Rechtbank Zeeland-West-Brabant – ECLI:NL:RBZWB:2020:6929
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Cluster I Civiele kantonzaken Breda zaak/rolnr.: 7866884 OV VERZ 19-4407 beschikking d.d. 15 mei 2020 inzake [Eiseres] , wonende te [woonplaats 1] verzoekster, gemachtigde: mr. N. Stoutenbeek, advocaat te Eindhoven, tegen: [gedaagde 1] voor zoveel nodig in haar hoedanigheid van erfgenaam en voor zoveel nodig als vereffenaar in de nalatenschap van [naam zoon], wonende te [woonplaats 2] , verweerster sub 1, gemachtigde: mr. M.C.G. Stut, advocaat te Rotterdam, en [gedaagde 2] voor zover nodig in zijn hoedanigheid van executeur in de nalatenschap van [naam zoon], wonende te [woonplaats 3] , verweerder sub 2, gemachtigde: mr. M.C.G. Stut, advocaat te Rotterdam.
Partijen worden hierna aangeduid als [Eiseres] , [gedaagde 1] en [gedaagde 2] .
1Het verloop van het geding 1.1 De procesgang blijkt uit de volgende stukken: a. het op 27 juni 2019 ter griffie ontvangen verzoekschrift met bijlagen, genummerd 1 tot en met 6; b. het daarop ontvangen verweerschrift met bijlagen, genummerd 1 tot en met 19; c. de brief van de [gedaagde 1] en [gedaagde 2] van 17 september 2019 met bijlage 11 en 12 sub-bijlagen A tot en met L; d. de brief van [Eiseres] van 19 september 2019 met bijlagen 3a en bijlagen 7 tot en met 12; e. de brief van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] van 24 september 2019 met als bijlage een afschrift van het testament van 9 augustus 2017; f. de akte wijziging verzoek van 26 september 2019; g. de aantekeningen van de griffier van de mondelinge behandeling die op 26 september 2019 heeft plaatsgevonden; h. de brief van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] van 8 oktober 2019; i. de brief van [Eiseres] van 28 oktober 2019.
2Het verzoek 2.1 [Eiseres] verzoekt na wijziging van haar verzoek om bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad:
2.2 [gedaagde 1] en [gedaagde 2] verzoeken in het verweerschrift primair om de verplichting van [gedaagde 1] en of [gedaagde 2] tot medewerking aan de vestiging van een vruchtgebruik ex artikel 4:29 BW en/ of 4:30 BW op te heffen en subsidiair om de aan het vruchtgebruik ex artikel 4:29 en/ of 4:30 BW verbonden bevoegdheden van de echtgenote te beperken en/ of haar deze te ontzeggen of nadere regelingen te bepalen zoals omschreven onder randnummer 106; in alle gevallen met veroordeling van [Eiseres] in de proceskosten.
A. af te geven zo spoedig mogelijk na mijn overlijden, al mijn inboedelgoederen (...); en B. af te geven bij notariële akte binnen zes maanden na mijn overlijden: het zakelijk recht van vruchtgebruik van mijn woning met aanhorigheden gelegen aan het [adres] ; danwel C. indien de onder B. genoemde woning niet tot mijn nalatenschap behoort, het zakelijk recht van vruchtgebruik van de ten tijde van mijn overlijden tot mijn nalatenschap behorende woning met aanhorigheden, casu quo mijn onverdeeld aandeel daarin.
Ten aanzien van dit recht van vruchtgebruik hierna ook te noemen “het recht” en het daaraan onderworpen vermogen bepaal ik als volgt:
De heer [gedaagde 2] , (...). De heer [gedaagde 2] . voornoemd, heeft verklaard deze benoeming te aanvaarden. Zulks blijkt uit een schriftelijke verklaring die aan deze akte is gehecht. (...) De executeur heeft ingevolge de wet en ingevolge de hiervoor vermelde uiterste wilsbeschikking de taak de goederen van de nalatenschap te beheren en de schulden van de nalatenschap te voldoen, die tijdens zijn beheer uit die goederen behoren te worden voldaan.
