RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Strafrecht Zittingsplaats: Breda Parketnummers: 02/159036-19 + 02/035162-20 (ttz. gev.) vonnis van de meervoudige kamer van 18 december 2020 in de strafzaak tegen [verdachte] geboren op [geboortedag] 1985 te [geboorteplaats] wonende te [adres] gedetineerd te P.I. Middelburg, 4337 PE Middelburg, Torentijdweg 1 raadsman: mr. Z. Yeral, advocaat te Roosendaal 1Onderzoek van de zaak De zaken met bovenvermelde parketnummers zijn inhoudelijk behandeld op de zitting van 4 december 2020, waarbij de officier van justitie, mr. J.F.M. Kerkhofs, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. 2De tenlasteleggingen De tenlastelegging in de zaak met parketnummer 02/035162-20 is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering. De tenlasteleggingen zijn als bijlage I aan dit vonnis gehecht. De verdenkingen komen er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte: 02/159036-19 een gasdrukrevolver en 95 knalpatronen in zijn woning aanwezig heeft gehad; 02/035162-20 samen met anderen meerdere geweldshandelingen bij [slachtoffer] heeft verricht en hem vervolgens op hardhandige wijze van de trap heeft vervoerd, waardoor [slachtoffer] ernstig gewond is geraakt, wat hem primair wordt verweten als medeplegen van poging tot doodslag en subsidiair als medeplegen van zware mishandeling. 3De voorvragen De dagvaarding is geldig. De rechtbank is bevoegd. De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging. Er is geen reden voor schorsing van de vervolging. 4De beoordeling van het bewijs 4.1 Het standpunt van de officier van justitie 02/159036-19 De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan. Zij verwijst hiervoor naar de bewijsmiddelen in het dossier. 02/035162-20 De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte in de nacht van 7 op 8 februari 2020 in de woning aan het [adres] te Bergen op Zoom samen met medeverdachte [medeverdachte 1] meerdere geweldshandelingen heeft verricht bij [slachtoffer] , die daarbij zwaar gewond is geraakt. Vervolgens heeft hij samen met medeverdachte [medeverdachte 1] [slachtoffer] op hardhandige wijze naar buiten gebracht, waarbij [slachtoffer] eveneens letsel heeft opgelopen. Zij verwijst hiervoor onder meer naar de verklaring van [slachtoffer] , waaruit blijkt dat hij gezond was toen hij aankwam bij voornoemde woning, de medische verklaring betreffende zijn letsel, de bevindingen van het forensisch onderzoek in de woning, de resultaten van het vergelijkend DNA-onderzoek, de video-opname en de getuigenverklaringen. Hoewel niet kan worden vastgesteld door welke handelingen van verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] welk letsel bij [slachtoffer] is ontstaan, kan gelet op de aard van het letsel wel worden geconcludeerd dat zij door zo veel geweld uit te oefenen op het lichaam van [slachtoffer] willens en wetens de aanmerkelijke kans hebben aanvaard dat [slachtoffer] door hun handelen had kunnen komen te overlijden. Zij acht daarom wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair tenlastegelegde feit, te weten medeplegen van poging tot doodslag. 4.2 Het standpunt van de verdediging 02/159036-19 De verdediging heeft aangevoerd dat een bewezenverklaring kan volgen voor het tenlastegelegde feit. 02/035162-20 De verdediging bepleit integrale vrijspraak wegens het ontbreken van voldoende wettig en overtuigend bewijs. Op basis van het dossier kan enkel worden vastgesteld dat verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] [slachtoffer] de trap af hebben vervoerd. Hoewel dit onder invloed van alcohol wellicht niet zorgvuldig is gegaan, waardoor [slachtoffer] hierbij letsel heeft opgelopen, ontbreekt het (voorwaardelijk) opzet op het veroorzaken van letsel, laat staan op het veroorzaken van dodelijk dan wel zwaar lichamelijk letsel. Het rapport van het vergelijkend DNA-onderzoek met betrekking tot de honkbalknuppel kan niet worden gebruikt voor het bewijs, aangezien daaruit niet met zekerheid volgt dat daarop het celmateriaal van verdachte is aangetroffen. Zelfs als deze resultaten wel zouden kunnen worden gebruikt voor het bewijs, dan kan daarmee nog niet worden vastgesteld dat er ook daadwerkelijk met de honkbalknuppel op het