuig een vuurwapen trok en op hem begon te schieten. Camerabeelden De verklaring van [slachtoffer] vindt bevestiging in de camerabeelden die vanaf de woning aan de [adres 3] zijn gemaakt. Op die beelden is te zien dat er om 01:55:21 uur een kleine zwarte auto de Diamantdijk in komt rijden. Deze auto stopt en verdwijnt uit het zicht vanwege een boom die het zicht verder belemmert. Hierna is te zien dat er een witte auto via de Diamantdijk de D-dijk in komt rijden. De witte auto, model stationwagen, rijdt via de D-dijk weer de Diamantdijk in en stopt ter hoogte van de zwarte auto. Enkele seconden later rijdt de zwarte auto weg richting de Diamantdijk en wordt onmiddellijk gevolgd door de witte auto. Beide voertuigen slaan rechtsaf de Diamantdijk in waarna de auto’s uit beeld verdwijnen. Technisch onderzoek ter plaatse en in de auto van aangever Belangrijke onderdelen van de door [slachtoffer] beschreven gang van zaken worden – naast de camerabeelden – ook ondersteund door het technisch onderzoek. De auto van [slachtoffer] is onderzocht. In het bestuurdersportier zaten twee doorschotbeschadigingen. De rechtbank leidt uit het onderzoek af dat één van de kogels het zitkussen van de bestuurdersstoel heeft geraakt. In de dorpel van het bestuurdersportier en onder het voetenmatje aan de bestuurderskant werden projectielen afkomstig uit een vuurwapen aangetroffen. Aan de rechterbinnenzijde van de wielkast van de linker achterband zat een beschadiging die zeer waarschijnlijk een doorschotbeschadiging betrof. Dit past bij de aangifte van [slachtoffer] dat hij tijdens de achtervolging ook nog is beschoten. Vrijwel direct na het incident werd ter plaatse door een verbalisant op het geasfalteerde gedeelte voor de woning aan de [adres 4] een koperkleurige huls aangetroffen. Gezien werd dat de huls was afgeschoten, aangezien het slaghoedje was ingedrukt door de slagpin van een vuurwapen. Aantreffen overige hulzen en auto-onderdelen In de ochtend na het incident hebben verbalisanten de door [slachtoffer] genoemde route lopend afgelegd. Op de Diamantdijk ter hoogte van het pand op [adres 5] werd een koperkleurige huls aangetroffen. Deze huls lag op de rijbaan op de rijstrook in de richting van de Bergkristaldijk. Op de Diamantdijk ter hoogte van het pand op [adres 6] werd nog een koperkleurige huls aangetroffen. Deze huls lag op de rijbaan op de rijstrook in de richting van de Bergkristaldijk. Op de Diamantdijk ter hoogte van het pand op [adres 7] werden auto-onderdelen aangetroffen. Deze lagen op de rijbaan op de rijstrook in de richting van de Bergkristaldijk. Het betroffen onder andere delen van een wieldop. Later bleken dit delen van de wieldop van het linker voorwiel van de auto van [slachtoffer] te zijn. Ten slotte werden op de kruising van de Basaltdijk en de Barietdijk ook auto-onderdelen aangetroffen. Dit betroffen onder andere omlijstingen van kentekenplaten met daarop reclame uitingen. Later bleek dat deze onderdelen de omlijsting betrof van de achterzijde van de kentekenplaat van de auto van [slachtoffer] en de omlijsting van de voorzijde van de witte Seat Ibiza met kenteken [kenteken 1] . Uit indicatief onderzoek van het NFI naar de hulzen en kogels blijkt er aanwijzingen zijn dat de drie hulzen die zijn aangetroffen op de Diamantdijk met hetzelfde wapen zijn afgevuurd. Ook bleek dat de twee kogels die in de auto van aangever zijn aangetroffen met één wapen zijn afgevuurd. Aantreffen witte Seat Ibiza en sporen op de weg Door [slachtoffer] werd verklaard dat hij de witte Seat Ibiza ter hoogte van de Barietdijk uit het oog was verloren. Tegenover de woning aan de [adres 8] werd door de politie de witte Seat Ibiza met kenteken [kenteken 1] vooruit ingeparkeerd aangetroffen. Het voertuig was aan de voorzijde beschadigd. Vanuit de Bergkristaldijk, kruising Barietdijk/Basaltdijk was een spoor op het wegdek zichtbaar. Het betrof een slipspoor van een auto. Het slipspoor was vanuit de Barietdijk te volgen en gezien werd dat het slipspoor ter hoogte van de [adres 9] linksaf de Barietdijk op liep en vervolgens ter hoogte van de [adres 10] rechtsaf de Barietdijk vervolgde. De sporen liepen door tot aan het parkeervak alwaar het voertuig met kenteken [kenteken 1] weggezet was, ter hoogte van [adres 8] . Beschadiging Volkswagen Polo en Seat Ibiza De Volkswagen Polo van [slachtoffer] had aan de buitenzijde meerdere beschadigingen. Zo was de voorband aan de bestuurderszijde