RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Strafrecht Zittingsplaats: Breda parketnummer: 02/180280-20 vonnis van de meervoudige kamer van 22 december 2020 in de strafzaak tegen [verdachte] geboren op [geboortedag] 1966 te [geboorteplaats] wonende te [adres] , 4651 PD Steenbergen raadsvrouw mr. C.M. Koole, advocaat te Goes 1Onderzoek van de zaak De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 8 december 2020, waarbij de officier van justitie, mr. Gaillard, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. 2De tenlastelegging De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte feit 1: een pistool en een revolver voorhanden heeft gehad;feit 2: samen met medeverdachte [medeverdachte] opzettelijk 258 gram amfetamine aanwezig heeft gehad;feit 3: een grote hoeveelheid munitie voorhanden heeft gehad. 3De voorvragen De dagvaarding is geldig. De rechtbank is bevoegd. De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging. Er is geen reden voor schorsing van de vervolging. 4De beoordeling van het bewijs 4.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de drie tenlastegelegde feiten heeft begaan. Verdachte moet gelet op het feit dat zij feitelijk op hetzelfde adres als [medeverdachte] verbleef, de drugs, wapens en munitie op algemeen toegankelijke plaatsen lagen en zij de woning schoonmaakte, wetenschap hebben gehad van en beschikkingsmacht hebben gehad over de drugs, wapens en munitie. Zij gaat bij feit 2 uit van 257 gram amfetamine. 4.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van de tenlastegelegde feiten omdat verdachte geen wetenschap heeft gehad van de aanwezigheid van de drugs en de wapens en munitie, laat staan dat zij daarover de beschikkingsmacht heeft gehad. De drugs, wapens en munitie waren van medeverdachte [medeverdachte] en zijn niet aangetroffen op plekken waar zij samen leefden. 4.3 Het oordeel van de rechtbank 4.3.1 De bewijsmiddelen De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht. 4.3.2 De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs Feiten 1 en 3 Op 10 juli 2020 zijn bij de doorzoeking van de woning van verdachte twee vuurwapens en een grote hoeveelheid munitie aangetroffen. De vraag die de rechtbank dient te beantwoorden is, of verdachte wetenschap had van de aanwezigheid van, en de beschikkingsmacht had over de vuurwapens en munitie. Volgens een recent arrest van de Hoge Raad is voor een bewezenverklaring van het voorhanden hebben van een wapen en/of munitie onder meer vereist dat verdachte zich in meer of mindere mate bewust is geweest van de aanwezigheid van de wapens en de munitie. In dat kader worden doorgaans de volgende aspecten onderkend: een wapen bij of in de directe omgeving van de verdachte, de beschikkingsmacht van de verdachte over dat wapen en de bewustheid van verdachte met betrekking tot dat wapen. [medeverdachte] heeft over de wapens en munitie bij de politie verklaard dat deze van hem waren en dat verdachte ervan op de hoogte was dat hij dit in zijn bezit had en in de woning had liggen. Verdachte ontkent dit echter. Uit de bewijsmiddelen leidt de rechtbank af dat zowel de vuurwapens als de munitie zijn aangetroffen in de woning van verdachte waar zij samenwoonde met medeverdachte [medeverdachte] . Een van de vuurwapens is aangetroffen in de TV-kast die zich in de woonkamer bevond. Het andere vuurwapen is aangetroffen tussen de armleuning en een kussen van de bank die zich eveneens in de woonkamer bevond. De munitie, in totaal 294 patronen, zijn aangetroffen op verschillende plaatsen in de woonkamer. De munitie is onder andere aantroffen in de TV-kast, in de ornamenten aan de muur en op de achterkant van de nephaard. De rechtbank gaat ervan uit dat personen die in de woning verblijven in het algemeen wetenschap hebben van de daar aanwezige goederen en dat deze goederen zich ook in hun machtssfeer bevinden. Er zijn geen omstandigheden aannemelijk geworden waaruit voortvloeit dat dit anders is. De vuurwapens en munitie lagen weliswaar uit het directe zicht maar niet op een voor haar verborgen plek. De plaatsen waar de vuurwapens en munitie zijn aangetroffen waren vrij toegankelijk voor verdachte. Daar komt bij dat verdachte degene is die de woning schoonmaakte. De rechtbank volgt verdachte dan ook niet in haar verklaring dat zij niet wist dat er vuurwapens en munitie in haar woning aanwezig waren. Op grond van de hiervoor genoemde omstandigheden is de rechtbank dan ook van oordeel dat verdachte wetenschap had van en beschikkingsmacht had over de vuurwapens en munitie die in haar woning zijn aangetroffen. Medeverdachte [medeverdachte] heeft de vuurwapens en munitie in haar woning gelegd en verdachte heeft dat gedoogd. Van verdachte had mogen worden verwacht dat zij daartegen actief zou optreden wanneer zij het daar niet mee eens was, nu het ook haar