hoofd van [slachtoffer] is geslagen. Het ontstane letsel lijkt daar ook niet bij te passen. Dit laat de mogelijkheid open dat het letsel ook bij het onzorgvuldig vervoeren op de trap kan zijn ontstaan. De verklaring van [slachtoffer] dat hij verdachte later bij het zien van de video-opname heeft herkend, kan ook niet worden gebruikt voor het bewijs, aangezien deze verklaring niet gebaseerd is op een eigen waarneming of herinnering. Bovendien heeft [slachtoffer] op de bewuste avond direct aan de politie verklaard dat hij was gevallen, wat de verklaring van verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] , inhoudende dat zij [slachtoffer] enkel naar beneden hebben gebracht om hem te helpen, ondersteunt. 4.3 Het oordeel van de rechtbank 4.3.1 De bewijsmiddelen De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht. 4.3.2 De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs 02/159036-19 Op grond van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat verdachte op 2 juli 2019 een gasdrukrevolver en 95 knalpatronen voorhanden heeft gehad. Zij acht het tenlastegelegde feit daarom wettig en overtuigend bewezen. 02/035162-20 Uit de bewijsmiddelen leidt de rechtbank allereerst af dat [slachtoffer] op 7 februari 2020 rond 21:30 uur op bezoek kwam bij verdachte en zijn partner, medeverdachte [medeverdachte 2] , op het adres [adres] in Bergen op Zoom, waar ook medeverdachte [medeverdachte 1] aanwezig was. Omstreeks middernacht werd [slachtoffer] door verdachte en [medeverdachte 1] naar buiten de trap af gedragen en zwaar gewond op de openbare weg neergelegd, waar korte tijd later de politie ter plaatse kwam. Verdachte en [medeverdachte 1] hadden op dat moment bloed aan hun kleding en handen en de knokkels van hun beider handen waren gezwollen. [slachtoffer] had diverse verwondingen aan zowel zijn hoofd als lichaam. Zijn ogen waren ernstig gezwollen, boven zijn linker wenkbrauw had hij een snee van ongeveer 4 centimeter, op zijn achterhoofd zat een open wond van ongeveer twee centimeter lengte, op zijn rug liepen twee rode striemen met een lengte van 25 centimeter en op zijn rechter scheenbeen zat een open wond met een diameter van ongeveer vijf centimeter. Na onderzoek in het ziekenhuis werd geconstateerd dat er bij [slachtoffer] sprake was van fors traumatisch letsel, bestaande uit uitgebreide forse aangezichtsfracturen, waarvoor hechtingen zijn geplaatst en een operatie door de kaakchirurg is verricht, een klaplong (pneumothorax), meerdere ribfracturen en hersenletsel (subduraal hematoom en epiduraal hematoom). In de woning was een grote hoeveelheid bloedsporen aanwezig, onder andere in de hal, de keuken en de woonkamer. De poef in de woonkamer bevatte meerdere bloedspoorpatronen in de vorm van bloedspatten en bloedstroompatronen, welk impactpatroon door gebruik van forse kracht moet zijn ontstaan. Dit bloed bleek afkomstig te zijn van [slachtoffer] . Daarnaast lagen in de woning diverse voorwerpen met daarop bloedsporen: kledingstukken, een honkbalknuppel, twee messen en een lege wijnfles. Ook het bloed op het uiteinde van de honkbalknuppel bleek afkomstig te zijn van [slachtoffer] . Het celmateriaal op het handvat van de honkbalknuppel bleek een DNA-mengprofiel te zijn, waarbij de hypothese dat verdachte één van de donoren is veel waarschijnlijker is dan de hypothese dat het celmateriaal afkomstig is van vier onbekenden. Daarnaast liep er een sleepspoor van bloed vanaf de woning over de trappengalerij naar beneden. Van het moment dat [slachtoffer] gewond in voornoemde woning aanwezig was, is een video-opname gemaakt. Hierop is [slachtoffer] te zien, die reeds gewond was aan zijn gezicht en bloedde. Daarnaast is een sok te zien met blauwe steenstukken, waarvan [medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij soortgelijke sokken droeg die avond. Verder is te zien dat er tegen de rechterhals van [slachtoffer] een voorwerp wordt gedrukt. Op de video-opname is de stem van verdachte te horen. Door een ander wordt daarbij gezegd dat “hij niet dood hoeft”, dat “hij moet betalen”. Ook wordt gevraagd om zijn gezicht te laten zien waarna de ander zegt: “Wat heb je gedaan? Je hebt hem goed behandeld maat”. Op grond van het voorgaande concludeert de