De executeur is bevoegd de door hem beheerde goederen te gelde te maken, voor zover dit nodig is voor de tot zijn taak behorende voldoening van schulden van de nalatenschap. De executeur hoeft omtrent de keuze van de te gelde te maken goederen en de wijze van tegeldemaking niet in overleg te treden met de erfgenamen en behoeft hiervoor niet hun toestemming. (...) Ingevolge het vorenstaande heeft erflater als zijn enige erfgename achtergelaten: zijn dochter mevrouw [gedaagde 1] , voornoemd. (...) Bij akte op drieëntwintig april tweeduizend achttien opgemaakt ter Griffie van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, is de nalatenschap door mevrouw [gedaagde 1] , voornoemd, beneficiair aanvaard. Een afschrift van die verklaring is aan deze akte gehecht. (...) Aangezien de nalatenschap beneficiair is aanvaard, dient de nalatenschap in beginsel op grond van artikel 4:202 lid 1Burgerlijk Wetboek overeenkomstig de voorschriften van afdeling 3 van titel 6 van Boek 4 Burgerlijk Wetboek (Wettelijke vereffening’) te worden afgewikkeld. Op grond van het bepaalde in artikel 4:202 lid 1 sub a van het Burgerlijk Wetboek hoeft de nalatenschap desalniettemin niet overeenkomstig afdeling 3 van titel 6 van Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek te worden afgewikkeld, omdat de executeur heeft verklaard dat de goederen van de nalatenschap ruimschoots toereikend zijn om alle schulden van de nalatenschap te voldoen, van welke verklaring blijkt uit voormelde aan deze akte gehechte onderhandse verklaring. (...).’ 3.2 [Eiseres] voert ter onderbouwing van haar verzoeken aan dat erflater met de legaten van vruchtgebruik uitvoering heeft willen geven aan zijn verzorgingsverplichting jegens haar. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben ten onrechte niet meegewerkt aan afgifte van die legaten. Zij zijn daartoe echter verplicht gelet op de wens van erflater en het bepaalde in het testament. Artikel 4:41 BW brengt bovendien mee dat het recht op vruchtgebruik ruim dient te worden opgevat en niet beperkt dient te worden in tijd of gebruik. [Eiseres] maakt ex artikel 4:46 BW en de redelijkheid en billijkheid aanspraak op het levenslang vruchtgebruik van de woning in [plaats] . Gelet op haar verzorgingsbehoefte maakt [Eiseres] ook aanspraak op de overige goederen van de nalatenschap, waaronder de banksaldi en eventueel de verkoopopbrengst van de woning in [plaats] . Nu de verhoudingen tussen partijen verslechteren meent [Eiseres] dat alle partijen er bij gebaat zijn de banden te verbreken. Daarom verzoekt zij primair betaling van een afkoopsom.
3.3 [gedaagde 1] en [gedaagde 2] voeren aan het de bedoeling van erflater was om zowel zijn echtgenote als zijn dochter verzorgd achter te laten. Ten aanzien van [Eiseres] heeft hij daaraan uitvoering gegeven door er voor te zorgen dat zij aanspraak kon maken op het partnerpensioen, door haar bij leven geldbedragen te schenken om een buffer aan te leggen en door haar (levenslang) een woning ter beschikking te stellen. Daarom heeft erflater het legaat als zodanig verwoord opgenomen in het testament. De nalatenschap bevat echter onvoldoende liquide middelen om de schulden van de nalatenschap te kunnen betalen, waaronder (doch niet uitsluitend) de erfbelasting, die door [gedaagde 1] en [gedaagde 2] wordt geschat op ongeveer € 30.000,00.
Daarom dient te woning in [plaats] te worden verkocht en kan het vruchtgebruik op deze woning om die reden niet worden gevestigd. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] zijn bereid om met de helft van de verkoopopbrengst van de woning, conform de bedoeling van erflater, een nieuwe woning aan te schaffen ten behoeve van [Eiseres] met de aantekening van vruchtgebruik voor [Eiseres] . De verzorgingsbehoefte van [Eiseres] wordt betwist. Het vruchtgebruik ex artikel 4:29 BW en 4:30 BW is bij gebrek aan verzorgingsbehoefte niet toewijsbaar, aldus [gedaagde 1] en [gedaagde 2] . Voorts druist het tegen de uitdrukkelijke wens van erflater in wanneer [Eiseres] geld zou ontvangen uit zijn nalatenschap. Ten aanzien van de door [Eiseres] gevorderde afkoopsom stellen [gedaagde 1] en [gedaagde 2] zich op het standpunt dat [Eiseres] hiermee afstand doet van het recht op vruchtgebruik en om die reden geen recht heeft of uitkering van de waarde van het legaat.