woning is waar de vuurwapens en munitie zijn aangetroffen. De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 10 juli 2020 te Steenbergen twee vuurwapens en grote hoeveelheid munitie voorhanden heeft gehad. Feit 2 Op 10 juli 2020 is bij de doorzoeking van de woning van verdachte 257 gram amfetamine aangetroffen. De vraag die de rechtbank dient te beantwoorden is, of verdachte zich samen met medeverdachte [medeverdachte] hieraan schuldig heeft gemaakt. De amfetamine is aangetroffen in de woning van verdachte waar zij samenwoonde met medeverdachte [medeverdachte] . Het grootste gedeelte, 241 gram, is aangetroffen in de vriezer en twee kleine hoeveelheden, 6 en 10 gram, zijn aangetroffen in de woonkamer. In het algemeen gaat de rechtbank ervan uit dat personen die in een woning verblijven wetenschap hebben van de daar aanwezige goederen en dat deze goederen zich ook in hun machtssfeer bevinden. Er zijn geen omstandigheden aannemelijk geworden waaruit voortvloeit dat dit anders is. Gelet op de plaatsen waar de drugs zijn aangetroffen kan het in dit geval bovendien niet anders zijn dan dat verdachte daarvan wetenschap moet hebben gehad. Zo is de vriezer een vrij toegankelijke plaats met een algemeen en gangbaar gebruik waardoor de rechtbank ervan uitgaat dat ook verdachte hiervan gebruik maakte. Van de in de woonkamer aangetroffen amfetamine is de rechtbank van oordeel dat verdachte daarvan wetenschap moet hebben gehad omdat deze niet waren verborgen en zij ook degene is die de woning schoonmaakte. Medeverdachte [medeverdachte] heeft de harddrugs blijkbaar in de woning van verdachte gelegd en zij heeft dat gedoogd. Van verdachte had ook bij de drugs mogen worden verwacht dat zij daartegen actief zou optreden wanneer zij het daar niet mee eens was, nu het ook haar woning is waar deze zijn aangetroffen. Daarmee heeft verdachte minst genomen het voorwaardelijk opzet gehad op de aanwezigheid van drugs in de woning. Dat medeverdachte [medeverdachte] heeft verklaard dat het zijn drugs waren, maakt dat niet anders. Op grond van het voorgaande is de rechtbank dan ook van oordeel dat verdachte wetenschap had van en daarmee ook beschikkingsmacht had over de harddrugs. Niet alleen verdachte, maar ook medeverdachte [medeverdachte] heeft daarover de beschikkingsmacht gehad. De rechtbank is dan ook van oordeel dat sprake is van medeplegen. De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 10 juli 2020 te Steenbergen tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk 257 gram amfetamine aanwezig heeft gehad. 4.4 De bewezenverklaring De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte 1 op 10 juli 2020 te Steenbergen een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een centraalvuur pistool, van het merk Walther, model 4, kaliber 7,65 browning ofwel 32 auto en een wapen categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een centraalvuur revolver, van een onbekend merk, kaliber 6,35 browning ofwel 25 auto zijnde vuurwapens in de vorm van een revolver en pistool voorhanden heeft gehad; 2 op 10 juli 2020 te Steenbergen tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 257 gram (netto) amfetamine, zijnde amfetamine een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I; 3 op 10 juli 2020 te Steenbergen munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten - 15 centraalvuur (kogel)patronen van het kaliber 7,65, merk Browning ofwel 32 Auto en - 42 centraalvuur (kogel)patronen van het kaliber 6,35, merk Browning ofwel 25 Auto en - 100 randvuur (kogel)patronen van het kaliber .22 short en - 91 centraalvuur (kogel)patronen van het kaliber 9x19 mm en - 46 randvuur (hagel)patronen van het kaliber flobert 9 mm voorhanden heeft gehad. Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad. De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. 5De strafbaarheid Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op. Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die haar strafbaarheid uitsluit. 6De strafoplegging 6.1 De vordering van de officier van justitie De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. De officier van justitie heeft daarbij rekening gehouden met het blanco strafblad van verdachte. 6.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging bepleit dat verdachte dient te worden vrijgesproken en voert geen strafmaatverweer. 6.3 Het oordeel van de rechtbank Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van het opzettelijk aanwezig hebben van 257 gram amfetamine. De rechtbank stelt vast dat het een behoorlijke hoeveelheid betreft, die niet als gebruikershoeveelheid kan worden aangemerkt. Verdovende middelen als amfetamine leveren een gevaar op voor de volksgezondheid, nu deze stoffen sterk verslavend werken. De handel in, het vervoer van en het gebruik van dergelijke verdovende middelen brengen daarnaast vele vormen van (zware) criminaliteit en overlast met zich mee. Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van twee vuurwapens en een grote hoeveelheid munitie. Een deel van die munitie is geschikt voor gebruik met de aangetroffen wapens. Daar komt bij dat zich in de vuurwapens reeds patronen bevonden waardoor de vuurwapens schietklaar waren. Een van de wapens werd aangetroffen tussen de armleuning en een zitkussen van de bank met de loop in de richting van de voorzijde van de woning. Het onbevoegd voorhanden hebben van vuurwapens en munitie is maatschappelijk onaanvaardbaar vanwege de bedreiging die daarvan voor de veiligheid van anderen uitgaat. De rechtbank gaat bij de strafoplegging uit van de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het LOVS. Voor het voorhanden hebben van een pistool of revolver geldt als uitgangspunt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 3 maanden. Voor het bezit van harddrugs, bij een gewicht tussen de 200 en 500 gram, geldt als uitgangspunt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 2 maanden. Naar het oordeel van de rechtbank kan, gelet op de aard en ernst van de feiten niet anders worden gereageerd dan met een gevangenisstraf. Strafverlagend weegt de rechtbank echter mee dat het verwijt dat ten aanzien van verdachte wordt gemaakt van andere aard is dan het verwijt dat medeverdachte [medeverdachte] treft. Met name weegt de rechtbank in dit verband mee dat zij door het onderzoek ter terechtzitting de overtuiging heeft gekregen dat de betrokkenheid van de verdachte - in de zin van het gedogen van de aanwezigheid van de wapens en de drugs - met name voortvloeide uit de familierechtelijke relatie tussen de haar en de medeverdachte [medeverdachte] , waarbij van enig rechtstreeks belang van de verdachte bij het voorhanden hebben van die wapens of die drugs niet is gebleken. De rechtbank zal dit verdisconteren in de op te leggen straf. Zij zal verdachte daarom een lagere straf opleggen. De rechtbank neemt het verdachte wel kwalijk dat zij onvoldoende heeft gedaan om te zorgen dat de wapens, munitie en harddrugs niet meer in haar woning aanwezig waren. Verdachte had daartoe actief moeten handelen. Ook neemt de rechtbank in de beoordeling mee dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten en dat de feiten grote invloed hebben gehad op haar leven. Zij is dan ook van oordeel dat voor het onvoorwaardelijke deel van de gevangenisstraf kan worden volstaan met de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht. De rechtbank zal wel een fors voorwaardelijk deel opleggen, zodat verdachte ervan wordt weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen. Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 124 dagen met aftrek van de tijd die verdachte heeft doorgebracht in voorarrest, waarvan 120 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren noodzakelijk. 7De wettelijke voorschriften De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 47 en 57, van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet. 8De beslissing De rechtbank: Bewezenverklaring - verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven; - spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd; Strafbaarheid - verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert: t.a.v. feit 1: handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, terwijl het feit is begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, meermalen gepleegd; t.a.v. feit 2: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod; t.a.v. feit 3: handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd; - verklaart verdachte strafbaar; Strafoplegging - veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 124 dagen, waarvan 120 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar; - bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd de hierna vermelde voorwaarden niet heeft nageleefd; - stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit; - bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf. Dit vonnis is gewezen door mr. Collombon, voorzitter, mr. Sterk en mr. Van Riet, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Van Krevel, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 22 december 2020. Mr. Van Riet en de griffier zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen. Bijlage I: De tenlastelegging 1 zij op of omstreeks 10 juli 2020 te Steenbergen een wapen van categorie III, onder 1. van de Wet wapens en munitie, te weten een centraalvuur pistool, van het merk Walther, model 4, kaliber 7,65 browning ofwel 32 auto en/of een wapen categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een centraalvuur revolver, van een onbekend merk, kaliber 6,35 browning ofwel 25 auto zijnde (een) vuurwapen(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.