rechtbank dat in de woning ter hoogte van de poef een geweldincident heeft plaatsgevonden waarbij, gelet op de grote hoeveelheid bloed en het uitgebreide bloedspattenpatroon, veel kracht is gebruikt. De rechtbank gaat er vanuit dat hierbij gebruik is gemaakt van de aangetroffen honkbalknuppel. Dat [slachtoffer] al gewond was toen hij bij de woning aankwam, zoals verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] hebben verklaard, volgt de rechtbank dan ook niet. Ook uit het forensisch onderzoek volgt dat geen aanwijzingen aanwezig zijn voor het scenario dat [slachtoffer] al bebloed de trappengalerij naar boven is gegaan. Naar het oordeel van de rechtbank zijn het verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] geweest die dit geweld hebben toegepast. Zij waren immers naast medeverdachte [medeverdachte 2] als enigen in de woning aanwezig en beiden hadden verwondingen/zwellingen op de knokkels van hun handen. Dat deze verwondingen zijn ontstaan door het slaan tegen een muur, zoals verdachten hebben verklaard, acht de rechtbank in het licht van de andere bewijsmiddelen niet aannemelijk. Uit het filmpje blijkt voorts dat beide verdachten aanwezig en betrokken waren bij de op dat moment reeds gewonde [slachtoffer] , terwijl ook werd gesproken over “dat hij niet dood moest”. Ook heeft de rechtbank in dit verband acht geslagen op het gegeven dat op het handvat van de honkbalknuppel waarschijnlijk het DNA van verdachte zat en dat door getuige [naam 4] is gezien dat de man met de baard (de rechtbank begrijpt [medeverdachte 1] ) helemaal onder het bloed zat. De rechtbank gaat er ook vanuit dat verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] dit samen en in vereniging hebben gedaan, nu zij hierover geen openheid van zaken hebben gegeven. Dat zij, zoals zij ter zitting hebben verklaard, vanwege alcoholgebruik geen herinneringen meer hebben aan wat er die avond in de woning is gebeurd, acht de rechtbank, ook bezien in het licht van hun eerdere stellige ontkenning, hoogst onwaarschijnlijk. Hoewel de rechtbank niet kan vaststellen welke geweldshandeling door wie van hen is toegepast bij [slachtoffer] , wordt het ervoor gehouden dat sprake is geweest van een zodanige intensieve en bewuste samenwerking dat het min of meer toevallig is geweest wie de uitvoeringshandelingen heeft verricht. Gezien de aard van het letsel, de bevindingen van de politie ter plaatse en de bevindingen van het forensisch- en DNA-onderzoek is de rechtbank van oordeel dat verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] [slachtoffer] in ieder geval met forse kracht tegen het hoofd en het lichaam hebben geslagen, ook met voorwerpen, waaronder een honkbalknuppel en mogelijk een lege wijnfles. Ook hebben zij tegen het hoofd en/of lichaam geschopt en/of getrapt en hem in het hoofd hebben gestoken en/of gesneden, waarschijnlijk met de aangetroffen bebloede messen. De rechtbank is van oordeel dat op basis van het dossier niet kan worden vastgesteld dat medeverdachte [medeverdachte 2] geweldshandelingen heeft verricht bij [slachtoffer] , als gevolg waarvan hij pijn of letsel heeft ondervonden. Gezien de aard van het letsel van [slachtoffer] acht de rechtbank het uitgesloten dat het zware letsel is ontstaan tijdens het, na het toegepaste geweld, onzorgvuldig slepen/vervoeren van [slachtoffer] door verdachte en [medeverdachte 1] van de trap naar beneden. Deze handeling kan naar het oordeel van de rechtbank wellicht tot oppervlakkig letsel, zoals krassen op de rug, hebben geleid, maar niet tot diverse aangezichtsfracturen en hersenletsel. Dit letsel past naar haar oordeel wel bij het slaan met een vuist of een voorwerp of voorwerpen in het gezicht en specifiek de slaap. Op grond van het dossier kan de rechtbank niet vaststellen dat verdachten [slachtoffer] alleen bij de voeten de trap af hebben gesleept waardoor hij ook met het hoofd tegen de grond/traptreden is gekomen, nu hierover slechts door één getuige is verklaard. Het is algemeen bekend dat het hoofd een kwetsbaar en vitaal onderdeel van het lichaam is waarbij het meermalen en met kracht slaan met een vuist en een hard voorwerp daartegen, de aanmerkelijke kans met zich brengen dat de dood intreedt. Dat deze kans zich