lek en was de bumper aan de achterzijde van het voertuig beschadigd. Voorts ontbrak de kentekenplaat aan de achterzijde van het voertuig. Ten slotte werden er in en op het voertuig meerdere (door)schot beschadigingen aangetroffen. Ook bij de Seat Ibiza werden meerdere beschadigingen aangetroffen. Aan de voorzijde zat verse schade aan de voorbumper en motorkap. Zowel de omlijsting van de kentekenplaat aan de voorzijde alsmede de kentekenplaat zelf vertoonden schade. De omlijsting was bijna geheel verdwenen. De achterzijde was voorzien van het Nederlandse kenteken [kenteken 1] en de omlijsting om de kentekenplaat was aangebracht met de reclame tekst “ [naam 1] ”. Tijdens een eerder onderzoek op de Barietdijk en de Bergkristaldijk werd plastic aangetroffen afkomstig van een omlijsting van een kentekenplaat met daarop de tekst: “ [naam 1] ”. De rechtbank acht het derhalve aannemelijk dat deze stukjes afkomstig zijn van de voorzijde van de Seat. Schade inpassing Uit het aangetroffen schadebeeld bij beide voertuigen leidt de politie af dat de Seat Ibiza en de Volkswagen Polo met elkaar in contact zijn geweest. De Seat Ibiza bevond zich voor of tijdens de aanrijding in rechtuit gaande positie en dat geldt ook voor de Volkswagen Polo, blijkt uit het onderzoek. Tussenconclusie Gelet op het voorgaande, waarbij de verklaring van [slachtoffer] naadloos past binnen verschillende objectieve onderzoeksresultaten, heeft de rechtbank geen aanleiding om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de verklaring van [slachtoffer] . Zijn verklaringen over het beschieten vanuit de Seat Ibiza op de Diamantdijk tijdens het parkeren, de route waarop de achtervolging heeft plaatsgevonden, het rammen van de auto van aangever door de Seat Ibiza en het schieten op de auto van aangever tijdens de achtervolging vinden op een veelheid van onderdelen bevestiging in genoemde objectieve bewijsmiddelen. De vervolgvraag is of [slachtoffer] ook kan worden gevolgd in zijn verklaring dat [medeverdachte] de chauffeur van de Seat Ibiza was en dat [verdachte] de bijrijder was die heeft geschoten. De rechtbank beantwoordt ook die vraag bevestigend. De rechtbank merkt hierbij op dat voorafgaand aan het schietincident kennelijk sprake was van een langer lopend conflict tussen [verdachte] en [slachtoffer] . Daarbij heeft eerder een confrontatie plaatsgevonden tussen de partijen. In dit licht bezien dient de aangifte extra kritisch bekeken te worden, zoals ook is bepleit door de verdediging. Voorstelbaar is immers dat dit conflict een rol kan hebben gespeeld bij het doen van de aangifte. Deze kritische lezing laat onverlet dat belangrijke onderdelen van de door [slachtoffer] beschreven gang van zaken worden ondersteund door de camerabeelden, en het technisch onderzoek. De rechtbank acht daarbij voorts van belang dat [slachtoffer] vanaf het eerste contact met de politie [medeverdachte] en [verdachte] heeft genoemd als de daders en daar ook bij is gebleven. Daar komt bij dat de Seat Ibiza was in gebruik bij [verdachte] en [medeverdachte] . Uit het huurcontract blijkt dat [verdachte] de Seat Ibiza heeft gehuurd. [verdachte] heeft verklaard dat hij de auto huurde en dat [medeverdachte] de huursom betaalde. Hij en [medeverdachte] maakten gebruik van de auto. Uit de verklaring van [verdachte] leidt de rechtbank verder af dat hij samen met [medeverdachte] een uur voor de schietpartij nog in de auto heeft gezeten om eten te halen. Deze verklaring vindt voorts bevestiging in de telefoongegevens van [verdachte] , waaruit blijkt dat hij om 00:57 uur naar restaurant [naam 2] heeft gebeld. Ook van belang acht de rechtbank dat niet is gebleken van enig verifieerbaar alibi bij [medeverdachte] en [verdachte] . [verdachte] heeft verklaard dat hij door [medeverdachte] is afgezet met zijn eten, maar heeft niet willen of kunnen verklaren waar hij vervolgens is geweest. Onder de gegeven omstandigheden had een geven van een verklaring hierover wel op zijn weg gelegen. [medeverdachte] heeft verklaard dat hij, nadat hij op 28 december 2019 rond 22:00 uur [verdachte] had afgezet, de Seat Ibiza heeft geparkeerd, waarna hij deze – onder druk – aan een persoon heeft moeten afstaan. Hij is daarna naar de woning van zijn moeder gegaan en heeft op de laptop gegamed. De rechtbank acht deze verklaring van [medeverdachte] ongeloofwaardig. Behalve dat deze verklaring op onderdelen afwijkt van hetgeen hij hierover ter