De berekening van de door [Eiseres] berekende afkoopsom voor het testamentaire vruchtgebruik van de woning in [plaats] en de periode waarover de afkoopsom is berekend wordt voorts betwist.
Ontvankelijkheid 3.4 Uit de verklaring van erfrecht volgt dat [gedaagde 2] als executeur een ruimschootsverklaring heeft afgelegd. Dit leidt ertoe dat de nalatenschap niet behoeft te worden vereffend volgens de wet en dat [gedaagde 1] geen vereffenaar is. [Eiseres] heeft haar verzoeken weliswaar uitsluitend jegens [gedaagde 1] gericht maar gelet op het voorgaande kan zij daarin niet worden ontvangen. Ter gelegenheid van de zitting heeft [Eiseres] ook erkend dat [gedaagde 1] geen partij is in deze procedure. [Eiseres] zal dan ook niet ontvankelijk worden verklaard in haar verzoeken jegens [gedaagde 1] .
Verzorgingsvruchtgebruik 3.5 Ingevolge artikel 4:29 lid 1 BW zijn erfgenamen verplicht tot medewerking aan de vestiging van een vruchtgebruik ten behoeve van de echtgenoot van de erflater op de tot diens nalatenschap behorende woning, die ten tijde van het overlijden door de erflater en zijn echtgenoot tezamen of door de echtgenoot alleen bewoond werd, of op de tot de nalatenschap behorende inboedel daarvan, voor zover de echtgenoot van de erflater ten gevolge van uiterste wilsbeschikkingen van de erflater niet of niet enig rechthebbende is tot die woning en voor zover de echtgenoot dit van de erfgenamen verlangt. Ingevolge artikel 4:30 lid 1 BW zijn erfgenamen verplicht tot medewerking aan de vestiging van een vruchtgebruik op andere goederen van de nalatenschap dan bedoeld in artikel 4:29 BW ten behoeve van de echtgenoot van de erflater, voor zover de echtgenoot daaraan behoefte heeft en die medewerking van hen verlangt. Voornoemde verplichtingen gelden echter niet voor zover de kantonrechter op een daartoe strekkend verzoek artikel 4:33 lid 2 onder a BW heeft toegepast.
3.6 De kantonrechter kan op de voet van artikel 4:33 lid 2 onder a BW, voor zover de echtgenoot, de omstandigheden in aanmerkingen genomen, voor zijn verzorging aan het vruchtgebruik geen behoefte heeft, op verzoek van een rechthebbende de verplichting tot medewerking aan de vestiging van het vruchtgebruik opheffen. In lid 5 van dit artikel zijn criteria vermeld waarmee de kantonrechter bij de toepassing van lid 2 in ieder geval rekening houdt, te weten: de leeftijd van de echtgenoot; de samenstelling van de huishouding waartoe de echtgenoot behoort; de mogelijkheid van de echtgenoot om zelf in de verzorging te voorzien door middel van arbeid, pensioen, eigen vermogen dan wel andere middelen of voorzieningen; hetgeen in de gegeven omstandigheden als een passend verzorgingsniveau voor de echtgenoot kan worden beschouwd.
3.7 Uit de parlementaire geschiedenis volgt dat de rechten van afdeling 2 Boek 4 BW (“Andere wettelijke rechten”) dienen als vangnet voor personen wier verzorging niet of onvoldoende gewaarborgd is (zie ook HR 8 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA2507). De artikelen 4:29 en 4:30 BW bieden de langstlevende echtgenoot de mogelijkheid om van de erfgenamen (of legatarissen) te verlangen dat zij bepaalde nalatenschapsgoederen aan de echtgenoot in vruchtgebruik geven. Voor beide artikelen is de verzorgingsbehoefte van de echtgenoot maatgevend, omdat de kantonrechter het vruchtgebruik op verzoek van de erfgenamen (of andere rechthebbenden) kan beëindigen voor zover de echtgenoot daaraan voor zijn verzorging geen behoefte heeft (artikel 4:33 lid 2 BW). Voor de omvang van de verzorgingsbehoefte kan er van uit worden gegaan dat de langstlevende echtgenoot aanspraak kan maken op een passende voorziening, maar dat is niet hetzelfde als een aanspraak om onder alle omstandigheden het leefpatroon van voorheen voort te zetten. Het gaat hier om een vangnet voor het geval door een erflater of anderszins onvoldoende in de verzorging van diens echtgenoot is voorzien. De omvang kan in elk concreet geval verschillen, waarbij de wettelijke maatstaven omtrent het verschaffen van levensonderhoud tussen gewezen echtgenoten een oriëntatiepunt kunnen vormen.