hier ook daadwerkelijk heeft voorgedaan, blijkt wel uit het ernstige letsel dat [slachtoffer] heeft opgelopen. Verdachte moet zich hiervan bewust zijn geweest. Door samen met medeverdachte [medeverdachte 1] toch genoemd geweld uit te oefenen, heeft hij bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat [slachtoffer] door hun gedragingen zou kunnen komen te overlijden. Dat het niet zo ver is gekomen, is niet aan het handelen van verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] te danken geweest, maar enkel aan het optreden van de medisch specialisten in het ziekenhuis. De rechtbank acht daarom het primair tenlastegelegd feit, te weten medeplegen van poging tot doodslag, wettig en overtuigend bewezen. 4.4 De bewezenverklaring De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte 02/159036-19 op 2 juli 2019 te Bergen op Zoom een wapen van categorie III onder 4 van de Wet wapens en munitie, te weten een gasdrukrevolver, en munitie van categorie III, te weten 95 knalpatronen, voorhanden heeft gehad; 02/035162-20 primair op 7 februari 2020 te Bergen op Zoom, tezamen en in vereniging met een ander, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, die [slachtoffer] meermalen met één of meer harde voorwerpen en met een vuist en/of open hand op en/of tegen het hoofd en/of overige lichaamsdelen heeft geslagen en/of gestompt en/of op en/of tegen het hoofd en/of overige lichaamsdelen heeft geschopt en/of getrapt, en/of met één of meer messen in het hoofd heeft gestoken en/of gesneden en die [slachtoffer] vervolgens over de grond en/of trap heeft gesleept en die [slachtoffer] aan diens voeten en/of schouders/armen naar en/of van de trap heeft gedragen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid. De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. 5De strafbaarheid Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op. Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit. 6De strafoplegging 6.1 De vordering van de officier van justitie De officier van justitie vordert, gelet op hetgeen zij bewezen acht, aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 8 jaren, met aftrek van voorarrest. Zij heeft bij de formulering van haar eis rekening gehouden met de richtlijnen van het Openbaar Ministerie, de omstandigheden van het geval en het strafblad van verdachte. Zij acht het strafverzwarend dat verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] met hun handelen blijk hebben gegeven van totale minachting voor het leven van het slachtoffer, dat verdachte nadien geen enkele verantwoordelijkheid heeft getoond en dat hij in het verleden vaker is veroordeeld voor geweldsdelicten. 6.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging verzoekt, indien in de zaak met parketnummer 02/035162-20 een bewezenverklaring mocht volgen, primair een gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest op te leggen al dan niet in combinatie met een voorwaardelijk strafdeel. Verdachte is bezig met zijn casemanager, Tripplezorg en bewindvoerder, zodat hij na zijn vrijlating op diverse gebieden hulpverlening heeft. Subsidiair wordt onder verwijzing naar de jurisprudentie aangevoerd dat de eis van de officier van justitie buitenproportioneel hoog is en flink gematigd zou moeten worden. In de zaak met parketnummer 02/159036-19 verzoekt de verdediging, gelet op het tijdsverloop en het feit dat het wapen was bedoeld voor artistieke doeleinden, verdachte schuldig te verklaren zonder oplegging van straf of maatregel. 6.3 Het oordeel van de rechtbank Verdachte heeft zich samen met medeverdachte [medeverdachte 1] schuldig gemaakt aan een zeer ernstige vorm van geweldspleging. Zij hebben het slachtoffer samen zo ernstig toegetakeld, dat het weinig scheelde of hij was aan zijn verwondingen overleden. Zij hebben hem niet alleen geslagen en geschopt, maar ook diverse voorwerpen, waaronder een honkbalknuppel en mogelijk een lege wijnfles en messen, gebruikt om het slachtoffer mee te verwonden. Naast meerdere aangezichtsbreuken, een klaplong en ribfracturen, was er zelfs sprake van hersenletsel. Het slachtoffer heeft daarvoor langere tijd in het ziekenhuis gelegen, waaronder op de intensive care. Hierna is een revalidatieperiode gevolgd, waarbij het