zitting heeft verklaard – op zitting verklaarde hij dat het twee personen waren geweest, niet één – blijken uit het dossier geen aanwijzingen dat de auto van [medeverdachte] zou zijn afgenomen. Hij heeft de daarop volgende dagen ook geen enkele actie ondernomen om het gestelde afnemen van de auto te melden, bijvoorbeeld door het doen van aangifte of het melden aan het verhuurbedrijf. Dat hij die nacht in de woning van zijn moeder is geweest, is evenmin komen vast te staan. Zijn moeder heeft verklaard dat ze hem die avond/nacht niet heeft gezien, terwijl [medeverdachte] heeft verklaard dat hij voor zijn moeder zelfs koffie zou hebben gezet. Ook onderzoek aan de laptop heeft de verklaring van [medeverdachte] niet kunnen bevestigen. De rechtbank zal – gelet op al deze feiten en omstandigheden – de verklaring van [slachtoffer] dan ook volgen in de lezing van wat zich op 29 december 2019 heeft afgespeeld, namelijk dat [slachtoffer] door [medeverdachte] en [verdachte] is beschoten tijdens het parkeren en is achtervolgd, waarbij meerdere keren in de richting van zijn auto is geschoten. De auto is hierbij ook meerdere keren geraakt. Nu de rechtbank de verklaring van getuige [getuige] niet bezigt voor het bewijs wordt het verweer over de (on)betrouwbaarheid van deze verklaring onbesproken gelaten. Poging doodslag Gelet op de door [slachtoffer] beschreven gedragingen van [medeverdachte] en [verdachte] kan de rechtbank tot geen ander oordeel komen dan dat zij willens en wetens – met ‘vol’ opzet – hebben geprobeerd [slachtoffer] van het leven te beroven. De rechtbank is van oordeel dat uit de uiterlijke verschijningsvorm van de gedragingen van [medeverdachte] en [verdachte] kan worden afgeleid dat het opzet van de verdachten was gericht op de dood van [slachtoffer] . Er is gericht op de auto van [slachtoffer] geschoten, op de plek waar [slachtoffer] zat. De stelling van de verdediging dat de eerste schoten bij het parkeren meer naar beneden gericht zijn geweest, zoals uit het technisch onderzoek blijkt, doet hier naar het oordeel van de rechtbank niet aan af. [slachtoffer] is naar eigen zeggen naar beneden weggedoken, hetgeen de reden kan zijn geweest dat wat lager gericht is geschoten. Gebleken is wel dat één van de kogels de zitting van de stoel heeft geraakt, waarop [slachtoffer] zat. Daar komt nog bij dat het niet bij één keer schieten is gebleven. Niet alleen staand naast de auto van [slachtoffer] , van korte afstand, maar vervolgens ook nog tijdens de achtervolging, waarbij de Seat Ibiza voorts diverse keren de auto van [slachtoffer] heeft geramd. Ook tijdens die achtervolging is de auto van [slachtoffer] door tenminste nog één kogel geraakt. Medeplegen Voor een bewezenverklaring van medeplegen is vereist dat sprake is van een bewuste en nauwe samenwerking, gericht op de uitvoering van het strafbare feit. Bij de medeplegers dient voorts ‘dubbel’ opzet aanwezig te zijn: hun opzet moet zowel op de samenwerking als op het delict zelf zijn gericht. De rechtbank gaat er vanuit dat [medeverdachte] de bestuurder van de Seat Ibiza is geweest en dat [verdachte] als bijrijder in de auto zat. [medeverdachte] heeft substantiële handelingen verricht in het hiervoor omschreven feitencomplex. Hij heeft de Seat Ibiza naast de auto van aangever heeft gezet, waarna door [verdachte] op de auto van [slachtoffer] geschoten. Vervolgens is hij achter de wegvluchtende auto van [slachtoffer] aangegaan en heeft hij meerdere keren de auto van [slachtoffer] geramd, terwijl deze door [verdachte] werd beschoten. De rechtbank leidt hieruit af dat het opzet van zowel [verdachte] als [medeverdachte] was gericht op de samenwerking en ook op het delict zelf, waardoor sprake is geweest van een zodanige bewuste en nauwe samenwerking dat sprake was van medeplegen. Conclusie Gelet op het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat [medeverdachte] en [verdachte] zich op 29 december 2019 te Roosendaal schuldig hebben gemaakt aan het medeplegen van een poging doodslag op [slachtoffer] . 4.4 De bewezenverklaring De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 29 december 2019 te Roosendaal tezamen en in vereniging met een ander, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, (vanuit een rijdende auto) meerdere malen met een vuurwapen heeft geschoten in de richting van die voornoemde [slachtoffer] (terwijl die [slachtoffer] zich in een (rijdende) auto bevond) terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid. De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. 