Primair onder a. verzochte afkoopsom 3.8 [Eiseres] heeft primair verzocht om de waarde van het testamentaire vruchtgebruik aan haar uit te keren als afkoopsom. Als uitgangspunt bij de waardering van het vruchtgebruik heeft volgens [Eiseres] te gelden dat haar een levenslang recht van vruchtgebruik toekomt, zowel op basis van het testament als op basis van de wet. Bij brief van 28 oktober 2019 heeft [Eiseres] de afkoopsom primair berekend op € 147.000,00 en subsidiair op € 146.810,74.
3.9 Als meest verstrekkende verweer hebben [gedaagde 1] en [gedaagde 2] aangevoerd dat [Eiseres] middels haar verzoek om een afkoopsom uitdrukkelijk afstand doet van het vruchtgebruik als bedoeld onder bepaling V sub 2 onder a van het testament. Zij heeft dan geen recht op een uitkering van de waarde van het legaat.
3.10 Naar het oordeel van de kantonrechter slaagt het verweer van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] niet. Niet gezegd kan worden dat [Eiseres] afstand doet van haar recht van vruchtgebruik door een afkoopsom te vragen. Natuurlijk is het zo dat zij geen aanspraak meer kan maken op het vruchtgebruik als zij een afkoopsom, gebaseerd op de waarde van het vruchtgebruik, heeft ontvangen. Het enkele verzoek om een afkoopsom kan echter niet gelden als een uitdrukkelijk afstand doen van het recht van vruchtgebruik.
3.11 Als grondslag voor het verzoek om [gedaagde 1] en [gedaagde 2] te veroordelen tot betaling van een afkoopsom wordt door [Eiseres] een beroep gedaan op artikel 4:122 BW. Tussen partijen staat vast dat het recht van vruchtgebruik op de woning in [plaats] (‘de eerste woning’), zoals dat is verwoord in bepaling V onder B. van het testament niet kan worden afgegeven, gelet op de in rangorde hoger geplaatste erfbelastingschuld op grond van artikel 4:7 lid 2 BW en artikel 4:120 BW, waaruit volgt dat schulden van de nalatenschap uit een legaat slechts ten laste van de nalatenschap worden voldaan, indien alle andere schulden van de nalatenschap ten volle worden voldaan. Het legaat zoals dat is verwoord in artikel V sub 2 onder d juncto sub 7 en 8 van het testament (‘de tweede woning’) kan wèl worden afgegeven en [gedaagde 2] heeft zich hiertoe bereid verklaard.
Van een vermindering als bedoeld in artikel 4:122 BW is in die zin geen sprake, zodat dit artikel niet kan gelden als grondslag voor een uitkering van de waarde van dit legaat. Een andere (juridische) grondslag op basis waarvan het legaat met betrekking tot de ‘tweede woning’ kan worden ‘afgekocht’ is gesteld noch gebleken en is, gelet op de duidelijke bewoordingen van het testament, ook overigens in strijd met de bedoeling van erflater. Ten aanzien van het legaat met betrekking tot de eerste woning kan geoordeeld worden dat sprake is van een vermindering in de zin van artikel 4:122 BW nu dit legaat, zijnde een schuld van de nalatenschap, niet kan worden afgegeven. Aangezien [Eiseres] niet kiest voor de ‘opleg’ van artikel 4:122 BW, kan [gedaagde 2] als executeur volstaan met het uitkeren van de waarde van het verminderde legaat van vruchtgebruik op de woning in [plaats] .
Dat betekent dat de waarde van het recht van vruchtgebruik, voor zover dat ziet op gebruik van de woning te [plaats] tot 12 november 2024, in beginsel voor uitkering in aanmerking komt.
3.12 Partijen verschillen van mening over de berekening van de waarde van dit recht van vruchtgebruik, maar zijn het eens over de te hanteren waarde van de woning in die berekening en de peildatum van 1 januari 2020.