slachtoffer onder andere opnieuw moest leren lopen. De toekomst zal moeten uitwijzen of zijn gehoorschade en neurologische schade blijvend zijn. Uit de ter zitting namens het slachtoffer voorgedragen slachtofferverklaring blijkt dat het incident een grote indruk heeft gemaakt op zowel hem zelf als zijn familie en dat zij hier nog dagelijks de gevolgen van ondervinden. Daarnaast heeft verdachte een revolver en meerdere knalpatronen voorhanden gehad. De rechtbank houdt rekening met de straffen die blijkens de jurisprudentie in vergelijkbare situaties voor doodslag worden opgelegd, te weten gevangenisstraffen tussen de acht en twaalf jaren. Bij een poging gaat daar in beginsel één derde vanaf. Daarnaast slaat zij ten aanzien van de overtreding van de Wet Wapens en Munitie acht op de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Uit het strafblad van verdachte blijkt dat hij eerder is veroordeeld voor geweldsdelicten. Nu deze veroordelingen dateren van meer dan vijf jaar geleden, is er geen sprake van relevante recidive. In strafverzwarende zin weegt de rechtbank allereerst de mate van het door verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] uitgeoefende geweld mee. Daarnaast acht zij het strafverzwarend dat zij ook hierna op zeer respectloze wijze met het slachtoffer zijn omgegaan door hem in hulpeloze toestand op straat neer te leggen bij een afvalcontainer, hem vervolgens nog een keer te verplaatsen terwijl het slachtoffer pijn leed, hierna terug de woning in te gaan en vervolgens tegenover voorbijgangers te doen alsof zij het slachtoffer wilden helpen. Ten slotte weegt de rechtbank de proceshouding van verdachte in strafverzwarende zin mee. Verdachte heeft zowel bij de politie als ter zitting geen enkele verantwoordelijkheid genomen. Bovendien heeft hij telkens zijn verklaring gewijzigd en ten slotte aangegeven dat hij zich helemaal niets meer kan herinneren van wat er is gebeurd. Uit het reclasseringsrapport van Reclassering Nederland van 22 juni 2020 blijkt dat verdachte kampt met problemen op meerdere leefgebieden, waaronder verslavingsproblematiek en problematiek ten aanzien van zijn psychosociaal functioneren. Ook is er sprake van een uitgebreid delictverleden. Er worden geen beschermende factoren gezien en het recidiverisico wordt ingeschat als hoog. Om die reden dient een plan van aanpak te worden opgesteld om verdachte op verantwoorde wijze terug deel te laten nemen aan de maatschappij. Dit kan plaatsvinden in het kader van de tenuitvoerlegging van een deels voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden of in het kader van een detentiefasering en voorwaardelijke invrijheidstelling. Geadviseerd wordt aan verdachte een deels voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen en daaraan de volgende bijzondere voorwaarden te verbinden: een meldplicht, een ambulante behandelverplichting, een alcoholverbod en andere voorwaarden betreffende het gedrag. Als andere mogelijkheid wordt geadviseerd een onvoorwaardelijke gevangenisstraf aan verdachte op te leggen, waarbij voornoemde bijzondere voorwaarden dienen te worden verwerkt in het plan van aanpak in het kader van de detentiefasering en voorwaardelijke invrijheidstelling. Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat het opleggen van een langdurige onvoorwaardelijke vrijheidsstraf de enige straf is die recht doet aan de ernst van het bewezenverklaarde feit onder parketnummer 02/035162-20, te weten medeplegen van poging tot doodslag, en de persoon van verdachte. Alles afwegend acht de rechtbank de oplegging van een gevangenisstraf van zes jaren, met aftrek van voorarrest, passend en geboden. 7De benadeelde partij De benadeelde partij [slachtoffer] vordert voor het tenlastegelegde feit in de zaak met parketnummer 02/035162-20 een schadevergoeding van € 42.943,28, waarvan € 33.943,28 ter zake van materiële schade en € 9.000,- ter zake van immateriële schade. De rechtbank is van oordeel dat de schade een rechtstreeks gevolg is van dit bewezenverklaarde feit en acht verdachte aansprakelijk voor die schade. Het gevorderde is voldoende aannemelijk gemaakt, zodat de vordering zal worden toegewezen. Met betrekking tot de toegekende vordering van de benadeelde partij zal de rechtbank tevens de wettelijke rente toewijzen vanaf 7 februari 2020 en de schadevergoedingsmaatregel opleggen. Ook zal zij bepalen dat voor zover dit bedrag door één of meer mededaders is betaald, verdachte niet is gehouden dit bedrag aan de benadeelde partij te betalen. 