5De strafbaarheid Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op. Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit. 6De strafoplegging 6.1 De vordering van de officier van justitie De officier van justitie vordert aan [verdachte] op te leggen een gevangenisstraf van 5 jaar met aftrek van de tijd die [verdachte] in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. 6.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft vrijspraak bepleit en heeft geen strafmaatverweer gevoerd. 6.3 Het oordeel van de rechtbank [verdachte] heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van een poging doodslag. Hij en [medeverdachte] hebben hun auto naast die van [slachtoffer] gezet en van korte afstand in zijn richting geschoten. [slachtoffer] is in zijn auto weg gevlucht, waarna een achtervolging volgde, waarbij nog meerdere malen op de auto van [slachtoffer] is geschoten en zijn auto ook meerdere malen van achteren is geramd. De auto is ook daadwerkelijk geraakt. Dit alles speelde zich af in een woonwijk en lijkt een heel berekenende actie in het kader van een afrekening te zijn geweest. Dergelijk gewelddadig optreden op straat, midden in een woonwijk, is niet alleen levensbedreigend en angstaanjagend voor de slachtoffers, maar ook schokkend voor de omwonenden en anderen die daarvan kennis nemen. Dit handelen brengt een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van de samenleving met zich mee en wekt (of versterkt) een gevoel van onveiligheid. Het mag een wonder heten dat [slachtoffer] of andere personen – die wellicht nog op straat waren – niet zijn geraakt. De rechtbank rekent dit [verdachte] aan, te meer nu hij op geen enkele wijze blijk heeft gegeven zich schuldig te voelen, dan wel de verantwoordelijkheid te nemen voor de door hem gepleegde strafbare feiten. Het door [verdachte] gepleegde feit is één van de ergste feiten die ons Wetboek van Strafrecht kent. Het is algemeen bekend dat slachtoffers van een dergelijk feit – ook als het bij een poging is gebleven – nog geruime tijd psychisch nadelige gevolgen kunnen ondervinden. [slachtoffer] heeft hierover in zijn slachtofferverklaring ook het nodige gezegd. De beelden van het schietincident ziet hij nog steeds in zijn hoofd verschijnen. [slachtoffer] wil het liefst alles achter zich laten, maar dit lukt niet. Hij heeft hulp van een psycholoog en sinds kort is de EMDR-therapie weer opgestart. Nu de zittingsdatum naderde is de angst in alle hevigheid weer toegenomen. De confrontatie met [verdachte] en [medeverdachte] durfde [slachtoffer] niet aan. Uit het uittreksel justitiële documentatie betreffende [verdachte] blijkt dat hij veelvuldig met justitie in aanraking is geweest. De rechtbank is van oordeel dat gelet op de ernst van het feit een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van lange duur op zijn plaats is. Hierbij is van belang dat uit het oogpunt van zowel generale als speciale preventie een duidelijk en krachtig signaal dient te worden afgegeven dat schietincidenten als deze in de samenleving niet worden geaccepteerd. Alles afwegende acht de rechtbank de door de officier van justitie gevorderde straf passend en geboden. Zij zal [verdachte] dan ook veroordelen tot een gevangenisstraf van 5 jaar met aftrek van de tijd die [verdachte] in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. 7De benadeelde partij De benadeelde partij [slachtoffer] vordert een schadevergoeding van € 13.404,77 waarvan € 10.000,- aan immateriële schade en € 3.404,77 aan materiële schade. De rechtbank is van oordeel dat de schade tot een bedrag van € 3.404,77 een rechtstreeks gevolg is van dit bewezen verklaarde feit, ter zake van materiële schade en acht verdachte aansprakelijk voor die schade. Het gevorderde acht zij tot dat bedrag voldoende aannemelijk gemaakt en zij zal de vordering tot dat bedrag toewijzen. Ter zake van de immateriële schade stelt de rechtbank voorop dat als schade, die het gevolg is van een onrechtmatige daad een nadeel omvat dat niet uit vermogensschade bestaat, de benadeelde op grond van artikel 6:106 lid 1, aanhef en onder b van het Burgerlijk Wetboek recht heeft op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding. Dat kan als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast. Van een aantasting in zijn persoon op andere wijze is in ieder