Ter bepaling van de waarde van dat vruchtgebruik wordt aansluiting gezocht bij de artikelen 6 en 10 van het Besluit van 20 juli 1956 ter uitvoering van artikel 21 lid 14 van de Successiewet 1956, met dien verstande dat in de huidige hoogte van rente op spaargelden, aanleiding wordt gezien uit te gaan van afwijkend rentepercentage van 2%. Uitgaande van de leeftijd van [Eiseres] op 1 januari 2020, 75 jaar, betekent dit dat de waarde (per jaar) van het (gemiste) vruchtgebruik van [Eiseres] gelijk is aan factor 0,75 maal 2% = 1,5% van € 490.000 (= € 7.350,00).
Naar het oordeel van de kantonrechter is de hoogte van de vergoeding afhankelijk van het moment dat de woning notarieel wordt overgedragen aan een derde. Over de periode vanaf overdracht tot 12 november 2024 is derhalve een vergoeding verschuldigd van € 7.350,00 per jaar. De kantonrechter zal gelet hierop het verzoek toewijzen op de wijze als hieronder verwoord. Gelet op het verzoek van [gedaagde 2] bepaalt de kantonrechter dat dit bedrag pas betaald hoeft te worden nadat de notariële overdracht aan een derde heeft plaatsgevonden. Tot die notariële overdracht is [Eiseres] gerechtigd in de woning te blijven wonen.
Primair onder b. verzochte vestiging van vruchtgebruik als bedoeld in artikel 4:30 BW 3.13 [Eiseres] voert aan dat zij voor haar verzorging behoefte heeft aan de vestiging van dit vruchtgebruik omdat zij niet over voldoende inkomsten beschikt. [gedaagde 2] betwist de verzorgingsbehoefte van [Eiseres] .
3.14 [Eiseres] heeft, voor het geval de verzorgingsbehoefte wordt betwist, een beroep gedaan op artikel 22 Rv en/of artikel 843a ten aanzien van de administratie van erflater. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft [Eiseres] na ontvangst van het verweerschrift met daarbij een groot aantal bescheiden uit de administratie van erflater niet langer belang bij dit verzoek. Het had voor de hand gelegen indien [Eiseres] , voor zover zij nog stukken uit de administratie miste, haar verzoek nader te concretiseren.
3.15 Zoals hiervoor overwogen onder 3.5 tot en met 3.7 is voor de bepaling van de behoefte van [Eiseres] aan een verzorgingsvruchtgebruik het (gezamenlijke) inkomen ten tijde van het huwelijk van [Eiseres] met erflater niet zonder meer beslissend en kan zij geen aanspraak maken op voortzetting van het leefpatroon dat zij voorheen met erflater had, maar slechts op een ‘passende voorziening’. Bij het bepalen van de verzorgingsbehoefte van [Eiseres] kunnen de wettelijke maatstaven omtrent het verschaffen van levensonderhoud tussen gewezen echtgenoten een oriëntatiepunt vormen. Wel kan aansluiting worden gezocht bij de regels voor het bepalen van levensonderhoud na een huwelijk, waarbij het welstandsniveau ten tijde van het huwelijk bij het bepalen van de behoefte een rol speelt. Daarbij geldt verder dat [Eiseres] het bestaan van haar verzorgingsbehoefte aannemelijk dient te maken (artikel 4:30 lid 1 BW jo. artikel 150 Rv).
3.16 [Eiseres] heeft gesteld dat zij een AOW voor alleenstaanden en een nabestaanden-pensioen ontvangt van € 1.805,55 netto per maand (exclusief zorgtoeslag, door [Eiseres] berekend op € 47,00). Voorts staat tussen partijen vast dat erflater bij leven geldbedragen aan [Eiseres] heeft voldaan om in haar onderhoud te voorzien. Het vermogen van [Eiseres] bedraagt (per 1 januari 2017) € 82.122,00. Verder neemt de kantonrechter in aanmerking dat [Eiseres] , gelet op het (levenslange) vruchtgebruik van een woning, geringe woonlasten heeft. De kosten die [Eiseres] maakt in verband met een auto van haar dochter zijn naar het oordeel van de kantonrechter geen kosten van levensonderhoud van [Eiseres] zelf, te meer niet nu uit het overzicht van lasten blijkt dat [Eiseres] ook een OV-kaart + abonnement heeft en ook niet is onderbouwd dat [Eiseres] geen gebruik kan maken van openbaar vervoer.