8Het beslag 8.1 De onttrekking aan het verkeer Gebleken is dat het onder parketnummer 02/159036-19 tenlastegelegde feit is begaan met betrekking tot het voorwerp met goednummer G2056659, te weten de revolver. Dit voorwerp behoort aan verdachte toe en is van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet. Dit voorwerp is daarom vatbaar voor onttrekking aan het verkeer. Ook de overige inbeslaggenomen voorwerpen, te weten henneptoppen en een luchtdrukwapen, die bij het onderzoek naar de tenlastegelegde feiten in de woning van verdachte zijn aangetroffen, zijn vatbaar voor onttrekking aan het verkeer, nu deze voorwerpen aan verdachte toebehoren en deze van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet. 9De wettelijke voorschriften De beslissing berust op de artikelen 36b, 36c, 36d, 36f, 45, 47, 57 en 287 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet Wapens en Munitie, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde. 10De beslissing De rechtbank: Vernietiging strafbeschikking - vernietigt de eerder tegen verdachte uitgevaardigde strafbeschikking in de zaak met parketnummer 02/159036-19; Bewezenverklaring - verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven; - spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd; Strafbaarheid - verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert: 02/159036-19: handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen en munitie van categorie III; 02/035162-20 primair: medeplegen van poging tot doodslag; - verklaart verdachte strafbaar; Strafoplegging 02/159036-19 + 02/035162-20 - veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van zes jaren; - bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf; Benadeelde partij 02/035162-20 - veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] van € 42.943,28, waarvan € 33.943,28 ter zake van materiële schade en € 9.000,- ter zake van immateriële schade, en vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 7 februari 2020 tot aan de dag der algehele voldoening; - veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil; - bepaalt dat voor zover dit bedrag door één of meer mededaders is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de benadeelde partij te betalen. - legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer] € 42.943,28, waarvan € 33.943,28 ter zake van materiële schade en € 9.000,- ter zake van immateriële schade, en vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 7 februari 2020 tot aan de dag der algehele voldoening, te betalen; - bepaalt dat bij niet betaling 249 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft; - bepaalt dat voor zover dit bedrag door één of meer mededaders is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de Staat te betalen; - bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd; Beslag - verklaart onttrokken aan het verkeer de inbeslaggenomen voorwerpen, te weten: 02/159036-19 1. STK Wapen G2056661 (Omschrijving: Luchtdrukwapen 3x) 1. STK Wapen G2056659 (Omschrijving: Major Eagle, chassisnr: Revolver) 02/035162-20 1. STK hennepplant (henneptoppen) G2158015(omschrijving: groen). Dit vonnis is gewezen door mr. Van Kralingen, voorzitter, mr. Goossens en mr. Vliegenberg, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Van Beek, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 18 december 2020. De griffier is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen. 11Bijlage I De tenlasteleggingen 02/159036-19 hij op of omstreeks 2 juli 2019 te Bergen op Zoom, althans in Nederland, een wapen van categorie III, onder 4 van de Wet wapens en munitie, te weten een gasdrukrevolver/-wapen en/of munitie van categorie III, te weten 95 knalpatronen, voorhanden heeft gehad; 02/035162-20 primair hij op of omstreeks 7 februari 2020 te Bergen op Zoom, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, met één of meer (hard(e)) voorwerp(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.