geval sprake indien de benadeelde geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hier op beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daarvoor is nodig dat het bestaan van geestelijk letsel naar objectieve maatstaven kan worden vastgesteld, bijvoorbeeld aan de hand van informatie afkomstig van een psychiater of psycholoog. Uit een brief van GZ-psycholoog mevrouw Ameling blijkt dat [slachtoffer] sinds de schietpartij last heeft van slaapproblemen en angstklachten, dat hij steeds op zijn hoede, schrikachtig en geprikkeld is en geen eetlust heeft. In detentie zijn die klachten verergerd en heeft hij ook last van hyperventilatie en paniekaanvallen. In de penitentiaire inrichting Middelburg is gestart met EMDR trauma behandeling. Dit verliep moeizaam, omdat [slachtoffer] nog steeds het gevoel heeft in gevaar/onveilig te zijn. Dit blijkt een reële angst, aldus de psycholoog. Hij slaapt erg slecht door nachtmerries. Verder is hij moe en gespannen. Hij kreeg medicatie voorgeschreven met als diagnose: PTSS klachten na achtervolging. In juli 2020 zijn de klachten sterk toegenomen. Hij heeft een verzoek gedaan tot spoedoverplaatsing naar een penitentiaire inrichting in Rotterdam, omdat hij een vriend trof van verdachte. Dit verzoek is gehonoreerd. Eind oktober 2020 sloot [slachtoffer] zich op in zijn cel, omdat hij bang is dat vrienden van de verdachte hem wat zullen aandoen. Op 10 november 2020 is opnieuw gestart met de EMDR behandeling. [slachtoffer] is bezorgd over de uitkomst van de zitting en is bang verdachten buiten tegen te komen. Gezien het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat vastgesteld kan worden dat sprake is van door de benadeelde partij geleden immateriële schade, die een rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde feit en voor vergoeding in aanmerking komt. Gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde feit, de gevolgen hiervan voor de benadeelde partij en de bedragen die rechters in vergelijkbare gevallen plegen toe te kennen, acht de rechtbank een vergoeding van een bedrag van € 3.000,- aan immateriële schade billijk. De rechtbank zal de vordering tot een bedrag van € 6.404,77 toewijzen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag dat het bewezenverklaarde feit is gepleegd tot aan de dag der algehele afdoening. Voor het overige acht de rechtbank het gevorderde bedrag onvoldoende aannemelijk gemaakt en zij zal de benadeelde partij daarom voor dat deel niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. Met betrekking tot de toegekende vordering benadeelde partij zal de rechtbank tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen. 8De wettelijke voorschriften De beslissing berust op de artikelen 36f, 45, 47 en 287 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde. 9De beslissing De rechtbank: Bewezenverklaring - verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven; - spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd; Strafbaarheid - verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert: medeplegen van poging doodslag; - verklaart verdachte strafbaar; Strafoplegging - veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 5 jaar; - bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf; Benadeelde partijen - veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] van € 6.404,77, waarvan € 3.404,77 ter zake van materiële schade en € 3.000,- ter zake van immateriële schade vermeerderd met de wettelijke rente berekend vanaf 29 december 2020; - bepaalt dat voorzover dit bedrag door de mededader is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de benadeelde partij te betalen. - verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat de vordering voor dat gedeelte bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht; - veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil; - legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer] , € 6.404,77 te betalen vermeerderd met wettelijke rente berekend vanaf 29 december 2019; - bepaalt dat bij niet betaling 72 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft; - bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd. Dit vonnis is gewezen door mr. Goossens, voorzitter, mr. Van der Linden en mr. Mullers, rechters, in tegenwoordigheid van De Klerk-Van Rijs, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 15 december
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.