Haar maandelijkse lasten, zoals opgegeven door [Eiseres] in (de gewijzigde) bijlage 3 bij verzoekschrift dienen derhalve met een bedrag van € 107,77 verminderd te worden, zodat de huidige maandelijkse (vaste) lasten van [Eiseres] geen € 1.010,61 bedragen, maar € 902,84. Het onderhoud aan tuin en woning (als stelpost) is naar het oordeel van de kantonrechter met een bedrag van € 225,00 per maand hoog ingeschat en bovendien niet nader onderbouwd. De kantonrechter schat deze kosten op hooguit € 125,00 per maand. De totale maandelijkse lasten worden daarmee nog lager. Gelet op genoemd inkomen (€ 1.852,55) en de feitelijke behoefte (€ 802,84) is er naar het oordeel van de kantonrechter geen reden om een levenslang vruchtgebruik als bedoeld in artikel 4:29 BW of 4:30 BW te vestigen.
Ook bij de berekening van de behoefte volgens de zogenaamde ‘hofnorm’ geldt dat [Eiseres] ruimschoots in haar eigen behoefte kan voorzien. Tussen partijen staat immers vast, gelet op de aangifte IB over 2017 van erflater en [Eiseres] (bijlage 12 bij verweerschrift), dat erflater en [Eiseres] samen een netto besteedbaar inkomen van € 2.562,00 hadden. Het huidige inkomen van [Eiseres] is hoger dan 60 % van het netto gezinsinkomen. [Eiseres] heeft naar het oordeel van de kantonrechter dan ook onvoldoende aannemelijk gemaakt dat zij voor haar verzorging behoefte heeft aan het vruchtgebruik over de overige goederen van de nalatenschap. Het primaire verzoek onder b. wordt dan ook afgewezen.
Subsidiair en meer subsidiair 3.17 Gelet op het vorenstaande wordt, bij gebrek aan verzorgingsbehoefte, het subsidiaire en meer subsidiaire verzochte eveneens afgewezen.
Zelfstandige tegenverzoeken 3.18 De door [gedaagde 1] en [gedaagde 2] , bij wijze van zelfstandig verzoek, primair verzochte opheffing van de verplichting tot medewerking aan de vestiging van het vruchtgebruik van 4:30 BW behoeft geen nadere bespreking. Aangezien van vestiging geen sprake is, is opheffing niet aan de orde. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] worden niet-ontvankelijk verklaard in dit verzoek. Het subsidiaire verzoek om de aan het vruchtgebruik ex artikel 4:29 BW en/of 4:30 BW verbonden bevoegdheden te beperken en/of te zeggen behoeft ook geen nadere bespreking aangezien geen recht van vruchtgebruik wordt gevestigd. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] worden niet ontvankelijk verklaard in dit verzoek.
Proceskosten 3.19 De kantonrechter ziet in de aard en de uitkomst van de procedure aanleiding de proceskosten te compenseren.
4De beslissing De kantonrechter: in het verzoek 4.1 veroordeelt [gedaagde 2] in zijn hoedanigheid van executeur van de nalatenschap van [naam zoon] om een bedrag van € 7.350,00 per jaar te betalen aan [Eiseres] als afkoopsom terzake het recht van vruchtgebruik van de woning aan het [adres] , te berekenen vanaf de datum van notariële overdracht van voornoemde woning tot 12 november 2024;
4.2 verstaat dat dit bedrag pas betaald hoeft te worden na de notariële overdracht van voornoemde woning aan een derde;
4.3 verstaat dat [Eiseres] tot de notariële overdracht in de woning mag blijven wonen;
4.4 verklaart [Eiseres] niet ontvankelijk in haar verzoek jegens [gedaagde 1] ;
4.5 wijst het meer of anders verzochte af;
4.6 compenseert de proceskosten van deze procedure, in die zin dat ieder van partijen de eigen kosten draagt; in het tegenverzoek 4.8 verklaart [gedaagde 2] en [gedaagde 1] niet ontvankelijk in hun verzoek;
4.9 compenseert de proceskosten van deze procedure, in die zin dat ieder van partijen de eigen kosten draagt.
Deze beschikking is gegeven door mr. Eijssen-Vruwink, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 15 mei 2020, in tegenwoordigheid van de griffier.